Toerisme
 

Economische betekenis

Volgens het WTTC (World Travel and Tourist Council) leverde het toerisme en reisverkeer Denemarken in 2006 in engere zin 3% van het BBP (+3,5%, EU 3,9%;+4%) en van de werkgelegenheid op (+2%; EU 4,2%, +3%) en met de uitstraling over de rest van de economie respectieve­lijk 8% van het BBP (+3%, EU 10,9%, +5%) en van de banen (+1%, EU 11,8%, +3%). Verder kwam 2,5% van de overheidsuitgaven (+1%, EU 3,2%, +1%) en 8% van de kapitaalsinvesteringen (+2%, EU 8,6%, +2%) in de sector terecht. Individuen gaven 10,6% van hun budget uit aan toerisme en reisverkeer (+3%, EU 11%, +3%). De verwachte groeicijfers t/m 2016 liggen door de bank genomen onder het Eu25 gemiddelde.

 

Betaalde overnachtingen

Tussen 2000 en 2002 lag het aantal toeristische overnachtingen jaarlijks rond 42 miljoen en in 2003 werden er 43,5 miljoen geboekt. De grootste trekpleisters vormen Jutland (tweederde van de overnach­tingen) en Kopenhagen (8%). Meer dan de helft van de overnachtingen (24 miljoen) kwam op rekening van buitenlanders; het vaakst van Duitsers (62%), gevolgd door Noren (10%), Zweden (9%) en Nederlanders (5%). Ze vonden veelal plaats in vakantiehuisjes (15,6 miljoen), hotels (13,3 miljoen) en campings (12 miljoen; wellicht door de mooie zo­mer 9% meer dan in 2002). De Duitsers nemen het leeuwendeel (11,6 miljoen) van de overnachtingen in vakantiehuisjes voor hun rekening (ze hebben dikwijls een zomerhuisje langs de westkust van Jutland) en de Denen dat van hotel (56%) en campingovernach­tingen (70%). Zweden en Noren sliepen het vaakst in hotels (samen 20% van deze over­nachtingen) en Nederlanders op campings (4% van de overnachtingen, Duitsers 18%, Denen 70%). De meeste Duitsers komen voor de rust en de natuur. De natuur en de onspannen le­venswijze vormen voor Noren en Zweden het belangrijkste motief en Amerikanen en Ja­panners bezoeken het land vooral voor de geschiedenis en de cultuur. Net als elders in de EU vertoonde het bezoek van Amerikanen en Japanners een dalende ten­dens na 2001.

 

Binnenlands en uitgaand toerisme

De Denen zelf zijn een reislustig volk. In 2002 ging 61% van de bevolking boven de 15 minstens eens per jaar met vakantie. Van de 4,7 miljoen vakantiereizen die langer waren dan 3 dagen gingen er bijna 2 van de 3 naar het buitenland. Frankrijk en Spanje (samen 27%) waren favoriet, gevolgd door Zweden (8%), Griekenland, Noorwe­gen (beide 7%) en Duitsland (6%). Bijna de helft van deze reizen ging per vliegtuig en 1 op de 3 keer verkoos men de auto. Bij binnenlandse vakanties was na de auto de trein het populairste vervoersmiddel. Bij hun 3½ miljoen korte vakantie-uitstapjes bleven de Denen meestal (82% in 2002) binnenslands en ze logeerden dan in bijna de helft van de gevallen (bij langere vakanties een kwart) bij familie of vrienden. Van de 2,6 miljoen za­kenreizen (+4% ten opzichte van 2001) ging 46% (-7%) naar het buitenland, waarvan 75% (+11%) per vliegtuig en 12% (+33%) naar een bestemming buiten Europa. In 2006 groeide volgens het WTTC het zakelijk reisverkeer met 3,4% ten opzichte van 2005 (EU: 4,8% groei in 2006).

 

Trekpleisters

Tot de populairste toeristenattracties in Denemarken behoren Legoland in Billund (Jutland), Bonbonland in Naestved en Tivoli in Kopenhagen. Deze trekpleisters zijn ook bij Denen geliefd voor een dagje uit. Tivoli omvat tuinen, terrassen, restaurants, een openlucht theater en een pretpark. Daarnaast zijn sprookjesattracties, de Lindholm høje (een vi­kingbegraafplaats op een heuvel bij Aalborg) en kunstmusea met Deens design populair, de laatste 2 vooral ook bij buitenlanders als Amerikanen en Japanners.

 
< Vorige
Internet Solutions by IT Elements