Home arrow Bulgarije arrow Bevolking arrow Economie, infrastructuur, arbeid en sociale zekerheid
Economie, infrastructuur, arbeid en sociale zekerheid
 

Bestaansmiddelen, buitenlandse handel en infrastructuur

In 2005 was van de economisch actieve bevolking tussen 15 en 65 jaar 57% (EU 67,5%) ac­tief in de dienstensector, 33% (EU 27,5%) in industrie, bouw of nutwezen en 9% (EU 5%) in landbouw, bosbouw of vis­serij. In 2006 stond binnen deze categorieën 8,5% (EU 8%) gere­gistreerd als werkloos (bron: Eurostat). Belangrijke industrieën (CIA worldfactbook): elek­tri­citeit, gas en water; voeding en genotsmiddelen, machines en uitrusting, basismetalen, che­micaliën, cokes, geraffineerde olie, nucleaire brandstof, textiel. Belangrijkste land­bouwpro­duc­ten: groenten, fruit, tabak, wijn, gerst, zonnebloemen, suikerbieten, levende have. Voor­naam­ste invoer 2005 volgens de EVD (totale waarde 2006 €15,6 miljard): ruwe olie en gas 15,8%; machines 9,6%; textiel 9,3%; chemicaliën, plastics en rubber 7,6%. In­voerpartners 2005 (CIA): Rusland 15,6%; Duitsland 13,6%; Italië 9%, Turkije 6%, Griekenland 5%, Frank­rijk 4,7%, Nederland 6%, Frankrijk 5,5%. Uitvoer 2005 (totale waarde in 2006 €11 miljard;): kleding en schoeisel 16,6%; overige metalen 10,2%; ijzer en staal 8,2%; chemicaliën, plas­tics en rubber 5,7%. Uitvoerpartners 2005: Italië 12%, Turkije 10,5%; Duitsland 10%, Grie­kenland 9,5%, België 6%, Frankrijk 4,5%. Infrastructuur  (CIA): 4294 km spoorweg in 2005 (2710 km geëlektrifi­ceerd); 44.033 km weg in 2004 (333 km snelweg, 440 km onverhard) en 470 km bevaarbare wa­terweg (vooral Donau). Mobiele telefoondichtheid 2004 (volgens Eu­rostat): 62% (EU25: 85%), Internetdichtheid huishoudens 2006: 17% (EU 51%); bedrijven met meer dan 10 personeelsleden in 2004: 62% (EU 89%).

 

Economische ontwikkelingen

Traditioneel is Bulgarije een boerenland, maar in de Sovjet periode is er veel industrie gekomen. Na 1989 moest na het ineenstorten van de economische structuur van het Oostblok  (de COMECON) alles weer van de grond af aan worden opgebouwd. Daarbij had de economie tot 1997 zwaar te leiden onder het isolement dat werd bewerkstelligd door de oorlog in voormalig Joegoslavië en de VN sancties tegen Servië en onder halfslachtige beleid van de eigen regering. Tegen die tijd was de levensstandaard met 40% gezakt en ze bereikte in 2004 pas weer het niveau van voor 1989. Rond 1998 was de informele economie (grotendeels ruilhandel) goed voor 18 tot 30% van het BBP. Vanaf 1998 is de economie rigoureus gesaneerd via ontmantelingen, privatiseringen en liberaliseringen (ondermeer in de landbouw en grondpolitiek). Men kreeg een flinke lening los van het IMF en buitenlandse investeringen begonnen aan te trekken omdat het investeerders makkelijker werd gemaakt. Tussen 1997 en 2006 namen ze gemiddeld met 11% p/j toe. Van 1992 t/m 2006 is vanuit het buitenland voor zo'n 18 miljard dollar in het land gestoken; met name in financiën, onroerend goed, energie, chemie, telecom, bouw, metaal en MKB. Tussen 1992 en 2004 kwam 16% van de investeringen uit Oostenrijk, 10% uit Griekenland, 9% uit Duitsland en 9% uit Nederland (vaak door niet Nederlandse bedrijven die in Nederland als holding staan ingeschreven). Ook werden de sociale zekerheid en het contractrecht hervormd en de strijd tegen misdaad en corruptie werd opgevoerd. Rond 2006 was 85% van de te privatiseren bedrijven verkocht en een verkoop van de koopvaardijvloot Navybulgar en van de luchtvaartmaatschappij Bulgaria Air stond op stapel. In verschillende bedrijven heeft de staat nog wel een minderheidsbelang.

