Home arrow Denemarken arrow Bevolking arrow Bevolking, familie en emancipatiezaken en welzijnsaspecten
Bevolking, familie en emancipatiezaken en welzijnsaspecten
 

Demografisch gegevens

In 2004 had Denemarken 5.4 miljoen inwoners (Færoer 45.000; Groenland ruim 56.000). Voor bijna 92% bestond de bevolking uit) en etnische Denen (een mengsel van de volkeren die zich in de loop van de historie land hebben gevestigd: zie geschiedenis) en voor het overige uit (1e en 2e generatie): EU burgers, Noren en IJslanders 2%; