Home arrow Bulgarije arrow Bevolking arrow Bevolking, familie en emancipatiezaken en welzijnsaspecten
Bevolking, familie en emancipatiezaken en welzijnsaspecten
 

Demografische gegevens

In 2006 telde Bulgarije volgens het CIA worldfactbook 7,4 miljoen inwoners en volgens het Bulgaarse CBS 7,7 miljoen. Etnische samenstelling volkstelling  2001: Bulgaren (naza­ten van al het volk dat zich in de loop van de historie in het gebied vestigde) 84%, Turken 9,4%, Roma (tsigani of Romi) 4,7%, andere etnische groepen 0,9% (relatief veel Macedoniërs, Roemenen, Russen, Armeniërs, Tataren, joden), onbekend 1,1%. Op het formulier van de volkstelling kon men qua etniciteit kiezen tussen Bulgaars, Turks, Roma of overigen. Bij overigen mocht men zelf een identiteit invullen. Ruim 5000 Macedoniërs deden dit en kwamen er mee op de koffie (zie onder staatsvorm). In 2006 onderschreef 23% van de Bulgaren de stelling dat immigranten veel bijdragen aan de samenleving (EU25 gemiddelde: 40%). Ook het volksdeel dat de integratie van minderheden erg belangrijk vond was in 2005 vrij klein naar EU maatstaven (32%, EU 37%, NL 45%). De gemiddelde levensverwachting in 2006 was 72 jaar (mannen 69; vrouwen 76); 14% van de Bulgaren was toen jonger dan 15 en 17% ouder dan 65. Geboortecijfer 2005: 1,3 kind per vrouw (EU 1,5). In 2003 was het gedeelte vrouwen boven de 45 dat tevreden was met het aantal kinderen dat ze hadden met 67% het grootste binnen de EU van 27 landen (EU25: 56% tevreden). Opbouw huishoudens 2005 (volgens eurostat): alleenwonend 9% (EU25 12%), paar zonder kinderen 25% (EU 21%), gezin met kinderen 29% (zo'n 60% met 1 kind; EU 35%), éénoudergezin 3% (EU 4%), 3 of meer volwassenen zonder kinderen 17% (EU 14%), 3 of meer volwassenen met kinderen 20% (EU 11%). Geboortecijfer 2005: 9,2 per 1000 inwoners (EU27 10,4/1000); aandeel buitenechtelijk geboorten: 49% (EU 33%), huwelijken 2005: 4,3/1000 (EU27: 4,9/1000), scheidingen: 1,9/1000 (EU 2/1000). Sterftecijfer 14,3/1000 (hoogste EU).

 

Door het hoge sterftecijfer, het lage geboortecijfer en een groot vertrekoverschot neemt de bevolking snel af en vergrijst het nog aanwezige volksdeel (snelste bevolkingsafname in de EU27 en op 1 na snelste ter wereld; -0,9% in 2006). In 2006 had bijv van de 4,2 miljoen buitenlandse reizen door Bulgaren meer dan de helft een zakelijk doel (meestal werk). Van de 2,3 miljoen zakelijke reizen ging toen 77% naar een buurland en de rest (548.000 reizen) naar landen die verder weg liggen. Ieder jaar komen tienduizenden Bulgaren niet meer terug.

 

Demografische geschiedenis en ontwikkelingen

Vroeger kende de Bulgaarse samenleving 3 klassen, boeren, ambachtslieden (esnafi) en landeigenaren (chorbadzhii). De belangrijkste maatschappelijke instelling was de zadruga, een uitgebreide familie-eenheid die bestond uit zo'n 20 kerngezinnen van 4 generaties van mannen met hun aanhang en kinderen. Vrouwen die trouwden verruilden hun eigen zadruga voor die van hun man. Binnen een zadruga deelde men vrijwel alle bezittingen. Het zadruga-stelsel was sterk patriarchaal. Vrouwen waren onderworpen aan het gezag van hun man. Aan de top van het stelsel stond een familiehoofd, die "de oude' werd genoemd. Hij bemiddelde, sprak recht en had het laatste woord. Zijn vrouw had een vergelijkbaar gezag met betrekking tot vrouwenzaken in de gemeenschap. Binnen de zadruga speelden ook adoptiekinderen en peetouders een belangrijke rol. Kinderen werkten al mee vanaf hun 5e of 6e jaar en rond hun 12e beheersten meisjes de meeste huishoudelijke en jongens de meeste ambachtelijke vaardigheden. In de loop van de 19e eeuw  raakte dit stelsel geleidelijk aan onderhevig aan erosie, maar bij de volkstelling van 1934 bestond bij de huishoudens nog steeds een indelingcategorie van 31 of meer leden. Tot in de communistische tijd bleef op het platteland het zadrugastelsel met zijn gearrangeerde huwelijken toonaangevend en ook toen stonden familiewaarden vooral op het Bulgaarse platteland erg hoog aangeschreven.