 

In 2004 en in 2005 groeide het BBP met  5,5% (EU25: 1,9% in 2005) en voor 2006 verwacht men 6% groei (EU 2,9%). In dat jaar lag het BBP per hoofd (gelijkgetrokken voor koopkracht) rond 34% van het EU25 gemiddelde (laagste EU25+2). De inflatie bewoog in 2004 en 2005 rond 6%, maar in 2006 kwam ze door de stijgende olieprijzen, de gevolgen van overstromin­gen en accijnsverhogingen door het naderende EU lidmaatschap uit op 7,4% (hoogste EU25+2). Vanwege het komende lidmaatschap is de strijd tegen de corruptie bij de douane opgevoerd en werd moeite gedaan om meer belasting, BTW en accijns te innen. De koers van de eigen munteenheid, de Lev, is vastgezet op 1,956 Leva per €. In 2004 bedroeg het begrotingsoverschot 1,9% en in 2005 lag het op 3,1% (EU 2,3% tekort). De overheidsschuld daalde tussen 1997 en 2005 van 105% naar 30% van het BBP. In de 1e helft van 2005 be­droeg het tekort op de lopende rekening 5% van het BBP, maar in de 1e helft van 2006 was het opgelopen naar 7,6%. De groei in werkgelegenheid lag in 2004 en in 2005 op ruim 2%.

 

Economische sectoren

Tussen 2003 en 2006 daalde de bijdrage van de landbouwsector aan het BBP van 11,6 naar 8,9%. In 2005 was volgens Eurostat 9% van de beroepsbevolking in de sector werkzaam. Na de val van het communisme zijn kolchozen opgeheven en veel boeren kregen land terug. Daardoor is 50% van de bedrijven in handen van keuterboertjes die in totaal maar 3% van het landbouwarsenaal bewerken en 1% van de bedrijven (enkele duizenden geprivatiseerde kolchozen) bezitten 70% van de grond. De waarde van de landbouwexport (wijn, tabak, groenten en fruit; 12% totale exportwaarde) is traditioneel groter dan de importwaarde, maar door de toenemende binnenlandse vraag naar hogere kwaliteit wordt het verschil kleiner.

 

Bulgarije hoort bij de wereldtop10 qua productie van tomaten, pepers, paprika's, tabak, zonnebloempitten, lavendel en aardbijen. Ook heeft men de helft van de wereldopbrengst aan rozenolie in handen.

 

In 2005 was de industrie, bouw en nutsector goed voor 33% van de banen en in 2006 voor 30% van het BBP. Sinds 2003 zit er weer groei in de bouw. Er komen meer nieuwe woningen en er staan grote investeringen op stapel in renovatie en infrastructuur. De typisch Bulgaarse bouwstijl (veel beton en steen) houdt de import van woningbouwmateriaal deels beperkt. Qua energie exporteert de kerncentrale in Kolzoedoej, de grootste centrale en nationale trots van Bulgarije, energie naar Macedonië en Servië. Deze zal echter dicht moeten omdat ze niet voldoet aan de EU voorschriften. Rond 18% van de industriële productie komt op naam van de chemische industrie. Het land telt 3 grote olieraffinaderijen, waarbij Lukoil de grootste is op de Balkan. De meeste groei zit hier echter in de productie van verf en cosmetica. In 2005 leverde de voeding en genotsmiddelenindustrie 17% van de industriële productie. De productie van de sterk op export gerichte kleding en textielsector (voor 81% confectie) is tussen 2000 en 2005 gestegen met 125%. Met 180.000 werknemers is het officieel de 2e industriële werkgever. Vanwege het EU lidmaatschap en de toenemende concurrentie uit China zal de sector moeten specialiseren, moderniseren en investeren. De metaalsector is officieel de grootste werkgever in de industrie (op papier 320,000 banen, waarvan wellicht maar de helft actief is). De productie van aluminium en tin groeit ten opzichte van de verouderde ijzer en staalindustrie en is nu ongeveer even groot. De export van schroot gaat enorm omhoog. Bulgarije heeft geen eigen auto-industrie. De gemiddelde ouderdom van het wagenpark ligt er rond 17 jaar. Door betere mogelijkheden om te lenen steeg de verkoop van nieuwe auto's in 2004 echter met 35% en in 2005 met 50% (veel Peugeots en Renaults). Tussen 1994 en 2006 ging het aantal auto's per 1000 inwoners omhoog van 233 naar 406.

