Home arrow Nederland arrow Media arrow Algemeen
Algemeen

 

Gebruikte bronnen

De Nederland pagina van het EJC (centrum Europese journalistiek) op http://www.ejc.net/ biedt links naar mediabronnen en organisaties. Informatie over mediageschiedenis en achtergronden is te vinden op http://www.pressreference.com/ en op de site haansmits.schrijft.nl/ onder nieuwe pagina 3 (m.n persgeschiedenis). "Media power in Europe", een internetuitgave uit 2007 van de Europese federatie van Journalisten IFJ, geeft een overzicht van het media-eigendom in de EU landen rond 2005. Op de site http://www.tijdsbesteding.nl/ is recente en gedetailleerde informatie te vinden over het gebruik van de diverse media (incl. ICT media) en over de hoeveelheid tijd die Nederlanders van 11+ er in steken. M.b.t persvrij­heid kan verwezen worden naar verslaggevers zon­der grenzen (http://www.rsf.org/), de internationale persinstellingen Freedom House en IPI (http://www.freemedia.at/). Eurobarometer 225 wave 63.1 biedt gegevens over het informatieniveau en de mate van politieke emancipatie in de EU.

 

Op de site van Eurostat staat recente informatie over internetgebruik van huishoudens en huishoudelijke uitgaven in de EU landen. De Website van VEA biedt toegang tot de advertentie-uitgaven voor 2004 en 2005. Via Nielsen Media research (zoektermen Nielsen mediabestedingen) is echter gratis meer recente informatie verkrijgbaar als service en als lokkertje voor de meest recente uitgebreide rapporten met een prijskaartje. Voor allerlei spe­cifieke zaken, achtergronden en details werd Wikipedia gebruikt als internetbron. Bij Persmediamonitor zijn veel recente gegevens te vinden over de gedrukte media. Hetzelfde geldt uiteraard voor het Nederlandse oplagebureau HOI Instituut voor Media Auditing (de zoekterm hoi volstaat hier). Mediaonderzoek.nl biedt recente informatie over alle media. Veel data rond het TV kijkgedrag komen van de site http://www.kijkonderzoek.nl/. E communications household Survey uit april 2007 van Eurobarometer geeft info over vormen van TV ontvangst en communicatiediensten in de EU. Up-to-date gedetailleerde info over marke­ting en media is, behalve op of via deze website, ook (maar dan wel tegen betaling) ver­krijgbaar via EAO (European Audiovisual Observatory), WAN (world association of newspapers, FIPP (Internationale federatie periodiekenpers) en WARC (reclame research) op http://www.warc.com/.

 

Achtergronden en mediageschiedenis

Als strategische aan de Noordzeekust gelegen klein land wordt Nederland omringd door naties die lang toonaangevend waren in de wereld (Duitsland, Frankrijk en de Britse eilanden). Daardoor is het land altijd sterk onderhevig geweest aan internationale invloeden. Voordat de eerste kranten verschenen, werd in Nederland nieuws doorgegeven door stads en dorpsomroepers. De term omroeporganisaties, die bij de uitzendmedia opgeld doet, herinnert hier nog aan. De periode van 1568-1648 was erg belangrijk in de Nederlandse geschiedenis. Ze werd getekend werd door een religieuze opstand van de calvinistische regio ten noorden van de grote rivieren die door het gebied lopen tegen de heersende roomse Spaanse Habsburgers. De Habsburgers stonden geen afwijkende religies toe en calvinisten werden zwaar vervolgd. Om de oorlog te bekostigen werden vooral de kustprovincies Holland en Zeeland zeevarende handelsprovincies. Zodoende kreeg men grote koloniale gebieden in handen (m.n in het huidige Indonesië en her en der in Amerika). Tegelijkertijd won gebiedsuitbreiding binnen het eigen territoor via inpoldering aan invloed. Tijdens deze periode werden in de grote West-Nederlandse steden een aantal Franstalige kranten gedrukt voor buitenlanders uit diverse landen onder de gezamenlijke naam Gazettes de Hollande. Met het Frans kon men destijds uit de voeten bij de machtselite van alle Europese landen. In de kranten stond internationaal nieuws en ze moedigden nationalistische gevoelens aan. Wat verderop in de 17e eeuw verschenen ook de 1e Nederlandstalige kranten. In de 18e eeuw zorgden concurrentie tussen diverse stadskranten, eigen kranten van groepen buitenlandse religieuze vluchtelingen en weinig overheidsbemoeienis voor het ontstaan van een pers die in feite vrij was.

