Home arrow Denemarken arrow Bevolking arrow Economie, infrastructuur, arbeid en sociale zekerheid
Economie, infrastructuur, arbeid en sociale zekerheid
 

Bestaansmiddelen, internationale handel en infrastructuur van Denemarken

In 2004 werkte 4% van de beroepsbevolking in de landbouwsector, 19% in de industrie en bouw en 77% in de dienstensector. In 2005 stond binnen deze categorieën 5,7% ge­regi­streerd als werkloos. De arbeidsparticipatie onder 15 tot 65 jarigen was met 74% de hoogste van de EU15. Belangrijke takken van industrie zijn voedselverwer­king, elek­tro­nica, machines en uitrusting, textiel en kleding, chemische producten, houtverwer­king (o.m. meubels), scheepsbouw en windmolens. Belangrijkste land­bouwproduc­ten: gerst, tarwe, suikerbieten, aardappelen, varkensvlees, zuivel en vis. Voornaam­ste in­voerpro­ducten 2003 in %: machines en uitrusting 35, grondstoffen en halffabri­katen voor de in­dustrie 16, chemicaliën 11, voedsel en levende have 11. Be­langrijke in­voerpartners in 2004 in %: Duitsland 22 Zweden 13½, Nederland 7, VK 6, Frankrijk 4½, Noor­wegen 4½, Italië 4, China 4. Uitvoer 2003: machines en instru­menten 27, voedsel, dranken en le­vende have 18, div. fabrikaten 17, farmaceutische en chemische producten 14, grond­stoffen en halffabrikaten 10. Belangrijke uitvoer­partners 2004: Duitsland 18 Zweden 13, VK 9, VS 6, Nederland 5½, Noorwegen 5,4; Frankrijk 5 (Nederland 4e handelspart­ner). Infrastructuur: 72.075 km landweg (incl. 1027 km snelweg) in 2004, 2779 km spoor (2003) en 417 km waterweg (2001). Inter­netdicht­heid 83% (2004), mobiele te­lefoondicht­heid 85% (2003).

 

In 1998 werd de Grote Beltbrug (Storebaeltsbroen) geopend tussen Funen en Sjaelland. De verbinding bestaat uit 2 bruggen van 6,6 en 6,8 km met een eilandje ertussen. Om de 4,2 miljard Euro bouwkosten terug te verdienen hief men in 2005 een tol van €28 per oversteek per auto. In juli 2000 ging de vaste oeververbinding over de Sont open. Deze bestaat uit een dubbeldeksbrug (boven auto's, onder spoor) van 8 km lang, 4 km eiland en een 4 km lange tunnel. De brug kostte 3 miljard en de tol ligt hier rond €35.

 

Economie

Sinds 1960 heeft zich in Denemarken een enorme verandering voltrokken in de structuur van de economie. In dat jaar zat nog 20% van de banen in de landbouw, 40% in de industrie en 40% in de dienstverlening. Na een dip rond 2003 trok de economie weer aan. In 2005 groeide het BBP met 2,8% (EU15 2%) en het BBP per inwoner (rond €25.000) behoorde met dat van Luxemburg tot de hoogste binnen de EU. De inflatie lag in 2005 op 1,9%, er was een begrotingsoverschot van 3% (hoogste EU25) en de staatsschuld was 36% van het BBP (EU norm 60%). In april 2004 lag het consumentenvertrouwen in de economie 2% boven het EU gemiddelde en tussen 1995 en 2005 lag het daar 5% boven.

 

De Denen waren rond 2000 de grootste producenten ter wereld van bont (5000 fok­kerijen; 40% wereldproductie) plantenzaden (50%), kerstbomen, gehoorapparaten (30%) en windmolens (50%) en ze behoren tot de grootste biologische landbouwers ter wereld (veel biologische melk). In 2002 was het exportaandeel van landbouwpro­ducten (20%) het grootste van de EU na dat van Griekenland.

