Home arrow Finland arrow Bevolking arrow Bevolking, familie en emancipatiezaken en welzijnsaspecten
Bevolking, familie en emancipatiezaken en welzijnsaspecten
 

Demografische gegevens

In juli 2006 had Finland 5.2 miljoen inwoners; 93,4% Finnen (een mengsel van de volkeren die zich in de loop van de historie in het land hebben gevestigd), 5,7% etnische Zweden, 0,4% Russen; 0,2% Esten; 0,2% Roma zigeuners, 0,1% Samen (volbloed Lappen). In 2005 waren de grootste groepen buitenlandse paspoorthouders (in totaal 113.000) Russen (25.000), Esten (15.000), Zweden (8200), Somaliërs (4700) en Serviërs (4000). Voor buitenlanders die een Fins paspoort krijgen verdwijnt het land van herkomst uit de statistieken. Rond begin oktober 2006 onderschreef 54% van de Finnen (EU 40%) de stelling dat immigranten veel bijdragen aan hun land. Tot de Finse minderheidsgroepen behoren Zweedstaligen, Sami, Tataren, zigeuners en joden (van links naar rechts op de betreffende dia). De gemiddelde levensverwachting lag in 2006 op 78,5 jaar (mannen 75; vrouwen 82 jaar); 17% van de bevolking is jonger dan 15 en 16% ouder dan 65. Een Finse vrouw krijgt tijdens haar leven gemiddeld 1,8 kind (EU 1,5). In de bevolkingspiramide van Finland vallen de naoorlogse babyboom en het grote verschil in aantallen mannen en vrouwen boven de 80 op. Opbouw huishoudens 2004: 47% alleenwonend; 53% gezinnen. Onder de 1,42 miljoen ge-zinshuishoudingen is 33% getrouwd zonder kinderen, 12,5% samenwonend zonder kinderen, 33,5% getrouwd met kinderen, 8% samenwonend met kinderen en 13% (2% vaders) alleenstaande ouder met kinderen. Huwelijkse staat 2005: 47% alleenstaand, 38% getrouwd, 15% gescheiden/ verweduwd.

 

Rond half maart 1921 kreeg Finland een fikse immigratiegolf uit Rusland te verwerken. Het betrof hier 8000 matrozen die gelegerd waren in het fort van de Sovjetvloot in Kronstedt in de Finse golf. Ze waren over het ijs gevlucht voor de Bolsjewistische troepen op strafexpeditie toen het nog kon. De matrozen waren voor hun vlucht altijd loyaal geweest aan de idealen van de communistische revolutie. Ze merkten echter dat de revolutionairen hun beloften niet waar maakten omdat hun familie straatarm bleef. Ook hadden ze geen vertrouwen in de dictatuur van het proletariaat via het stelsel van één communistische partij. De matrozen zijn in Finland gebleven.

 

Historische achtergrond en huidige ontwikkeling

Tot op zekere hoogte is individualisering in de Finse samenleving geen modern ver­schijnsel. Het wettelijke huwelijk was er bijv. al in het begin van de 20e eeuw minder gangbaar dan in de meeste Europese landen. In 1900 was 61% van de Finse bevolking formeel alleenstaand, in 1950 was dat 53% en tussen 1990 en 2004 lag het aandeel al­leenstaanden iets boven 45% (wat meer mannen dan vrouwen). Kinderen gaan meestal jong op zichzelf wonen. Van de 18 tot 35 jarigen zonder partner en kinderen woonde in 2003 slechts 13% van de mannen (laagste EU25, EU15 33%, NL 35%) en 11% van de vrouwen (laagste EU25 na Denemarken, EU15 25%, NL 22%) bij hun ouders in. Meisjes gaan meestal eerder (vaak voor hun 20e) zelfstandig wonen dan jongens omdat de jon­gens eerst hun militaire dienstplicht willen vervullen. Voor 1960 werd een buitenechtelijk kind nog als een schande gezien, maar tussen 1960 en 2005 steeg het aandeel kinderen van ongetrouwde moeders van 5 naar 41% (in Nederland van 2 naar ruim 32%, hetgeen tevens het EU gemiddelde is). In 2003 had meer dan de helft van de moeders geen boterbriefje terwijl ze hun 1e kind kregen en in 2002 was in 33% van de gezinshuishoudingen sprake van ongehuwde (20%) of al­leenstaande (13%) ouderfiguren. Van de Finnen onder de 30 woonden toen 60% onge­trouwd samen (NL 55%). In 1998 kon bijna 9% van de bevolking aangemerkt worden als huwelijksaversief; hetgeen betekent dat men het grootste deel van het leven geen for­mele relatie had. Vanaf 1950 is rond 39% van de Finnen wettelijk getrouwd. Wel is de leeftijd bij een 1e huwelijk omhoog gegaan door­dat vrouwen langer studeren en ze lag in 2005 op 30 (EU 29) jaar. Velen die trouwen hebben voordien jarenlang samengewoond. Door een groeiend aantal echtscheidingen maakte het volksdeel dat als gescheiden of nabestaande leefde tus­sen 1950 en 1990 een sprong van 7 naar 13% en tussen 1999 en 2005 bleef het stabiel op iets minder dan 15%. In 2005 werden er per 1000 inwoners 5,6 huwelijken gesloten (EU 4,8) en kwamen er 2,6 echtscheidingen tot stand (Eu respectievelijk 4,8 en 2). Tussen 1990 en 2003 lag het aandeel echtscheidingen nog op meer dan de helft van het aantal huwelijken. Het gebruik van moderne anticonceptiemiddelen was in 2002 in Finland hoog (75%, EU 65%) en het abortuscijfer vrij laag (10 op 1000, EU15: 12 op 1000 vrouwen).