 

Vanuit de communistische periode hebben voormalige Oostbloklanden een geheel eigen ontwikkeling op het vlak van emancipatie doorgemaakt. Het arbeiderscollectief werd door de communisten erg belangrijk gevonden en traditio­nele gezinswaarden en re­ligie wer­den als bourgeois bestempeld. Er waren veel arbeids­krachten nodig en de vrouw werd van staatswege vooral gezien als werkende moeder. In Bulgarije lag daarbij de nadruk op moederschap. Het aantal beroepen dat vrouwen konden uitoefenen werd beperkt, vrouwen kregen bepaalde voorrechten op de werkvloer en ze mochten al na 15 tot 20 jaar werken met pensioen. Vaak wilden vrouwen juist die beroepen uitoefenen waarop een beperking zat, omdat ze daarin beter konden verdienen,. Echt­scheiding en abortus werden in de 50er jaren wettelijk mogelijk ge­maakt; er werd betaald zwanger­schapsverlof ingevoerd en er kwamen opvangfaciliteiten voor kinderen. Naast hun werk moesten vrouwen echter wel de huishoudelijke taken en de opvoeding van de kinde­ren op zich nemen; want man­nen werden beschouwd als kostwinner en niet als wer­kende vader. Na de regimewisseling in 1989 verliep de overgang naar een markteconomie weinig succesvol. De meeste jonge Bulgaarse mannen hadden een goede vakopleiding en zeker na 1995 zochten steeds meer van hen met succes hun geluk elders. Veel overgeblevenen wilden de handen vrijhouden om hetzelfde te kunnen doen. Jonge vrouwen die etnisch Bulgaars waren gingen vaker doorleren om hun kansen te vergroten en stelden zodoende het krijgen van kinderen uit. Wel trouwden ze relatief vaak alsnog om een kind te krijgen. Stellen die lager opgeleid waren hadden alleen maar verkering of gingen samenwonen in plaats van trouwen. Bij de Roma kan dit wel binnen het traditionele cultuurpatroon. Bij het etnisch Turkse vrouwelijke volksdeel leidde samenwonen vanuit het traditionele waardepatroon vaak tot het uitstellen van het krijgen van kinderen.

 

Recente ontwikkelingen in cijfers

Tussen 1994 en 2002 zakte in Bulgarije het huwelijkscijfer van 4,5 naar 3,9/1000 om daarna weer te stijgen naar 4,3/1000 in 2005 (EU 4,9/1000). De gemiddelde leeftijd bij een 1e huwe­lijk ging tussen 1992 en 2003 omhoog van 24,9 naar 28,2 jaar (een forse stijging naar EU maatstaven) en de gemiddelde leeftijd bij een zwangerschap van 23,7 naar 25,5 jaar. Deze lag opvallend ver onder de huwelijksleeftijd en dit duidt op de verdubbeling van het aandeel buitenechtelijke geboorten tussen 1994 en 2005 (van 24,5 naar 49%). Het geboortecijfer be­reikte in 1997 een dieptepunt (7,7/1000) en in 2005 lag het op 9,2/1000 (EU 10,4/1000). De toename van buitenechtelijke geboorten vond vooral plaats binnen de laag opgeleide groep. Vaak wordt het kind wel door de vader erkend, maar is het paar onge­trouwd. Het echtscheidingscijfer ging tussen 1994 en 2005 echter ook geleidelijk omhoog; van 0,9/1000 (bij laagste 5 EU27) naar 1,9/1000 in 2005 (EU 2/1000). In verband daarmee is het aandeel eenoudergezinnen groot, zeker naar Zuid-Europese standaarden. Tussen 1980 en 2003 daalde het abortuscijfer van 73 naar 25 per 1000 vrouwen van de vruchtbare leeftijd, maar het is nog steeds hoog naar EU maatstaven. In 2004 lag het op 67% van het aantal geboorten. De 1e abor­tuswet dateert van 1956. Sinds 1990 mag abortus in de eerste 12 weken. Het volksdeel dat in 2005 de bescherming van het ongeboren leven (erg) belangrijk vond was klein naar EU maatstaven (67%, EU 86%, NL 79%). Moderne anticonceptiemid­delen worden niet vergoed en zijn naar Bulgaarse begrippen duur. Het gebruik was in 2003 met 25% van de relevante vrouwen het laagste binnen de Eu na dat van Polen.