 

Economische sectoren

In 2005 lag nog slechts 3% van de banen in de primaire sector (landbouw, visserij, mijn­bouw), maar de economische betekenis daarvan was groter dan in 1960 omdat nog steeds landbouwproducten aan de basis liggen van veel industrie en dienstverlening. Denemarken heeft een grote vissersvloot (visproducten vormen 3.5% van de export) en het land produceert veel (varkens)vlees en zuivel. Mechanisatie bij het verwerken van agrarische producten stimuleerde in Denemarken de industriële ontwikkeling. De indu­strie en bouwsector was in 2005 verantwoordelijk voor 24% van de werkgelegenheid; 26% van het bruto nationaal product (BNP) en 50% van de export. De industriële produc­tie groeide met 4%. Belangrijke industrietakken zijn machines (bijv voor cement­industrie, bierbrou­werij en waterzuivering) en instrumenten (bijv gehoorapparaten, medi­sche meetinstru­menten, thermostaten, apparatuur voor enzymproductie; al met al 26%), chemisch en farmaceutische indu­strie (12%), verwerking van agrarische producten (4%), scheepsbouw, speelgoed, kle­ding, meubel en windmolenproductie. Voorbeelden van grote Deense multinationals zijn AP Møller (oorspronkelijk scheepsbouw en offshore: 60.000 werknemers), Carlsberg (88% exportbier, 23.000 werknemers) en Lego (con­structie speelgoed). De dienstensector was in 2005 met 73% van de banen en 71% van het BNP de belangrijkste economische factor. Hierin domineren vervoer en toerisme (50%) en financiële dienst­verlening (21%). Denemarken subsidieert ICT innovatie en ex­porteert veel software, films en muziek. Eén op de 3 werkende Denen is ambtenaar. Het land telt zo'n 300.000 bedrij­ven en instellingen. Slechts 3% daarvan (vaak in grote ste­den) heeft meer dan 50 werk­nemers, maar vervult wel ruim de helft van de 3 miljoen arbeids­plaatsen.

 

Arbeidsmarktsituatie

In Denemarken nam in 2005 ruim 76% van de bevolking tussen 15 en 65 deel aan het arbeidsproces; 80% van de mannen en 72% van de vrou­wen (in Nederland; respectievelijk 80 en 57%). Hiermee heeft het land de hoogste arbeidsparticipatiegraad en het hoogst aandeel werkende vrouwen binnen de EU25. Sinds 1981 is de arbeidsdeelname van vrouwen met ruim 12% gestegen en die van mannen met 1%. In 2005 werkte 9,3% van de Denen als zelfstandige. In dat jaar had 16% van de 15-65 jarigen (EU 11%) een deeltijdbaan (mannen 9%, vrouwen 23%; EU m 5%, v 18%; NL hoogste EU met 34%; m 17%, v 50%) en 9,8% van de werknemers had een tijdelijk contract (EU 14,5%). Uitzendbanen waren in 2001 zeldzamer (0.8 om 2.4%) en betaalde sta­ge­plaatsen gewoner dan in Nederland (3 om 0.3%). De arbeidsdeelname onder de 55 tot 65 jarigen (60%) was in 2005 de hoogste binnen de EU na Zweden (Eu 43%, EU streefnorm 50%). In 2003 lag de gemiddelde pensioenleeftijd op 62 jaar (EU 60 jaar). In 2005 bedroeg de werkloosheid 5,5% (EU 8%). De langdurige werkloosheid (langer dan een jaar: 1,1%) was de laagste binnen de EU na die in het VK. Ook de jeugdwerkloosheid was laag naar EU maatstaven (6 om 8%). Wel is het aandeel werknemers met meer dan een baantje veruit het grootste binnen de EU (15%, EU25: 6% in 2005).

 

Naar EU maatstaven werkten in 2001 velen in zorg en sociale sector. Ook in 2005 kende Denemarken een grote niet commerciële dienstensector (37% van de banen, hoogste EU na Zweden; EU 30%). Het gedeelte hoogopgeleide hoofdwerkers (44 om 38%) was eveneens groot en het deel met een simpel baantje was iets boven gemiddeld (11 om 10%). Laag opgeleide hoofdwerkers scoorden gemiddeld (25%) en het gedeelte hoogopgeleide vakmensen lag onder de EU normaal (20 om 27%). De duur van de werkweek lag in 2005 ook iets onder dat gemiddelde (voltijdbanen 39 om 40 uur, deeltijdbanen 19 om 20 uur).