 

De grondwet die in 1798 via de Franse bezetting was ingevoerd en 50 jaar lang van kracht bleef beknotte de persvrijheid aanzienlijk omdat ze kritiek op de overheid definieerde als een aanval op de persvrijheid. Wel verscheen in 1830 het eerste Nederlandse dagblad. In de liberale grondwet van 1848 werden alle vormen van censuur verboden. Hierdoor en door de technologische vooruitgang groeide het aantal dagblad en periodiekentitels in de 2e helft van de 19e eeuw snel naar meer dan 150. Daarbij ontwikkelden de belangrijkste levensbeschouwelijke groepen (liberalen, protestanten, roomsen en socialisten) een eigen pers, een fenomeen dat in Nederland verzuiling wordt genoemd. De verzuiling bleef tot begin 60er jaren van de 20e eeuw toonaangevend in maatschappij en media. De levensbeschouwelijke groepen leefden in gescheiden werelden, bemoeiden zich weinig tot niet met elkaar en scheerden de andere groepen doorgaans over één kam (socialisten en communisten vonden calvinisten zuinig en schijnheilig, calvinisten vonden op hun beurt ongelovigen van de arbeidersklasse grof, goddeloos en voorbestemd voor de hel en roomsen slaafs en stiekem etc). De eerste radio-uitzending kwam in 1919 tot stand via particulier initiatief, maar in 1927 was ook de radio ingedeeld langs de lijnen van verzuiling via 5 onafhankelijke levensbeschouwelijke omroepen die verdeeld waren over de zenders Hilversum 1 en 2. Anders dan de 17e eeuwse Gazettes de Hollande waren de koloniale media in het voornamelijk Islamitische Nederlands Oost-Indië (nu Indonesië) sterk Nederlands gekleurd en erg achterdochtig t.o.v de identiteit van de Indonesiërs zelf, want die associeerde men met opstanden. Een amendement uit 1856 op de perswet om de publieke orde daar te handhaven werd gebruikt om kritiek op het beleid van de koloniale overheid te verbannen. Omdat de Nederlandse gemeenschap behoefte had aan een gevoel van eenheid ten opzichte van het inlandse gevaar nam de verzuiling een minder belangrijke plek in dan in Nederland. Tegen deze achtergrond sloegen de koloniale pers en radio onder het grootste deel van de inlandse bevolking niet echt aan.  

 

Tijdens 2e wereldoorlog werden de media door de Duitse bezetter gelijkgeschakeld zodat de verzuiling gedwongen werd teruggedraaid. De Duitse bezetter nam de radiozenders over en de vanuit Engeland opererende radio Oranje vertegenwoordigde de regering in ballingschap. Kranten die loyaal waren aan de bezetter bleven verschijnen, ook na de oorlog. Daarnaast werden er veel ondergrondse verzetskranten opgericht die eveneens bleven doorbestaan. Vrij kort na de oorlog werd Indonesië zelfstandig. In Nederland keerde direct na de oorlog de verzuiling gewoon terug. In 1951 werd door de 4 grootste omroepen de NTS (Nederlandse Televisie Stichting) opgericht die op 2 oktober 1951 begon met uitzenden. In 1965 kwam er een 2e TV zender van de publieke omroep en in 1987 een 3e. Vanaf 1960 bleef de opkomst en snel groeiende populariteit van uitzendpiraten die vanaf de Noordzee opereerden buiten de territoriale wateren niet zonder gevolgen. Via een wet uit 1964 (de anti-REM-wet naar een commerciële TV piraat) werden TV uitzendingen vanaf zee verboden, maar in 1965 werd  via de omroepwet het stelsel toegankelijk gemaakt voor nieuwkomers. Om radiopiraten de wind uit de zeilen te nemen opende de publieke radio in dat jaar de popmuziekzender Hilversum 3. De TV piraten van het REM eiland besloten ook op het publieke net te gaan. Daartoe begonnen ze met succes de 1e niet verzuilde omroep TROS. Hun op kijkcijfers gerichte programmering leidde al snel tot de term vertrossing; synoniem voor oppervlakkigheid.