 

Privé-leefomstandigheden van de jongere generatie

Het deel van de 18 tot 35 jarigen dat in Bulgarije in 2003 op zichzelf woonde was erg klein naar EU maatstaven (mannen 11%, EU25 22%; vrouwen 3%, laagste EU25 , EU 16%) en hetzelfde geldt voor het gedeelte dat als paar zonder kinderen een huishouding deelde (mannen 3%, laagste EU, EU 15%; vrouwen 13%, EU 21%). Onder de alleenstaande mannen van de leeftijdsgroep was het contingent dat bij de ouders inwoonde tamelijk groot (40 om 35%), maar bij de vrouwen was het relatief klein (15 om 26%). Onder beide geslachten waren verhoudingsgewijs velen die met een eigen gezin in een eigen woning leefden (mannen 23 om 14%, vrouwen 25 om 21%), met meerdere generaties van familie op één erf of onder één dak woonden (al dan niet getrouwd of met kinderen; mannen 4 om 2%; vrouwen 17%, hoogste EU, EU 3%) of op een andere manier voordeurdeler waren (mannen 18 om 11%, vrouwen 24%, hoogste EU met Roemenië, EU 8%). Onder de vrouwen van de leeftijdsgroep leefde 4% als alleenstaande ouder (EU25 gemiddelde).  

 

Waarden

Op het Bulgaarse platteland stonden rond 1990 traditionele waarden als werklust, bescheidenheid en een goed karakter hoog aangeschreven bij de partnerkeus, maar bij de hoger opgeleiden wonnen waarden als respect voor de persoonlijke levenssfeer, gedeelde interesses en een goede opleiding steeds meer terrein. Uit een rond 1999 gedaan waardenonderzoek bleek dat onder­ Russen, Roemenen en Bulgaren samen 75% van de ondervraagden (veel meer dan in Noord en West Europa) moederschap een belangrijke voorwaarde vond om een gelukkig mens te zijn. Het ge­deelte dat het huwelijk een achterhaalde instelling vond (23%) was veel kleiner dan in West-Europa, maar iets groter dan in centraal Europa. Met echtscheiding had men in grote meerderheid moeite (slechts 18% vond het acceptabel). Desondanks werd ongehuwd moederschap breed geaccepteerd onder deze 3 Oost-Europese volken (80%). Een meerderheid (58%, veel meer dan in Noordwest-Europa) kon leven met overspel. Desondanks vindt men huisje, boompje, beestje erg belangrijk. In 2003 vonden de Bulgaren een baan de belangrijkste voorwaarde voor een goed leven, direct gevolgd door een partner en kinderen. In Bulgarije speelt familie echter een opvallend geringe rol als financiële steunfactor. In 2003 verwachtte maar 33% van de Bulgaren (laagste EU na Letland; EU25: 69%) een zinvol appèl op de familie te kunnen doen bij acute financiële nood. Het gedeelte dat dacht in zo'n geval op vrienden te kunnen rekenen was relatief groot (34%, 2 na hoogste EU25, EU 19%), maar het deel dat nergens steun verwachtte was het grootste binnen de EU (33%, EU25 12%). In de navolgende tabel wordt het percentage Bulgaren dat in 2005 de opgesomde kwaliteiten belangrijk vond om hun kinderen mee te geven in de opvoeding vergeleken met dat in Nederland en met het EU gemiddelde.

 

Kwaliteit

Bulgarije

NL

EU

Respect en verdraagzaamheid

78

90

82

Verantwoordelijkheidsgevoel

88

88

80

Doorzettingsvermogen

82

61

61

Gehoorzaamheid

55

50

56

Zuinigheid

70

36

54

Onafhankelijkheid

53

66

53

Fantasie

49

31

52

Werklust

90

38

47

 