 

Arbeidsmoraal en inkomensverhoudingen

De Deense arbeidsmoraal kan worden omschreven als ge­richt op zekerheid en op immateriële arbeidsomstandigheden. Veel Denen zitten niet erg aan een werkgever vastgebakken maar wel aan werk; het liefst van een bepaald soort. Uit een in 1997 gehouden enquête bleek dat maar weinig Denen alleen voor het geld werken (23%, NL 22%), maar dat velen onder hen (78 om 51%) zouden blijven werken als het voor het geld niet meer hoefde. Ook vonden toen minder Denen dan Nederlanders (51 om 69%) dat het privé-leven voor het werk gaat. Uit een opinieonderzoek van de Europese commissie uit 2001 kwam naar voren dat inkomen voor relatief weinig Denen een hoofdmotief was om van baan te veranderen of te zullen veranderen (respectievelijk 20 en 42%, beide laagste EU15, EU 35% en 60%). Beweegredenen als persoonlijke bevredigingen, betere aansluiting bij talenten en opleiding en betere arbeidsomstandigheden scoorden boven het EU gemiddelde. Denen hechten aan waar ze goed in zijn. Onder de baanveranderaars  was het deel dat (vrijwel) exact hetzelfde soort werk deed erg groot (35%, EU 17%). Desondanks staat men, net als in Zweden en Finland, open voor het aanleren van nieuwe vaardigheden. Verbetering van carrièreperspectieven (75%, EU 62%) en persoonlijke interesse/ ontwikkeling waren daarbij belangrijke motieven (66% om 51%). In 2000 was de deelname aan opleidingen en bedrijfstrainingen de hoogste binnen de EU (69 om 40%), maar in 2005 was dat niet meer zo (36%, EU25 27%, hoogste EU: Finland met 52%).

 

In 2005 was het bruto jaarinkomsten in de Deense industrie en dienstensector met €47.529 het hoogste binnen de EU (EU €34.142). Tegelijkertijd was het prijsniveau echter ook het hoogst (38% boven het EU gemiddelde; NL +5%). Denemarken kent geen minimumloon. Wel zijn de inkomensverschillen klein naar EU maatstaven. In 2005 verdiende de 20% hoogste inkomens gemiddeld 3,5 keer zoveel dan de 20% laagste inkomens (EU 4,9 keer zoveel) en 12% van de Denen moest toen rondkomen van minder dan 60% van modaal (EU 16%).

 

Arbeidsomstandigheden

In 2000 hadden Denemarken en Nederland binnen de EU het hoogste aandeel banen waarin flexibiliteit, zelfstandigheid en discussiemogelijkheden voorop stonden (bij mannen NL 86%, DK 84%, EU 65%; bij vrouwen DK 76%, NL 75%, EU 62%) en het laagste aandeel banen met een opgelegd werktempo en zonder auto­nomie (de rest van de banen). Dit beeld werd bevestigd door het onderzoek naar arbeidsomstandigheden van Eurofound in 2005. Relatief velen moesten naar EU maatstaven kunnen improviseren en omschakelen op hun werk omdat er plotseling wat tussen kwam (50%, EU 33%). Het gedeelte dat bij hun baan te maken kreeg met onvoorziene problemen (93 om 81%) was toen het op één na grootste binnen de EU. Wel kon men opvallend vaak zelf de kwaliteit van het werk beoordelen (89 om 72%) en eigen ideeën daarin toepassen (72 om 58%). Regelmatige formele beoordelingen kwamen niet bij zoveel banen voor (32 om 40%). Ook konden de Denen dikwijls zelf bepalen in welke volgorde ze taken uitvoerden (85%, EU 64%), hoe (81 om 67%) en in welk tempo (81 om 69%) ze die uitvoerden of wanneer ze een pauze namen (58 om 44%). Daarbij konden velen naar believen hulp krijgen van collega's (87 om 67%) of superieuren (77 om 56%) of van buiten (56 om 32%) of zelf werkpartners kiezen (56 om 24%). Ook taken roteren was dikwijls mogelijk (66 om 43%).