 

De ontwikkelingen vielen echter niet tegen te houden. In 1967 werd mediareclame toegestaan. In 1969 werden categorieën van omroepen ingesteld waarvan de uitzendtijd afhing van het aantal leden. Niet commercieel opererende groeperingen kregen via de Nederlandse Omroep Stichting NOS de mogelijkheid om zendtijd te claimen. In 1974 moesten ook radio zeezenders hun activiteiten staken doordat Nederland het verdrag van Straatsburg ratificeerde. Zo kwam In 1975 Veronica op het publieke net. In 1987 legde de nieuwe mediawet criteria vast voor omroepen qua ledental en programma-inhoud. Via aanvullingen werd de NOS geprivatiseerd en geliberaliseerd en in 1989 werden naast publieke omroepen commerciële omroepen toegestaan (duale stelsel). Dit mondde uit in een enorme groei van de reclame en een marktoverwicht van de niet verzuilde commerciële digitale media. In 1999 werden op treinstations in de grote steden de eerste gratis dagbladen verspreid.

 

In de 90er jaren zegevierde het z.g,n poldermodel in Nederland. Politieke correctheid en het credo leven en laten leven gaven de toon aan met het risico dat onderhuidse spanningen zich ophopen. Subcultuurtjes leefden in een eigen wereld en bemoeiden zich niet met elkaar. Door de norm van gematigdheid werd het medialandschap saai en grijs. De moord op politicus Pim Fortuyn in 2002 (die de opgehoopte onderhuidse spanning had verwoord) en de tijdelijke opkomst van zijn partij LPF, veranderde het klimaat compleet. Eén en ander kwam m.n. tot uiting in een polarisatie in de media rond het thema vreemdelingenbeleid en Islam. De linkse media begonnen een campagne die onrecht in het uitzetbeleid van illegalen sterk aanzette en de rechtse media creëerden een sfeer waarin vooral immigranten uit Islamitische landen zich minder thuis gingen voelen in Nederland doordat ze het gevoel kregen dat ze allemaal over één kam geschoren werden met religieuze extremisten. Wellicht is het politieke potentieel van xenofobie in Nederland vergelijkbaar met dat in bijv Vlaams België.   

 

Mediagroepen

In de Nederlandse pers is duidelijk sprake van concentratie. De landelijke en regionale dagbladpers was in 2005 voor 83% in handen van 3 spelers; NV Holding maatschappij de Telegraaf (35% van de markt) en de uitgeverijen PCM (24%) en Wegener (24,7%). Om de zaak ingewikkelder te maken zijn deze 3 spelers met elkaar verweven en houden ze zich onledig met meerdere mediaterreinen. Wegener geeft veel regio en huis aan huisbladen uit maar de invloed ervan strekt zich ondermeer via Wegener Multimedia uit over alle marketing en mediabranches. De Telegraafgroep heeft een eigen tijdschriftentak en ze had in 2005 een 25% aandeel in de tijdschriftenpoot van Wegener. Ze was daarnaast actief in de digitale mediamarkt via een aandeel van 27% in SBS. Ook PCM gaf naast dagbladen en huis aan huis kranten enkele tijdschriften uit. De Noord-Nederlandse pers is na een reeks fusies vooraf sinds juni 2007 verenigd in de NDC mediagroep. De groep geeft behalve veel regiodagbladen, huis aan huisbladen en tijdschriften 8000 boektitels uit. Het Finse Sanoma werd de grootste speler in de markt van consumententijdschriften doordat ze van de Vereniging van Nederlandse Uitgevers VNU de tijdschriftendivisie en tijdschriftendistributeur Aldipress opkocht. In 2005 had Sanoma 52 titels in handen, waaronder de titels met de grootste oplagen.