 

De Bulgaarse dienstensector is met een Europese inhaalrace bezig. De sector is geherstructureerd en geprivatiseerd. De financiële dienstverlening groeit sterk en er komen steeds meer grote winkelcentra. De bijdrage aan het BBP nam tussen 2003 en 2006 toe van 58,7% naar 61% en in 2005 dekte de sector 57% van de werkgelegenheid. De Bulbank is de grootste commerciële bank, maar buitenlandse banken (waaronder de ING) zijn in opkomst. Het kopen op krediet neemt in Bulgarije razendsnel toe en de centrale bank probeert sinds 2006 de kredietverlening enigszins in te perken. De hypotheekmarkt moet nog van de grond komen en de hoge hypotheekrente is niet aftrekbaar. De verzekeringsbranche is de snelst groeiende financiële sector. Nieuwe auto's moeten worden verzekerd en er komen meer particuliere verzekeringen voor ziektekosten en pensioenen.

 

Bulgarije en Nederland

Tussen 1992 en 2006 kwam qua geldwaarde ruim 10% van de buitenlandse investeringen in Bulgarije uit Nederland, maar dit bedrag is vertekend door in NL gevestigde holdings. In 2005 was Nederland van de 15 oude EU landen de 7e importpartner en de 9e exportpartner van Bulgarije. Men importeerde toen voor €300 miljoen vanuit Nederland (+4,1%); machines en transportmiddelen 15%, chemicaliën (veel geneesmiddelen) 6%, landbouwproducten (m.n. levende dieren en cacao) 5%. De grootste groei zat hier bij geneesmiddelen, kunststoffen, computers en chocoladeproducten. De waarde van de export naar Nederland lag in 2005 op €118 miljoen (+4,6%). Het betrof met name textiel en olieproducten en machines. Begin 2007 beschreef de EVD (vanuit samenwerking met de Nederlandse ambassade in Bulgarije) infrastructuur (wegonderhoud; nieuwe wegen, havens en spoorwegen en een nieuw vliegveld bij Plovdiv), duurzame energie en milieu en afvalverwerking, de ICT sector, de machine-industrie en de voedingsmiddelensector als kansrijke sectoren voor NL.

 

Arbeidsmarkt en beroepssectoren

In 2005 had van de bevolking van 15+ van 6,6 miljoen zielen 43% een baan, 5% was geregistreerd als werkloos en de rest (48%) was niet actief op de arbeidsmarkt (scholier of student, huisvrouw, gepensioneerd, afgekeurd, rentenier). In Bulgarije waren in dat jaar naar EU25 maatstaven niet zoveel zelfstandigen (11%; EU 16). Wel zijn er nogal wat zwartwerkers. Van de 3,3 miljoen Bulgaren tussen 15 en 65 die actief waren op de arbeidsmarkt had 56% (EU 64%) een voltijdbaan in loondienst; 60% van de mannen en 52% van de vrouwen (EU respectievelijk 71 en 56%), 1% (laagste EU, EU 11%) werkte in deeltijd en 6,5% (EU 14,5%) had een kortdurend contract (stagiaires, uitzendbureaus). Van de 55plussers werkte 35% nog (EU 42,5%, EU streefdoel 50%). De gemiddelde leeftijd waarop men stopt met werken lag in 2005 op 60,2 jaar (EU 60,9 jaar). Bij voltijdbanen werkte men gemiddeld 41,1 uur (EU 40,4 uur) en bij deeltijdbanen 20,2 uur p/w (EU 20 uur). De werkloosheid bewoog in 2006 rond 8,5%. In de EU daalde ze van 8,7 naar 7,7%, maar in Bulgarije is ze in het winterhalfjaar altijd hoger dan in het zomerhalfjaar. Wel is de geregistreerde werkloosheid na 2002 flink gezakt. In 2005 zat 60% van de werklozen (hoogste EU25+2; EU25 45%) meer dan een jaar zonder betaald werk. In Bulgarije is veel verborgen werkloosheid en veel werklozen werken zwart. Tussen maart 2006 en januari 2006 leek de jeugdwerkloosheid (15 tot 25 jarigen) te dalen (van 20 naar 18%, EU25 17%). De regiospreiding van de werkloosheid was in 2005 klein naar EU25 maatstaven (7 om 12%). In Bulgarije waren in 2005 naar EU maatstaven weinig hooggeschoolde (30 om 39%) en laaggeschoolde hoofdwerkers (22 om 25%) en veel eenvoudige laaggeschoold handwerkbaantjes (12 om 10%) en goed geschoolde vakmensen (36 om 27%). In de dienstensector lag het aandeel van de commerciële dienstverleningsberoepen boven het EU25 gemiddelde (59 om 55%), vooral bij de vrouwen (51 om 46%). 