Emancipatie: vrouwen en kinderen

In 2006 kende Bulgarije een lang betaald zwangerschapsverlof (135 dagen) tegen een hoge vergoeding (90% laatstverdiende loon). De vergoeding voor betaald ouder­schapsverlof tot aan de 2e verjaardag van het kind was echter relatief klein en ook de kinderbijslag was erg laag. Men kende een relatief hoge geboortevergoeding t/m de 3e bevalling (±€100 t/m het 3e kind en daarna €50) en extra gezinsvergoedingen voor alleenstaande ouders, arme gezin­nen en ouders van gehandicapte kinderen. In 2005 hadden in Bulgarije relatief veel vrouwen tussen 15 en 65 een voltijdbaan (60% van de mannen en 52% van de vrouwen; EU respec­tievelijk 70 en 56%). Het volksdeel dat zich in 2003 na het werk te moe voelde om huishou­delijke taken te doen (37%, hoogste EU na Letland, EU 23%) of dat daardoor problemen had met het vervullen van gezinsverantwoordelijkheden (20 om 10%) is erg groot, vooral onder vrouwen. Wel komen in Bulgarije bij werkenden met kleine kinderen dit soort problemen minder vaak voor dan bij andere werkenden; een positie die het land maar met enkele EU landen deelt. De kinderopvang (crèches of familie) is vrij goed geregeld. De manvrouw taak­verdeling is in Bulgarije nog altijd relatief traditioneel seksegebonden. Het volksdeel dat in 2005 bijv het vervangen van luiers en het opvoeden van kinderen als een gedeelde verant­woordelijkheid zag van man en vrouw lag onder het EU gemiddelde (beide 63 om 80%).

 

Rond 2005 lag het gedeelte vrouwen onder hoger onderwijsstudenten (53 om 55%), het aandeel vrouwelijke parlementariërs (22 om 23%) en het gedeelte vrouwelijke ministers (20 om 23%) iets onder het EU25 gemiddelde. Het gedeelte Bulgaren dat meende dat mannen door de bank genomen geschikter zijn als politiek leider dan vrouwen was groot naar EU maatstaven (45 om 27%). In 2005 lag het aandeel werknemers met een vrouw als directe leidinggevende (26 om 25%) en het gedeelte vrouwen in hoge leidinggevende functies iets boven de EU normaal (33 om 32%). Het gedeelte vrouwelijke professionals (61%) was het op 3 na hoogste binnen de EU27. In 2005 week het volksdeel dat universitair onderwijs voor een jongen belangrijker vond dan voor een meisje nauwelijks af van het Eu ge­middelde (18 om 17%) en het deel dat bij weinig banen vond dat vrouwen evenveel recht hebben op werk dan mannen lag er iets boven (90 om 86%). Het manvrouw verschil in belo­ning voor gelijksoortig werk daalde tussen 2001 en 2004 van 23 naar 18% (EU 15% in 2004).

 

Binnen de huidige wetgeving hebben in Bulgarije mannen en vrouwen gelijke rech­ten, maar in de praktijk komt hier vaak weinig van terecht vanwege het gemis aan sanc­ties en voorzie­ningen. Vrouwenmishandeling en huiselijk geweld komen veel voor. Men schaamt zich hier echter voor en het onderwerp wordt het liefst gemeden. De ILO schatte voor 2000 dat 14% van de kinderen tussen 5 en 17 buitenshuis betaald werk verrichtte. Arme en vaak nog erg kleine straatkinderen ver­zinnen klusjes zoals dingen verkopen, schoenen poetsen, ramen lappen van auto's bij stoplichten, drugs afleveren, zakkenrollen ed. om aan geld te komen. Gedwongen kinderarbeid is bij wet verboden, maar ook dit komt voor. In 2002 waren 501 kinderprostituees bekend bij het ministerie van binnenlandse zaken, maar in werkelijkheid zijn het er veel meer. De politie schatte in 2000 het aandeel kinderprostituees op 10%. Vaak gaat het om straatkinderen die proberen te overleven, verslaafd zijn of tot prostitutie worden gedwongen. De overheid en hulporganisaties bestrijden dit soort zaken door voor Roma kin­deren bijkomende schoolkosten te vergoeden en meer onderwijsassistenten aan te stellen. Ook gepensioneerden hebben het overigens erg krap. Vooral op het platteland proberen oudere mensen vaak wat bij te verdienen door met toeristen op de foto te gaan.