 

De Nederlandse omroepenbond NOS (Nederlandse Omroep Stichting) werd de overkoepelende organisatie van de 8 publieke omroeporganisaties. Daarbij domineren de 5 verzuilde omroepen het landschap. De NOS beheerde landelijk 5 radiozenders en 3 TV zenders. De landelijke en regionale publieke radiozenders haalden in 2005 samen 46% van de luisterpubliek binnen en de dito TV zenders hadden een marktaandeel van bijna 37%. Op de commerciële digitale mediamarkt is de Duitse RTL groep van mediagigant Bertelsmann de grootste speler. Bij de radio moeten Talpa en Advent worden toegevoegd en bij de TV SBS Broadcasting BV (sinds 2007 van de Duitse ProSiebenSat1 Mediagroep). SBS en RTL Nederland SA hadden in 2005 samen 85% van de commerciële TV markt in handen. Nederland kent de hoogste kabel TV dichtheid van de EU. Deze markt was voor 85% bezet door UPC, Essent en Casema. De grootste satelliet TV provider is Canal+ van Vivendi Universal. 

 

Huidige mediaconsumptie

Naar EU maatstaven lezen Nederlanders nog steeds veel, maar vooral onder jongeren is sprake van een afnemende tendens. Tussen 1975 en 2005 daalde het volksdeel dat kranten of tijdschriften las van 95 naar 81%. De tijd die men in kranten, tijdschriften en boeken stak ging van 6 uur naar 3u48 p/w. In 2005 las 57% van de Nederlanders van 12 jaar en ouder kranten. Ze besteedden daar per week gemiddeld 1,5 uur aan; met de leeftijd toenemend van een luttele 12 minuten per week (nog geen 2 minuten per dag) bij 12 tot 20 jarigen naar bijna 3u45 p/w bij 65plussers. Met tijdschriften bracht men gemiddeld ruim 40 min. p/w door. Hier zijn de leeftijdsverschillen minder opvallend. Vrouwen lezen meer tijdschriften en minder kranten dan mannen en hoger opgeleiden zonder kinderen die niet werken of studeren lezen gemiddeld een stuk langer dan laag opgeleide werkenden met kinderen. Volgens Unesco werden in 2004 in Nederland 308 kranten gelezen per 1000 inwoners (boven EU gemiddelde). WAN meldde in haar World Presstrends overzicht van 4 juni 2007 voor 2006 voor kranten een oplagedaling van 2,1% en voor de periode 2002-2006 van 11,1%.

 

Ook bij het radio luisteren bestaat een dalende tendens. Het volksdeel dat aangaf de radio  aan te hebben gehad daalde tussen 1975 en 2005 gestaag van 68 naar 28%. Tussen 1975 en 2005 daalde de gemiddelde tijd dat de radio aanstond dan ook van 15 naar 9,5 uur p/w. Tegelijkertijd steeg het deel van de tijd waarbij het ging om achtergrondmuziek bij andere activiteiten van 85 naar 95%. De tijd die men aandachtig luisterde nam af van 2,2 naar een half uur p/w. Niet werkende laag opgeleide oudere alleenstaanden luisterden nog het vaakst bewust. De tijd die men voor de TV of andere beelddragers doorbracht nam tot 1995 toe om tussen 1995 en 2000 te stabiliseren. Tussen 2000 en 2005 was sprake van een daling van 12,4 naar 10,8 uur p/w. Deze kwam vooral op het conto van de publieke zenders. Mannen kijken wat meer TV dan vrouwen en 65plussers kijken wel 2 keer zo lang dan 12 tot 20 jarigen. Verder kijken laag opgeleiden zonder baan, studie of kinderen een stuk langer dan hun tegenpolen; vooral naar de commerciële zenders. Volgens een Europees onderzoek hingen Nederlanders in 2005 gemiddeld 2u1min p/d voor de buis (Europeanen 2u27 p/d). In dat jaar had 83% van de Nederlandse huishoudens een internetaansluiting (hoogste EU, EU 48%). Thuis werd de computer gemiddeld 3,8 uur gebruikt (1,3 uur offline en 2,5 uur online), veruit het meest door tieners (8,5 uur p/w). Bij hen gaat het m.n. om chatten (3,8 u p/w), spelletjes (zo'n 3 uur p/w) en muziek downloaden. De andere leeftijdsgroepen gebruiken de computertijd vooral om al dan niet gericht te surfen. Mannen computeren wat meer dan vrouwen en het computergebruik thuis neemt af met de leeftijd (van 90% bij tieners tot 40% bij 65plussers). De verschillen in opleidingsniveau zijn qua gebruiksduur vrijwel weggevallen.

 

Mediaconsumptie volgens diverse meetwijzen

Veel hangt af van hoe men de tijd meet die in media wordt gestoken. De Nederlander van 13+ besteedde in 2006 volgens STIR gemiddeld 43% van zijn mediatijd aan de radio, 35% aan TV, 11% aan internet, 6% aan kranten en 4% aan tijdschriften. Daarbij is de tijd op werk of school meegerekend. IAB nam de tijd op de werkvloer ook mee. Men kreeg zodoende op de aan 15plussers voorgelegde vraag naar hoeveel tijd men gisteren besteedde aan de diverse media 36% TV kijktijd, 31% luistertijd, 20% surftijd, 8% krantleestijd en 5% tijdschrift leestijd als antwoord. SPOT, dat op basis van een dagboek werkt bij 20-65 jarigen, neemt de luistertijd op de werkvloer niet mee. E.e.a verandert de verhoudingen nogal (TV 59%, surfen 17%, radio luisteren 15%, krant lezen 6%, tijdschrift lezen 2%). Wellicht schoot door de tijd die men in het bijhouden van het dagboek moest steken het lezen van  tijdschriften er bij in.

 

Media en maatschappelijk bewustzijn

De Nederlanders zijn naar EU maatstaven een politiek bewust volk. Het volksdeel met interesse in politiek en actualiteit onder 15plussers was in 2005 het grootste binnen de EU (86% geïnteresseerd, EU25 67%). Het deel dat zich goed geïnformeerd achtte was het grootste na Denemarken (76%, EU 58%) en het deel dat dacht te weten hoe het de eigen stem moest laten horen aangaande politiek en publieke zaken was veruit het grootste (67%, EU 34%).

 

Wetgeving en mediavrijheid

Vrijheid van meningsuiting en persvrijheid zijn opgenomen in artikel 6, 7 en 13 van de Nederlandse grondwet. In artikel 6 wordt geloofs en godsdienstvrijheid gegarandeerd. In artikel 7 wordt de vrijheid van meningsuiting via de pers en andere media in 4 paragrafen omschreven. Paragraaf 1 stelt dat niemand vooraf toestemming nodig heeft om de eigen mening via de pers te ventileren, maar men kan wel achteraf aangeklaagd worden vanwege bedreiging van de staatsveiligheid (terrorismebestrijding etc) of vanwege belediging en laster (bijv belediging van koninklijk huis of van bevolkingsgroepen en godslastering). Het Europees verdrag van de rechten van de mens, dat boven de Nederlandse grondwet gaat, erkent echter in feite het recht om te beledigen. Paragraaf 2 verbiedt overheidscensuur op radio en tv, paragraaf 3 breidt dit uit naar andere media en biedt bescherming aan minderjarigen en paragraaf 4 maakt voor commerciële reclame uitzonderingen op de eerste 3 paragrafen, bijv bij reclame voor tabak, alcohol en medicijnen. In artikel 13 worden het briefgeheim en de uitzonderingen daarop omschreven. Het artikel doet bijv terzake in verband met het onderscheppen van (pers)berichten. De mediawet regelt de organisatie van en het toezicht op uitzendmedia en via de wet op de mededinging worden economisch machtsmisbruik en monopolievorming bestreden. De raad voor de journalistiek heeft een eigen beroepscode.