 

Weinigen zaten in een werksituatie waarbij het tempo afhangt van een baas (20 om 35%), automaten of machines (15 om 19%) of numerieke streefdoelen (32 om 42%). Eisen van klanten (73 om 68%) of collega's (49 om 42%) waren wel vaak bepalend voor het werktempo. Hetzelfde geldt voor strikte deadlines (69 om 62%) en velen moesten bij tijd en wijle flink opschieten bij hun werk (78 om 60%). Complexe taken (75 om 60%) en precieze kwaliteitseisen (79 om 74%) speelden in veel banen een rol en velen hadden een baan waarbij ze nieuwe dingen moesten leren (86 om 70%). Men had naar verhouding vaak (72 om 62%) rechtstreeks te maken met  een ontvangende partij (klanten, patiënten, leerlingen, wetsovertreders etc). Ook werd door velen gewerkt met behulp van computer (62 om 47%) of internet (54 om 36%). M.b.t. de werkplek valt op dat men vaak buitenshuis werkt (87 om 73%) en/of thuis telewerk doet (16 om 8%).

 

De 5 daagse werkweek is in Denemarken wijdverbreid (75% werknemers, EU 65% in 2005), maar de werktijden zijn flexibel. Minder flexibele werkroosters waren relatief zeldzaam (49 om 65%) en het deel van de werknemers dat iedere dag eenzelfde aantal uren maakte (34 om 58%), iedere week hetzelfde aantal dagen werkte (70 om 74%) of vaste begin en eindtijden kende (56 om 61%) was relatief klein. Desondanks kwamen ploegendiensten weinig voor (9 om 17%).  Men maakte gemiddeld 36 werkuren (EU 38 uur) en banen met regelmatig werkdagen van 10 of meer uur waren ook tamelijk zeldzaam (15 om 17%). Denen in loondienst kennen 6 weken betaalde vakantie per jaar.  

 

Op slechts 2 van de 16 moeilijke fysieke werkomstandigheden die in 2005 in het Eurofound onderzoek de revue passeerden (last van sigarettenrook van anderen 28 om 20%; veel staan en lopen 74 om 73%) scoorden de Denen boven het EU gemiddelde. Bij de onderscores sprongen het inademen van andere kwalijke dampen en stoffen dan sigarettenrook (9 om 15%), trillingen (17 om 24%), vermoeiende of pijnlijke houdingen (34 om 46%), slepen met zware voorwerpen (30 om 35%) en dragen van beschermende kleding of uitrusting (26 om 34%) er het duidelijkst uit. Wel hadden relatief veel werknemers klachten over fysiek geweld van collega's (3,1 om 1,9%), pesten (7 om 5%) en ongewenste intimiteiten (2,8 om 1,8%). Fysiek geweld van anderen dan collega's kwam echter weer relatief weinig voor (2 om 4%).

 

Het aandeel Denen dat het idee had dat hun werk hun gezondheid beïnvloedde lag vrij ver boven het EU25 gemiddelde (44 om 34%), maar omdat men op slechts 5 van de 16 onderzochte werkgerelateerde gezondheidsklachten boven dat gemiddelde uitkwam kan hier behalve aan een negatieve invloed ook aan een positieve invloed worden gedacht. Het feit dat erg veel Denen (93 om 82%) inschatten dat ze hun baan wel tot hun 60e konden volhouden pleit hier ook voor. Werkgerelateerde gezondheidsklachten die in het land naar verhouding veel voorkwamen waren spierpijn (30 om 23%), stress (27 om 22%) en prikkelbaarheid (14 om 11%). De duidelijkst onderscores zaten bij problemen met het zien (2 om 7%), hartklachten (0,8 om 2,1%), kwetsuren (6 om 10%), algehele vermoeidheid (17 om 23%) en angsten (2 om 8%).