 

Arbeidsmoraal, arbeid en inkomensverhoudingen

Uit Bulgaars onderzoek op de werkvloer naar de 4 cultuurdimensies van de internationaal vermaarde Nederlandse socioloog Geert Hofstede komen de Bulgaren uit de bus als een volk met een tamelijk hoge machtsafstand en een vrij grote onzekerheidvermijding. Naar de praktijk vertaald betekent dit dat Bulgaarse werknemers door de bank genomen een relatief sterk gevoel hebben voor gezagsverhoudingen; rangen, standen en afgebakende functies respecteren en duidelijke instructies op prijs stellen. In 2003 lag het volksdeel dat spannin­gen ervoer tussen leidinggevenden en werknemers slechts iets boven gemiddeld naar EU25 maatstaven (37 om 35%). In 2005 behoorden werklust (90%, NL 38%, EU47%) en zuinig­heid (70%, NL 36%, EU 54%) tot de waarden die de meerderheid van de Bulgaren hun kin­deren mee wilden geven in de opvoeding. Het land heeft veel goedopgeleide vakmensen voortgebracht. Velen daarvan werken in het buitenland. Inkomensongelijkheid vormt in Bul­garije een gevoelig punt. In 2003 er­voer 54% van de Bulgaren (hoogste EU25+2; EU25 35%) spanningen tussen arm en rijk. Het vakbondslidmaatschap daalde tussen 1993 en 2003 met 75% en in 2003 was 20% van de werknemers nog lid. Meestal zijn dat werknemers in over­heidsdienst en de belangrijkste rol van de vakbonden is tegenwoordig dat ze partij zijn in de CAO onderhandelingen van overheidssectoren. In 2004 werden korte estafettestakingen van 1 uur en een onderwijsstaking van een dag georganiseerd tegen de armoede en in 2006 is het stakingsrecht voor werknemers in de nuts, communicatie en zorgsector uitgebreid.

 

In 2005 lagen de officiële modale jaarinkomsten rond €2000 (publieke sector €2500; private sector €1800). Het beste werd verdiend in de financiële bemiddeling (rond €4600), het nutwezen (€3500) en de mijnbouw (rond €3200) en het slechtste in de horeca (€1300), landbouw (€1400) en overige dienstverlening €1500). In juni 2006 lag het gemiddelde maandsalaris in de publieke sector rond €216 en in de private sector rond €158. In juli volgde een loonstijging van 6% in de publieke sector. In de private sector wordt vaak een wit minimumloon betaald met een zwarte aanvulling. Het wettelijk minimummaandloon bedroeg €82 per 1/1-2006 (laagste EU25+2), hetgeen qua koopkracht naar EU maatstaven neerkwam op €191 (net iets meer dan Roemenië) en naar Nederlandse maatstaven op ruim €200 (6 keer zo weinig als het Nederlandse minimumloon). Per 1/1-2007 is het minimumloon verhoogd naar €92. Door de veel voorkomende praktijk van het zwart bijbetalen is onbekend welk deel van de werknemers ervan moest rondkomen. Tussen 1995 en 2005 is het prijsniveau omhooggegaan van 32 naar 43% van het EU gemiddelde (laagste EU25+2; NL 105% in 2005). De arbeidskosten per uur gingen tussen 1998 en 2005 van €1,11 naar €1,55 (veruit laagste EU; EU27 €19,91; NL €27,51 in 2005). Wie in Bulgarije als alleenstaande overging van een uitkering op een laag betaald baantje hield in 2005 van de extra verdiensten gemiddeld 23% over (Eu 25%, NL 17%). Tussen 2000 en 2004 werden de inkomensverschillen wat groter. De best betaalde 20% verdiende in dat laatste jaar 4 keer zoveel als de slechts betaalde 20% (EU 4,8 keer zoveel) en 15% van de bevolking (EU 16%) moest toen rond zien te komen van minder dan 60% van modaal. In 2003 was het aandeel huishoudens dat moeite had om de eindjes aan elkaar te knopen (58%) het grootste binnen de EU27 (EU25:15%).