 

De geruchtmakende Mohammed cartoons van de Deense krant Jyllands Posten werden begin 2006 door de xenofobie aanwakkerende anti-islam politicus Geert Wilders op zijn website geplaatst om de krant te steunen in haar strijd voor meningsvrijheid. Wilders wordt vanwege schriftelijke doodsbedreigingen al een tijd lang beveiligd, hetgeen in zijn politieke kraam ontegenzeggelijk van pas komt. Ook één van de grote landelijke dagbladen (de linkse Volkskrant) plaatste er een aantal. De krant kreeg echter slechts een valse bommelding. De mediadrukte rond de cartoons mondde vanuit de Moslimhoek verder uit in enkele vreedzame demonstraties en enkele antisemitische cartoons vanuit het motto "wie tactloos omgaat met de vrijheid van meningsuiting moet zelf ook tegen een stootje kunnen". Wel kreeg de drukkerij PCM van de volkskrant, Trouw en NRC op 7 november 2006 te maken met de inslag van een "door een raket aangedreven granaat". De daders en het eventuele motief achter het projectiel zijn tot op de dag van vandaag evenwel in nevelen gehuld en de schade bleef beperkt tot 4 kapotte ruiten en een gat in de muur. In de winter van 2006 meldde de premier dat hij weinig heil zag in Europese plannen voor een mediagedragscode over omgang met religieuze gevoeligheden. Rond dezelfde tijd kregen alle Nederlandse huishoudens een A4tje van de overheid in de bus met voorlichting over wat de overheid tegen terrorisme doet en wat de burger er tegen kan doen. Ook kwamen er TV en radiospotjes over dit onderwerp. De doorslag tot het houden van de campagne gaf het feit dat bij een 2e enquête over de kwestie in augustus 2005 het aandeel voorstanders van deze informatie gestegen bleek te zijn van 34 naar 41% (de 1e enquête was eerder dat jaar). Eind januari 2006 werden 2 zenders uit het Midden-Oosten van de schotel gehaald vanwege extremistische en antisemitische standpunten. In april merkte de minister van justitie echter op dat zenders van schotels halen weinig zoden aan de dijk zet en dat dit soort zaken liever Europees aangepakt dient te worden.

 

Rond begin juni werd bekend dat bij journalisten Bart Mos en Joost de Haas van wakkere ochtendkrant de Telegraaf de telefoon was afgetapt door de geheime dienst AIVD omdat in hun artikel over topcrimineel Mink Kok (naar verluidt zelf een ex AIVD er) geheime informatie stond. In hoger beroep besliste de rechter dat de AIVD mag aftappen wanneer de nationale veiligheid in het geding is, maar dat andere manieren van informatie verwerven de voorkeur verdienen. Doordat de advocaten van hun bronpersoon (ook een ex AIVD agent) eiste dat ze toegaven dat deze de bron was werden de journalisten op 28 november vastgezet door justitie. Nadat de rechter deze eis liet vallen waren ze echter 2 dagen later weer vrij. Sommige politici vroeger daarna om wetgeving die de geheimhouding van bronnen afbakent. Met de gezamenlijke invloed op de media van overheidswetten, politiek en economie en van benadeling, fysieke bedreiging of geweld tegen journalisten scoort Nederland hoog op persvrijheid. In 2006 stond men op de persvrijheidindex van verslaggevers zonder grenzen samen met Finland, IJsland en Ierland nog op een gedeelde 1e plek op een wereldranglijst die door de vele gedeelde posities 168 plaatsen telde voor 222 landen. Het vastzetten van Mos en de Haas in november 2006 was bij deze rangschikking echter nog niet meegenomen. Daardoor zakte Nederland in 2007 naar een met Letland gedeelde 12e plek op de index.

 