 

Werk en privé

In 2005 lag de tevredenheid over de werkomstandigheden (93 om 83%), de carrièreperspectieven (39 om 31%) en de verdiensten (54 om 43%) boven het EU25 gemiddelde. Ook liep de combinatie werkprivé relatief soepel. De werktijden stonden naar verhouding bij weinig banen op gespannen voet met het gezinsleven (12 om 21%) of met koken en huishoudelijk werk (43 om 54%) en het aandeel werknemers dat minstens een uur per dag tijd had voor de kinderen lag boven de EU25 normaal (37 om 28%). Wel had men in de vrije tijd vaak contact over het werk (34 om 23%), maar dergelijk contact wordt in Denemarken niet altijd als vervelend ervaren. De combinatie van dit alles met een hoog ziekteverzuim (33% werknemers in 2004/2005, EU 23%) is typisch voor rijke EU landen. Het gemiddelde aantal ziektedagen (20) lag daarbij precies op de EU25 normaal.  

 

Ontslagrecht, uitkeringen en scholing in Denemarken

In 2001 was het aandeel Denen dat in een periode van 5 jaar van baan was veranderd veruit het hoogste binnen de EU15 (53 om 30%) en het deel dat binnen 5 jaar verwachtte van baan te zullen veranderen (39%, EU 22%) was het hoogste na dat in het VK. Men kent vrijwel geen ontslagbe­scherming. In 2004 werden werknemers soms zelfs via een smsje in kennis gesteld van hun ontslag. Door de uitgebreide sociale zekerheid, de hoge werkloosheidsuitkeringen en de ge­subsidieerde omscholingsplicht na een jaar werkloosheid vinden velen baanverlies niet zo'n ramp. Ook wie zelf ontslag neemt heeft recht op uitkering, maar wie na een jaar niet actief meewerkt aan een reïntegratietraject moet via het arbeidsbureau in een baantje stappen waar bijna niemand voor te krijgen is. Kansarmen (langdurig werklozen, ouderen en laagopgeleide allochtonen) ervaren de z.g.n. activeringscursussen van overheidswege vaak als zinloos en uitzichtloos. Werklozen die via cursussen tijdelijk ingezet worden in gezondheidszorg en kin­deropvang of bij cultuurinstellingen of plantsoenendienst bouwen geen rechten op. De combi­natie van een flexibele arbeidsmarkt en grote sociale zekerheid wordt wel flexicurity genoemd. Mogens Lykketoft is de man achter het beroemde Deense model van soepel ontslagrecht, goede sociale voorzieningen en praktijkgerichte bij en omscholing.

 

Uitgavenpatroon voor sociale zekerheid

De overheidsuitgaven voor sociale zekerheid lagen in 2004 op 30,7% van het BBP (EU 27,3%). Gelijkgetrokken voor koopkrachtverschillen was dit per inwoner 27% boven het EU15 gemiddelde (hoogste EU na Luxemburg). Aan pensioenen en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gaf men 11% van het BBP uit (EU25 12,3%). Van de sociale uitgaven ging 20,6% (Eu 28%) naar ziektekosten; 14% (EU 8%) naar arbeidsongeschikten, 37% (EU 41%) naar oudedagsvoorzieningen, 0% (laagste EU, EU 5%) naar nabestaanden; 13% (EU 8%) naar gezinnen; 9,5% (laagste EU, EU 7%) naar werklozen; 2,4% (EU 2%) naar huisvesting en 3,5% (hoogste EU na NL; EU 1,5%) naar bestrijding van sociale uitsluiting. Het volksdeel dat in 2003 weinig tot geen ver­trouwen had in het staatspensioenstelsel (39%; EU25 54%) en het sociale zekerheidsstelsel lag flink onder het EU-gemiddelde (19%; EU25 45%).

 

Sociale stelsel: algemeen

De belastingen zijn in Denemarken naar EU maatstaven hoog. Dit komt voor een belangrijk deel door het sociale stelsel. Met uit­zondering van werkloosheidsuitkeringen en een klein del van de pensioenen worden sociale verzekeringen grotendeels uit belastinggeld betaald. Dit alles draagt bij aan de flexibiliteit van de Deense arbeidsmarkt. Naar EU maatstaven werd relatief weinig besteed aan pensioenen en ziekte-uitkeringen en verhoudingsgewijs veel aan gezin, arbeidsonge­schiktheid en werkloosheidsuitkeringen en aan woonsubsidies. Sinds 1994 is de werk­loosheid sterk gedaald en is er meer geld gestoken in om en bij­scholingsprojecten en ge­subsidieerde tijdelijke banen. Voor alle uitkeringsgerechtigden zijn medische voorzie­nin­gen in principe gratis. Wel kent men een stelsel van eigen bij­dragen. Voor veel staatsuitkeringen bestaan bovengrenzen qua inkomen.