 

Arbeidsomstandigheden

De achterstand op de meeste EU landen is terug te vinden in het onderzoek naar arbeidsomstandigheden van Eurofound in 2005. Qua werkplek en werkorganisatie werken wat meer Bulgaren dan gemiddeld in de EU25 buitenshuis (77%, Eu 73%) en er zijn er minder die van huis uit telewerk doen (2%, laagste EU, EU 8%). In relatief weinig banen waren computers (22% om 45%) of het internet (15% om 38%) toonaangevend (beide laagste EU27 na Roemenië). Ook hadden naar verhouding weinigen direct te maken met klanten, leerlingen ed. (40%, ook laagste na Roemenië; EU25 64%). Wel werd er relatief veel in een team gewerkt (62%, EU 55%). Het werktempo hing naar verhouding niet vaak af van klanten (52 om 69%), maar wel van collega's (55 om 42%) of een superieur (53 om 36%). Men kon bij relatief weinig banen zelf de kwaliteit van het eigen werk beoordelen (56 om 73%). Wel kon men bij wat meer banen dan gemiddeld met succes hulp vragen van een hogergeplaatste (59% om 56%) en bij wat minder banen hulp van buiten (27 om 32%). Men kon relatief vaak taken doorschuiven (52 om 44%), maar niet vaak naar believen een pauze nemen (24%, laagste Eu; EU 44%) of zelf de volgorde van taken (58 om 63%), de manier van werken (54 om 67%) of het werktempo bepalen (60 om 69%). Numerieke productiedoelen (29 om 42%) bepaalden bij weinig banen het werktempo. Bij erg veel banen had men genoeg tijd om klussen te klaren (88%, hoogste EU; EU 69%) en bij relatief weinig banen speelden precieze kwaliteitseisen (60 om 74%), deadlines (54 om 62%) of een hoog werktempo (27 om 60%) een hoofdrol. Ook hoefde men bij erg weinig banen taken waar men mee bezig was plotseling te onderbreken (17%, laagste EU; EU 33%) en bij wat minder banen dan gemiddeld (73 om 81%) moesten dikwijls onvoorziene problemen worden opgelost. Veel werkenden hadden vaak te maken met eentonige taken (58 om 43%) en weinigen vonden dat ze op hun werk nieuwe dingen leerden (56 om 69%), maar het deel dat meereisend werk wilde lag wat onder het EU gemiddelde (31 om 34%). De behoefte aan bijscholing (5,5%, EU 13%) en de groep die in het jaar voor de vraagstelling bijgeschoold was op kosten van de baas (7,6% om 27%) waren beide het kleinst binnen de EU. Het deel dat vond voldoende betrokken te worden bij veranderingen in de organisatie van het werk lag boven het EU gemiddelde (62 om 47%).

 

Van de 22 fysiek en psychisch moeilijke werkomstandigheden die in 2005 in het Eurofound onderzoek de revue passeerden kwamen 13 naar EU maatstaven minder vaak voor dan gemiddeld. Daarbij zaten alle 6 onderzochte manieren waarop mensen elkaar het leven op de werkvloer zuur kunnen maken, te weten dreigen met fysiek geweld (3 om 6% van de on­dervraagden), fysiek geweld van collega's (0,7 om 1,8%) of van anderen (1,7 om 4,3%), pesten en lastig vallen 2 om 5%, ongewenste intimiteiten 1 om 2% en leeftijdsdiscriminatie 1,6 om 2,7%. Onder de 7 fysiek moeilijke werkomstandigheden die relatief weinig voorkwa­men waren straling (3,3 om 4,6%), tabaksrook van anderen 14 om 20%, besmettelijk materi­aal 5 om 9%, tillen of verplaatsen van mensen (4 om 8%) en het dragen van beschermende kleding of uitrusting (27 om 34%) het vermelden waard. Met betrekking tot de 9 fysiek zware werkomstandigheden die vaker dan gemiddeld voorkomen in Bulgarije geldt hetzelfde voor herrie (33 om 30% van de ondervraagden), hitte 29 om 25%, kou (24 om 22%) en inademen van rook, poeier of stof (23 om 19%) of van kwalijke dampen (14 om 11%). 