Clubs, organisaties en instanties

Het ANP (Algemeen Nederlands Persbureau) is traditioneel het belangrijkste persbureau. In 2000 werd het ANP onafhankelijk en in 2003 verwierf investeringsmaatschappij NPM Capital NV de meerderheid van de aandelen. De rest bleef in handen van de krantenuitgevers. In 1999 kwam daar als onafhankelijk multimediaal persbureau Novum Nieuws bij dat nieuws levert aan kranten, websites, radiozenders en zakelijke afnemers. Diverse kranten zijn aangesloten bij de GPD (geassocieerde persdiensten, een samenwerkingsverband van 17 regiokranten en enkele landelijke kranten met samen de helft van de Nederlandse dagbladoplage). Via samenwerking met Novum denken ze nieuwsvoorziening door het ANP te kunnen omzeilen en zo goedkoper te kunnen werken. Het Amerikaanse AP (Associated Press) heeft als enige buitenlandse agentschap een kantoor in Nederland. De NVJ (Nederlandse Vereniging van Journalisten) is met 9000 leden de belangrijkste journalistenclub. Het is een combinatie van een vakbond en een beroepsorganisatie. Daarnaast bestaan de Parlementaire Persvereniging PVV en de buitenlandse Persvereniging in Nederland BPV. Het Nederlandse genootschap van hoofdredacteuren introduceerde in 1995 een journalistieke gedragscode en dient als discussieplatform. De grotere uitgevers van kranten, tijdschriften en boeken zijn verenigd in de Nederlandse Uitgeversbond en uitgevers van weekkranten, tweewekelijkse kranten en kabelnieuws in de Nederlandse Nieuwsbladpers NNP. Daarnaast is er de beroepsvereniging van film en TV makers NBF. Het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties kent beurzen toe voor culturele radio en TV programma's en het Fonds Bijzondere Journalistieke projecten steunt journalistieke onderzoeksprojecten. In de adverteerderbranche bestaat voor adverteerders de Bond van Adverteerders BVA en voor advertentiebureaus de Vereniging van Communicatieadviesbureaus VEA.

 

Het Commissariaat voor de Media ziet toe op de uitvoering en naleving van de mediawetten door publieke en commerciële TV en kabelleveranciers. Het geeft zendvergunningen en verdeelt de zendtijd. Onder de toelatingseisen voor zendmachtiging vallen minimaal 300.000 geregistreerde supporters en een minimaal voorgeschreven aandeel informatie, cultuur en educatie in het programma-aanbod. Zendgemachtigden op het publieke net moeten daarnaast een voorgeschreven aandeel Nederlandse producties halen. Verder bewaakt het commissariaat de financiële situatie van zendgemachtigden en kan het sancties uitdelen, bijv voor clandestien adverteren en illegale sponsoring. De in 1998 in het leven geroepen Nederlandse Mededingingsautoriteit Nma controleert en bestraft kartelvorming en economisch machtsmisbruik in alle samenlevingssectoren, incl. de media. Het Nederlandse persfonds ondersteunt als onafhankelijke autoriteit kranten, tijdschriften en websites met subsidies; alsmede onderzoeksprojecten en projecten die de toegang tot media voor minderheden willen bevorderen. De raad voor de journalistiek hanteert een eigen gedragscode. Wie smaad of belediging wil claimen moet naar de rechter. Deze kan via een kort geding rectificatie eisen op straffe van een dwangsom. Andere klachten worden door de raad behandeld. Vanwege de vrijheid van meningsuiting kan de raad geen rectificatie opleggen. Wel worden uitspraken van de raad gepubliceerd in het 2wekelijkse orgaan van de Nederlandse journalistenbond en op de website van de raad. In Nederland bestaat geen nationale persombudsman, maar een aantal landelijke en regionale kranten hebben een eigen ombudsman. De reclamecode commissie behandelt klachten over reclame. Reclame mag in Nederland niet misleidend, kwetsend, onfatsoenlijk of smakeloos zijn. De in 1997 ingestelde kijkwijzer geeft via icoontjes informatie over de geschiktheid van Tv programma's voor jeugdige kijkers.   

 

Consumentengedrag en reclame

Van de Nederlandse huishoudelijke uitgaven ging in 2006 naar EU27 maatstaven een groot deel op aan communicatie (4,5% in 2006, hoogste EU na Malta; EU27 2,8% in 2005), uiteenlopende goederen en diensten die niet in andere categorieën onder te brengen zijn (16,3%, hoogste EU; EU 10,7%), directe woonlasten (23 om 21,7%) en recreatie en cultuur (10,4 om 9,5%). Men gaf naar verhouding weinig uit aan educatie (0,5 om 1%), restaurants en hotels (5,3 om 8,9%), gezondheid (2,2 om 3,5%), vervoer (11,9 om 13,5%), eten en niet alcoholisch drinken (10,9 om 12,8%) en alcohol, tabak en narcotica (2,9 om 3,6%). Het aandeel uitgaven voor kleding en schoeisel (5,5 om 5,8%) en voor meubilair en woningonderhoud (6,6 om 6,3%) week weinig af van het EU27 gemiddelde. De uitgaven voor directe woonlasten, vervoer en diversen vertoonden een stijgende tendens. Bij het aandeel van gezondheidsuitgaven was ten opzichte van 2005 sprake van een ruime halvering (grootste daling binnen EU). 