 

Emancipatie: Roma of zigeuners

In 2001 herbergde het land blijkens de volkstelling 381.000 zigeuners. Rond de helft van hen leeft op het platteland en de rest woont in stedelijke achterbuurten. Volgens Bulgaarse sociale wetenschappees leven zo'n 350.000 Bulgaren die zichzelf niet als zigeuner zien in armoede. Desondanks is de leefsituatie van de Roma een stuk beroerder. De Roma beschikten rond 2004 over de helft van de woonruimte van arme Bulgaren (0,8 om 1,6 kamer en 15 om 34 m² per bewoner) 1 op de 3 Roma families leefde in een krot (om 4%), 81% van hen had geen doorspoeltoilet of douche (om 26%), 10% had geen stromend water (om 0,4%) en 2 keer zoveel Roma-gezinnen hadden betalingsachterstanden qua woonlasten. In het jaar voorafgaand aan de vraagstelling kon 75% van de Roma voor een lid van hun huishouding geen voorgeschreven medicijnen aanschaffen (om 32%). De achterstand in bezit van moderne communicatiemedia is enorm. Tussen de val van het communisme en 2005 zijn de zigeuners er op achteruit gegaan. Landelijk gaan vrijwel alle leerplichtige kinderen naar school, maar onder de Roma varieerde het aandeel schoolgaande kinderen rond 2004 van 80% bij 7 t/m 12 jarigen naar 59% bij 15 jarigen. Het analfabetisme verdubbelde naar 20%, de werkloosheid ligt tussen 60 en 80% en de kindersterfte in het 1e levensjaar bedraagt 2 keer het landelijk gemiddelde. Vervreemding van de maatschappij, afwijzing door leeftijdgenoten en familie en weeskinderen of buitenechtelijke kinderen zonder familiebanden in een basale overlevingssituatie komen er steeds meer. De Bulgaarse Roma worden zich echter ook bewuster van hun eigen identiteit en ze komen er vaker eerlijk voor uit dat ze Roma zijn. Ze delen zichzelf in 5 hoofdgroepen in. Deze bestaan weer uit ruim 95 subgroepen met allemaal hun eigen stokpaardjes. Dit maakt het optreden naar buiten als eenheid moeilijker. Dankzij beurzen en programma's van NGO's en bijdragen van sponsors als George Soros is een generatie opgestaan van goed opgeleide jonge Roma. De leden ervan ontpoppen zich meer en meer als een Roma bestuurselite. Ook wordt discriminatie van Roma veel vaker ter discussie gesteld binnen de andere groepen in de Bulgaarse samenleving.

 

Emancipatie: homoseksuelen

Homoseksualiteit werd in 1968 uit het strafrecht gehaald. De ac­ceptatie ervan was in 1999 in Rusland, Roemenië en Bulgarije naar de maatstaven van Europese landen buiten Oost-Eu­ropa echter buitengewoon gering (4%). Rond 1996 waren er nu en dan politie-invallen bij homoclubs. In 1998 kwam er meer publiciteit en discussie over homoseksualiteit, maar het al te openlijk ervoor uitkomen was nog wel strafbaar. De leeftijd waarop het (stiekem) mocht lag op 18 jaar (heteroseksuelen 14 jaar), maar ze is in 2002 gelijkgetrokken. In 2004 kwam er antidiscriminatiewetgeving waar ook homoseksualiteit onder viel en volgens de betreffende organisaties is de tolerantie voor het fenomeen gegroeid. Zelfdesekserelaties kunnen in Bulgarije echter nog geen wettige basis krijgen. Ook bungelde rond begin oktober 2006 het contingent voorstanders van het Europees legaliseren van zelfdeseksehuwelijken (15%, EU 44%) of kinderadoptie door dito paren (12 om 32%) qua grootte nog onderaan de EU lijst. 

 

Levenskwaliteit in voormalige Oostbloklanden en in Bulgarije

De voormalige Oostbloklanden onder de EU landen hebben na hun her­wonnen vrijheid een soort shocktherapie ondergaan. Men moest plotseling zelf initiatief en verantwoorde­lijkheid nemen en alles van de grond af aan opbouwen, vaak vanuit een achtergrond van passief verzet tegen het opgedrongen communistische regime. Het EU kan­didaat-lid­maat­schap vormde een stimulans voor de vrije markteconomie en een aan­zet tot een inhaalrace t.o.v. de EU15 landen. Bestaanszekerheid, leefom­standigheden, welvaartsniveau en welzijn liggen in een aantal opzichten echter nog ach­ter bij de oude EU. In 2003 was het aandeel Bulgaarse huishoudens dat ‘s winters moeite had om hun huis warm te houden, zich ex­traatjes te veroorloven voor een feestdag of versleten meubilair te vervangen en dat slechts 2e hands kleren kon kopen het grootste binnen de EU27. Hetzelfde gold voor het deel van de huishoudens dat de eindjes nauwelijks aan elkaar kon knopen (58%, EU10 39%, EU25 11%). Voor het minstens eens per maand trakteren van familie of vrienden maakte men echter vanwege de heersende norm van gastvrijheid wel ruimte; hoe arm men ook was.