 

Het aandeel Bulgaren dat de voorlichting op het werk over gezondheid en veiligheidsrisico's voldoende achtte lag boven het Eu gemiddelde (88 om 83%) en het contingent dat de bevinding deelt dat men via het eigen werk de gezondheid of veiligheid in de waagschaal stelt (44 om 28%) of dat vond dat het werk de gezondheid negatief beïnvloedt (48 om 35%) lag er flink boven. Toch schatte 80% van de Bulgaren in dat ze hun baan van nu wel tot het 60e zouden kunnen volhouden (EU 83%). Op 1 van de 16 door Eurofound onderzochte werkgerelateerde gezondheidsklachten (stress 18 om 22% van de ondervraagden) scoorde men onder het EU gemiddelde en op 14 ervan zat men daar soms flink boven. De 12 vermeldenswaardige bovenscores waren gezichtsklachten 12 om 8%, rugklachten 30 om 25%, hoofdpijn 22 om 16%, spierpijn 30 om 23%, ademhalingsproblemen 9 om 5%, hartklachten 4 om 2%, kwetsuren 13 om 10%, algehele vermoeidheid 40 om 23%, slaapproblemen 13 om 9%, allergieën 6 om 4%, angsten 17 om 8% en geïrriteerdheid 14 om 11%. Bij het Bulgaarse waardepatroon hoort dat men fysieke klachten uitdrukt in plaats van onderdrukt.

 

Qua werktijden is in Bulgarije de 5 daagse werkweek naar EU maatstaven vrijwel gemiddeld ingeburgerd (63 om 66%) en het doorsnee aantal werkuren was in 2005 het hoogste binnen de EU na Roemenië (44 om 39). Er waren relatief veel banen met regelmatig werkdagen van meer dan 10 uur (24 om 16%) en banen met ploegendiensten (21 om 17%). Banen met vaste begin en eindtijden (74 om 61%) of elke dag hetzelfde aantal werkuren (70 om 58%)  kwamen ook meer dan gemiddeld voor. Bulgaarse werknemers hebben sinds de EU toetreding volgends de EU wetgeving buiten zon en feestdagen recht op 20 verlofdagen per jaar. Het gedeelte Bulgaren dat tevreden tot erg tevreden was met hun werkomstandigheden (67 om 83%), carrièreperspectieven (25 om 32%) of arbeidsinkomsten (28 om 44%) lag onder het Eu gemiddelde. Het aandeel dat zich in het jaar voor de vraagstelling ziek had gemeld was niet zo groot naar EU maatstaven (20 om 23%), maar het doorsnee aantal ziektedagen lag wat boven het EU gemiddelde (22 om 20). Het deel van de werknemers dat bang was om binnen een half jaar hun baan te verliezen (23 om 13%) was groot naar EU maatstaven. In 2005 lag het aandeel werknemers dat de werkuren goed in te passen vond in het privé-leven onder het EU27 gemiddelde (74 om 79%) en het deel dat in hun vrije tijd vanuit het werk werd benaderd lag daar ook flink onder (11 om 23%). De groep die vond dat het werk hen genoeg tijd overliet voor de kinderen was relatief groot (36 om 29%).

 

Uitgavenpatroon voor sociale zekerheid

Volgens het IMF lagen de jaarlijkse overheidsuitgaven voor sociale zekerheid in Bulgarije tussen 2004 en 2006 op ruim 14% van het BBP (EU25 27% in 2004). In 2005 en 2006 gaf men aan pensioenen en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen bijna 9% van het BBP uit (EU 12,3% in 2004), aan werkloosheid en aan ziektekosten ieder rond 2,5% en aan andere sociale uitgave ongeveer 0,7% van het BBP. Het volksdeel dat in 2003 weinig ver­trouwen had in het staatspensioenstelsel (62%; EU25 54%) en het sociale zekerheidsstelsel (66%, EU25 45%) lag (flink) boven het EU25 gemiddelde.