 

De netto advertentie-uitgaven voor 2005 bedroegen €4,31 miljard. Daarvan ging het grootste deel (51%) naar de persmedia (dagbladen 20%, huis aan huisbladen 14%, vakbladen 10%, publiekstijdschriften 8%); gevolgd door de audiovisuele media (24%; TV 18%, radio 6%, bioscoop 0% met €7 miljoen), ruim 4% naar reclamefolders, bijna 4% (€151 miljoen) naar buitenreclame (abri's €75 miljoen, billboards €31 miljoen, vervoer €17 miljoen, anders €28 miljoen) en 17% naar andere reclamevormen (beurzen en tentoonstellingen 8%, adresboeken 7%, internet 2%). Voor 2006 lagen de netto-uitgaven op €4,5 miljard (+4%). Door de gunstige economie werd meer uitgegeven aan personeelsadvertenties (+42%; m.n veel vraag in de zakelijke dienstverlening, ICT, zorg en welzijn, openbaar bestuur en onderwijs). Daardoor gingen bij dagbladen de advertentie-uitgaven voor het eerst sinds 2000 omhoog (+1,7%). Ook bij vak en managementbladen (+5,1%), huis aan huis en nieuwsbladen (+4,4%) en adresboeken (+3,4%) was sprake van een stijging. De consumententijdschriften hadden daarentegen te maken met lichte daling (-0.5%). Bij de reclamefolders was de daling groter (-9,7%) en daarmee werd het marktaandeel (3,7%) gelijk aan dat van buitenreclame (+9,1%; abri's +12,9%; billboards +9,8%). De uitgaven voor internetreclame gingen met 41% omhoog, waardoor het marktaandeel steeg van  2,4 naar 3,8%. Ook in vak en publiekbeurzen werd flink wat meer reclamegeld gestoken (+7,7%). De advertentie-uitgaven bij de TV groeien steeds minder (+4%) en de radio had een vergelijkbaar groeipercentage (3,5%).

 

De top5 van grootste adverteerders bleef dezelfde als in 2005. Bovenaan stond Unilever Home en Personal care (€114 miljoen), gevolgd door Unilever Foods (€100 miljoen), KPN (€89 miljoen), Procter & Gamble (€77 miljoen) en L'Oreal (€ 59 miljoen). In de 1e helft van 2007 stegen de netto reclame-uitgaven met 2.7%. De groei bij huis aan huisbladen (+4,8% ten opzicht van 1e helft 2006) en dagbladen (+5%) viel daarbij op (nog steeds personeelsadvertenties). De vaktijdschriften verloren dit keer terrein (-0,8%) en de daling bij de consumententijdschriften zette gestaag door (-1,1%). Online adverteren buiten zoekmachines ging met ruim 10% omhoog (1e helft 2006: +43%). Bij de TV was sprake van een stijging van 2,5% en bij de radio van een lichte daling (-1%). Ook de bioscopen verloren terrein (-8,6%). Bij de buitenreclame (totaal +1,8%) ging de groei bij billboards gewoon door (+10,5%) en bij abri's bestond een stijging van 1,5%. De vervoersreclame ging echter 20% naar beneden. 

 

Uit een in 2006 uitgevoerd Brits onderzoek naar reclameontwijking kwam naar voren dat deze vorm van vermijdingsgedrag het hoogst scoort bij het lezen van gedrukte media (dagbladen 68%, tijdschriften 61%), gevolgd door het internet 52%, TV 44%, radio 16% en bioscoop 8%. Buitenreclame was in dit onderzoek niet meegenomen.Volgens de radioadviesraad bezocht 20% van de luisteraars wel eens een website naar aanleiding van radioreclame.

 
Volgende >
Internet Solutions by IT Elements