 

Voorzieningen bij ouderdom, arbeidsongeschiktheid en overlijden

Denemarken kent een flexibele pensioenregeling. Men kan in principe stoppen met werken tussen het 60e en het 70e levensjaar. Op het 62e wordt het echter aanmerke­lijk voordeliger om met de VUT te gaan. Vanaf 67 jaar heeft iedereen die minstens 3 jaar in Denemarken heeft ge­woond recht op het Deense equivalent van AOW (zo'n €650 p/m in 2006 voor een alleenstaande en rond €900 voor een paar). Afhanke­lijk van de individuele pensioenopbouw kan daar nog zo'n €900 bijkomen. Wel kende men voor het basispensioen inkomensgrenzen waarboven men een gedeeltelijke uitkering of helemaal geen uitkering meer kreeg. In 2001 kre­gen ruim 700.000 Denen pensioen. Volledig arbeidsongeschikten hebben in principe recht op een soort vervroegd basispensioen van rond €1900 p/m voor een alleenstaande en zo'n €1700 pp bij paren met aanvul­lingen tot een bedrag van €675 p/m. Bij overlijden volgt voor lage inkomens een begrafenisvergoeding van rond €1000 en een afkoopsom van rond €1500, aangevuld met een afkoopsom tot zo'n €5000 voor de door de overledenen opgebouwde eigen pensioenbijdrage. Bij volledige arbeidsonge­schiktheid veroorzaakt door het werk krijgt men 80% van het laatstverdiende loon door­betaald tot aan de pensi­oengerechtigde leeftijd met een maximum van ongeveer €50.000 per jaar (bij ge­deeltelijke arbeidsongeschikt minder). Bij minder dan 50% arbeidson­geschiktheid, na het 60e jaar intredende arbeidsongeschiktheid en overlijden wordt vaak een afkoopsom in­eens betaald. In 2001 kregen ruim 260.000 Denen een hele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering.

 

Voorzieningen bij ziekte, zwangerschap, kinderen en werkloosheid

In geval van ziekte zijn de eerste 2 weken op rekening van de werkgever waarna de overheid het overneemt. De ziekte en ouderschapsuitkering lag in 2006 rond €400 per week voor maximaal een jaar. Voorwaarde voor een werkloosheidsuitkering is dat men minstens een jaar lid is van de vakbond die de fondsen beheert voor het beroep dat men uitoefent. Dit maakt het vakbondslidmaatschap erg hoog. In principe bedraagt de werkloosheidsuitkering 90% van het laatstverdiende loon met een maximum van ruim €400 p/w, hetgeen er toe leidt dat in de praktijk gemiddeld 65% van het laatstverdiende loon wordt uitbetaald. De maximale uitkerings­duur is in principe 4 jaar, maar na een jaar krijgt men de keus tussen omscholen of te­werkstelling. De bijstand lag in 2003 rond €1000 bruto p/m (80% laagste inkomen, men kent geen wettelijk minimum­loon) met aanvullingen voor bijstandsmoeders en enige kostwinners. Schoolverlaters on­der de 25 zijn na een half jaar verplicht om zich om of bij te laten scholen op straffe van 50% korting. In 2001 kregen 150.000 mensen een werkloosheids­uitkering en ruim 80.000 kregen bijstand. De kinderbijslag lag in 2003 rond €1800 p/j voor kinderen onder de 7 en €1300 voor kinderen tot 18 (tot 21 indien studerend). Er zijn aanvullingen voor alleenstaande ouders, enige kostwinners en ouders van tweelingen.

 

De Deense wetgever is soms meer ruimdenkend dan haar Nederlandse equiva­lent. Zo is kin­derarbeid verboden, maar kinderen tussen 7 en 14 mogen wel in hun vrije tijd reclamefol­ders verspreiden of kersen plukken om aan geld voor de nieuwste modetrends te komen.

 
< Vorige   Volgende >
Internet Solutions by IT Elements