 

Het sociale stelsel: algemeen

De eerste Bulgaarse wetten op de sociale zekerheid zijn een ziektewet uit 1918 en een pensioenwet uit 1924. De meeste huidige wetgeving dateert echter van 1998 t/m 2005. De meeste voorzieningen worden opgebracht door werkgevers, werknemers en zelfstandigen. De overheid vult tekorten aan en betaalt de gezinsuitkeringen. Men kende in 2006 een sociaal minimum van rond €32 p/m voor de allerarmsten (degenen die in het jaar vooraf minder verdienden dan €27,50 p/m per gezinslid). Dit dient als uitgangspunt bij de berekening van veel uitkeringen. Het wettelijk minimumloon lag in 2006 op €82 p/m. Iedereen is verplicht verzekerd voor pensioenen, arbeidsongeschiktheid en nabestaandenuitkeringen. Voor andere groepen en uitkeringen zijn de verzekeringen vaak verplicht voor werknemers en vrijwillig voor zelfstandigen. Wie in 2006 minder dan €90 p/m verdiende hoefde geen pensioen of ziektepremie te betalen en wie meer dan €700 verdiende moest zich particulier verzekeren. Gezinsuitkeringen gelden voor iedereen. In de praktijk zijn basisuitkeringen te laag om te voorzien in het basale levensonderhoud. Daartoe zijn moestuinen, verzamelproducten en vangsten (al dan niet van erf of huisdieren), doorverkopen, dienst en wederdienst, ruilhandel, zwarte bijverdiensten en giften etc noodzakelijk als aanvulling. 

 

Regelingen in verband met arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden

Er is thans een verplichte pensioenverzekering voor iedereen met een basispensioen en een opgebouwd pensioen. Men kende geen Vut, maar wel een uitgesteld pensioen. De pensioenleeftijd lag in 2006 op 63 jaar voor mannen en 58 jaar voor vrouwen. Voor vrouwen wordt ze geleidelijk opgetrokken naar 60 jaar in 2009. Voor het bepalen van de pensioenrechten wordt een puntensysteem gehanteerd, waarbij men een punt krijgt voor ieder leeftijdsjaar en één voor ieder premiejaar. Voor een volledige basispensioen (€43 pp p/m in 2006) moesten mannen 100 punten hebben verzameld en vrouwen 93. In andere gevallen kreeg men €34 p/m. De invaliditeituitkering lag tussen 50 en 140% van het sociale minimum (€16 tot €45 p/m). Wie na een arbeidsongeval na de ziektewetperiode werd afgekeurd kreeg een uitkering tussen 50 en 100% van het laatstverdiende loon met een minimum dat uiteenliep van €32 tot €48 p/m. Het opgebouwde pensioen bedroeg 1% van het belastbare inkomen voor elk premiejaar. Nabestaanden konden recht doen gelden op een begrafenisvergoeding van 2 minimummaandlonen (€120 in 2006) en de helft van het pensioen van de overledene bij 1 directe nabestaande tot een volledig pensioen bij 3 of meer directe nabestaanden. Men kende een constante zorgvergoeding van 75% van het sociaal minimum. 

 

Regelingen in verband met ziekte, kinderen en werkloosheid

De ziekte-uitkering ligt gedurende 3 maanden of anders voor de duur van opname in een gesloten inrichting op 80% van het laatstverdiende loon. Ook kende men een zorgvergoeding bij ziekte voor 10 dagen (voor patiënten ouder dan 18) tot 60 dagen (voor kleine kinderen). Wie 5 dagen of meer per maand werkt gedurende minimaal een half jaar is verzekerd tegen ziekte. Bij arbeidsongevallen wordt 90% van het laatstverdiende loon betaald door de werkgever tot herstel of afkeuring. Bulgarije kent 135 dagen betaald zwangerschapsverlof tegen 90% van het verzekerde inkomen. Bij een geboorte werd in 2006 los van het inkomen €100 ineens uitgekeerd voor het 1e t/m het 3e kind en €50 voor elk volgend kind. Ook is er een zorgvergoeding voor moeders van kinderen tot 2. In 2006 bedroeg die €50 p/m en ze gold voor wie minder dan €100 p/m verdiende. Men kende in 2006 een kinderbijslag van €9 p/m. De zorgvergoeding en kinderbijslag zijn hoger bij gehandicapte kinderen. Gegadigden voor een werkloosheidsuitkering moeten in het voorafgaande jaar minimaal 9 maanden premies hebben afgedragen. In 2006 bedroeg de hoogte 60% van het laatstverdiende loon met een maximum van €60 p/m. De duur van de uitkering varieerde afhankelijk van het aantal premiejaren van 4 maanden tot een jaar. Werklozen die buiten deze voorwaarden vielen konden aanspraak maken op het sociaal minimum van €32 p/m. Veel projecten en trajecten voor Bulgaarse werklozen vinden plaats via of in samenwerking met buitenlandse NGO's.

 
< Vorige   Volgende >
Internet Solutions by IT Elements