 

Bij een geboorte kunnen Finse moeders aanspraak maken op een van overheidswege in natura verstrekt gratis geboortepakket (kleertjes, knuffels, beddengoed en luiers ter waarde € 140 in 2004). Zo'n 85% van de moeders maakt hier gebruik van.

 

Bevolkingsbeleid en kinderopvang

Van de gezinnen met kinderen in Finland heeft 80% er slechts 1 of 2. In een poging om vergrijzing en bevolkingsafname een slag voor te zijn probeert de Finse overheid gezins­uitbreiding te stimuleren. Los van het geboortepakket openbaart het zich in een progressief stelsel van kinderbijslag. Daar bovenop krijgt een alleenstaande ouder extra kinderbijslag. Het Finse beleid is eveneens gericht op zorg voor de moeder en een vrije keus tussen werk en kinderzorg voor zowel de vader als de moeder. Het land kende in 2002 een zwangerschapsverlof van 105 werkdagen tegen een vergoeding van zo'n 70% van het laatstverdiende loon met een minimum. Nadien bestaat betaald ouderschapsverlof van rond 11 maanden (opneembaar voor beide ouders) en van 3 weken specifiek voor vaders. Ook kent men een speciale uitkering voor de duur van 60 tot 90 dagen voor een ouder die een ziek kind thuis verzorgt en een thuis­zorgvergoeding van ruim €3000 per jaar voor de zorg voor één gezond tot 3j + €600 p/j voor ieder bijkomend kind tot 7. Ruim 40% van de vrouwen met een kind tot 7 maakte gebruik van deze regelingen en de meerderheid van kinderen tot 3 is daardoor thuis. Veel werkende Finnen zijn echter tweeverdieners en de regelingen laten onverlet dat de Finse maatschappij hier prima op is ingesteld. De kinderopvang (incl. naschoolse op­vang) is goed georganiseerd en omdat laagbetaalden subsidie krijgen kan iedereen het zich veroorloven. Alle kinderen en adolescenten in de leerplichtige fase krijgen op school een gezonde gratis warme maaltijd tussen de middag. Volwassenen eten dan vaak warm in de kantine op hun werk of bij een restaurant waar de werkgever een deal mee heeft gesloten.

 

Generaties en familiebanden

Het verschil tussen werkende en niet werkende moeders in tijd die dagelijks aan kinder­zorg wordt besteed (4 om 12 uur) is in Finland het hoogst binnen de Eu25. Volwassen Finnen leven tamelijk onafhankelijk van hun familie. Het aandeel van hen dat bij een depressieve bui in 1e instantie hulp zou zoeken bij vrienden (57%, EU25 43%) is het hoogste binnen de Eu en het deel dat steun bij familie zou zoeken (40%, EU 52%) het laagste. Bij acute geldnood zoekt men wel het vaakst, maar het minst vaak binnen de Eu, steun bij familie (58 om 69%). Naar EU maatstaven wordt ook dan dikwijls (37% van de Finnen, Eu 19%) steun gezocht bij anderen. Steeds meer Finnen van de naoorlogse babyboomgeneratie leven in de "lege nestfase" omdat de kinderen de deur uit zijn. Samengestelde gezinnen komen in Finland weinig voor en alleenstaande ouderen hebben geen opvangtaken voor kleinkinderen zo­dat bij deze groep het risico van vereenzaming op de loer ligt.

 

Emancipatie

Qua emancipatiewetgeving is Finland een modern land. Het was bijv het eerste land van de EU dat het vrouwenkiesrecht invoerde (in 1906). In het anti-discriminatieartikel in de grondwet is seksuele geaardheid opgenomen en sinds 2002 kent men geregistreerd partnerschap van homo's (550 geregistreerde paren in 2003). Geweld tegen en afwijzing van homo's was in ieder geval tot 1998 zeldzaam. In 2006 was 45% van de Finnen voor het Europees toestaan van het zelfde seksehuwelijk (EU 44%, NL hoogste met 82%) en 24% (Eu 32%, NL 69%, hoogste EU) voor het Europees toestaan van kinderadoptie door homoparen. Qua mening stelden de Finnen zich toen m.b.t. emancipatiezaken in 1998 door de bank genomen iets traditioneler op dan Nederlan­ders. Zo onderschreef 46 (om 33%) de stelling dat we beter af zouden zijn wanneer we weer op de traditionele manier gingen leven en 23 (om 19%) was van mening dat de vrouw achter het aanrecht thuishoort.