 

In de nieuwe EU landen wordt hard en veel gewerkt onder relatief slechte omstandigheden (zie arbeidsomstandigheden onder economie). Daardoor voelen naar verhouding velen zich te moe om huishoudelijke of familieplichten te vervullen. Doordat de man­vrouw taakverdeling traditio­neel is draaien vrou­wen naast hun voltijdbaan meestal volledig op voor huishouden en kinderzorg. In de EU12 ligt het gebruik van mo­derne anticon­ceptie lager en het abortus­cijfers hoger dan in de EU15. Na 1990 werd in de EU12 minder getrouwd en gingen de gemiddelde huwe­lijksleeftijd en het aantal echtschei­dingen omhoog. Ook de woonomstandig­he­den zijn slechter dan in de EU15 (zie wonen). Verder wordt de woonomgeving s'nachts vaker onvei­lig gevonden (EU10 32%, m.n. veel bejaarde stadsbewoners, EU15 21%) Door armoede, woningnood en woonlasten blijven ongehuwde moeders en pas getrouwden vaak noodge­dwongen bij hun ou­ders inwo­nen, dikwijls om te sparen voor een eigen onderkomen. Ook vinden relatief velen hun ge­zondheid slecht (EU12; 16%, EU15 6%, Bulgarije 11%). Vooral onder gepensio­neerden, gehandicapten, zigeu­ners en eenouder­ge­zinnen is de nood hoog. De sociale stelsels zijn nog vol­strekt onvoldoende om te voor­zien in een be­staansminimum. De meerderheid van de be­volking heeft daar dan ook weinig vertrouwen in en men is creatief gewor­den in de ba­sale overle­vingskunst. Dit maakt het aandeel huis­houdens dat er een moes­tuin of (pluim)vee op na­houdt groot (steden 22%, platteland 65%, EU15: 5 en 18%); stro­pen, vissen en verza­melen populair en de informele econo­mie (ruilhandel, dienst en we­der­dienst, zwart klus­sen, smokkelen, omkopen) belangrijk. Door de situatie is naar wes­terse rijkelandenmaat­staven de maatschappij weinig transpa­rant en de cor­ruptie-index hoog (Bulgarije 2 na hoogste EU 27 in 2006 na Roemenië en Polen). In 2003 was slechts 49% van de Bulgaren (2 na laagste EU25) sterk (12%) of enigszins (27%) optimistisch over de toekomst (EU10 63%; 18 en 45%, EU15 64%; 19 en 45%). Begin 2005 was het volksdeel dat tevreden was met hun leven het kleinste binnen de EU (37%, EU25 82%).

 

Spanningen tussen arm en rijk (Bulgarije 54%, hoogste EU) en tussen leidinggeven­den en werknemers (EU10 47%; EU15 34%; Bulgarije 37%) worden in de nieuwe EU landen va­ker ervaren dan in de oude EU en etni­sche (34 om 46%, Bulgarije 13%) en manvrouw span­ningen minder vaak (8 om 12%, Bulgarije 9%). De belangrijkste etnische minderheden in de EU12 zijn voor­malige Sovjet­burgers en zi­geu­ners. In Bulgarije komen de Turken daarbij. In deze landen is het aan­deel werkende vrouwen hoog, maar het systeem is niet ingesteld op deeltijd­werk zodat dit veel min­der voorkomt dan in de EU15 (EU25 32% van de werkende vrou­wen in 2005, EU10: 19%, Bulgarije laagste met 2%).

 

Beoordeling levenskwaliteit in de EU in 2003: schaal 1 (minimaal) t/m 10 (perfect)

 

EU15

EU10

Bulgarije

Gezondheidszorg

6,4

5,0

3,5

Sociale dienstverlening

6,2

4,5

3,6

Staatspensioenstelsel

5,3

4,5

3,3

Onderwijsstelsel

7,0

6,4

6,4

Vertrouwen in de medemens

5,8

4,8

4,4

Tevredenheid met het leven

7,3

6,1

4,4

Geluksgevoel

7,6

6.9

5,9

 
Volgende >
Internet Solutions by IT Elements