 

Net als in Nederland hebben door de leeftijdsgroe­pen heen ongeveer 1½ keer zoveel man­nen als vrouwen universitair onderwijs genoten, maar na 1990 studeerden jaarlijks meer vrouwen dan mannen af aan hoger onderwijsin­stellingen. In 2004 lag het aandeel vrouwe­lijke hoger onderwijsstudenten iets onder het Eu gemiddelde (53,4 om 54,8%), maar het contingent vrouwen onder de hoogleraren behoorde tot de grootste binnen de Eu (21%, EU 15%).. De arbeidsparticipatie onder vrouwen (15 tot 65 jaar) lag in 2005 op 67% (NL 66%, EU 56%) en slechts 17% van de vrouwen (EU 34%, NL 73%) werkte in deeltijd. Daarbij moet echter aangetekend worden dat deeltijdwerk in Finland überhaupt weinig voorkomt (Finland 12%, EU 18%, NL 44%). Van de Finnen die in 2001 in landbouw, bos­bouw en visserij werk­ten was een opmerkelijk groot gedeelte (44%; Nederland 5%) vrouw en er waren veel vrou­welijke ambtenaren (87%, Nederland 67%). Ook het aandeel vrou­welijke ministers (44%) en parlementariërs (38%, EU 23% in 2005) was erg groot. Hetzelfde gold in 2005 voor het aan­deel werknemers dat een vrouw als directe superieur heeft (39% in 2005, hoogste EU), maar het gedeelte vrouwen in hoge managementfuncties lag iets onder het EU gemiddelde (30 om 23%). Finse vaders steken aanzienlijk meer tijd in huishoudelijke en gezinstaken dan Ne­derlandse vaders (tussen 1990 en 1995: 57 om 41% van de tijd die vrouwen er aan beste­den). Vrouwen verdien­den in 2005 voor evenveel werkuren 81% (EU25 85%) van wat man­nen verdienen, maar al met al scoort Finland naar EU maatstaven hoog op de gelijkberechtigingschaal.

 

Welzijnsaspecten

In 2003 beoordeelde 6% van de Finnen (EU15 6%) de eigen gezondheid als slecht. Het deel van hen dat op een 9tal gebieden redelijk tot erg tevreden was met hun leven lag met 85% flink boven het Eu gemiddelde (EU 77%) en het volksdeel dat meer optimistisch dan pes­simistisch gestemd was over de toekomst (89%) was het grootste binnen de EU na dat van Denemarken (Eu 64%). De Finnen zijn qua prioriteitenstelling een apart volk. In 2002 vonden ze vakantie de primaire voorwaarden voor een goed leven, terwijl dat voor de meeste EU Europeanen (het hebben van) werk is (onderdak was bij de Finnen de 2e voorwaarde en nuttig zijn voor anderen de 3e). Wellicht heeft dit te maken met het feit dat men de eigen arbeidsomstandigheden weinig florissant vindt.  Bij de eerder aangegeven 9 tevredenheidsfactoren scoort tevredenheid met het inkomen met 68% het minst hoog gevolgd door tevredenheid met het werk (79%). Naar Eu maatstaven bestond in Finland weinig frictie tussen diverse maatschappelijke geledingen (armrijk spanningen Finnen 21%, EU15 Europeanen 31%; werkgeverwerknemerfricties 17 om 34%; manvrouw 8 om 12%, generaties 9 om 15%; etnische groepen 37 om 46%). Het volksdeel met weinig vertrou­wen in het staatspensioenstelsel (12%, EU15 55%) was het kleinst binnen de EU25 en het deel met weinig vertrouwen in het sociale zekerheidsstelsel (16%; EU15 42%) was het kleinste na dat van Luxemburg. Men gaf het eigen pensioenstel­sel en het eigen on­derwijsstelsel de hoogste beoordeling binnen de EU25 en qua geluksgevoel deelde men (de soms bijna spreekwoordelijke stugheid van de Fin ten spijt) een 3e plaats met Ierland (moraal: stugge mensen hoeven niet ongelukkig te zijn). Ook op vertrouwen in de medemens scoorde men het hoogste binnen de EU25. Het credo "zo de waard is vertrouwt hij zijn gasten" indachtig, verdient het in dit verband ver­melding dat de Finnen naar westerse maatstaven eveneens het minst corrupte volk ter wereld zijn (men voert de wereldranglijst van transparency international, de corruptieperceptie-index, aan).

 

Beoordeling levenskwaliteit in de oude en de nieuwe EU landen (EU10) en in Luxem­burg in 2003 op een schaal van 1 (minimaal) t/m 10 (uitmuntend)

 

EU15

EU10

Finland

Gezondheidszorg

6,4

5,0

7,3

Sociale dienstverlening

6,2

4,5

7,4

Staatspensioenstelsel

5,3

4,5

7,2

Onderwijsstelsel

6,3

5,8

8,1

Vertrouwen in de medemens

5,8

4,8

7,1

Tevredenheid met het leven

7,3

6,1

8.1

Geluksgevoel

7,6

6.9

8,1

 
Volgende >
Internet Solutions by IT Elements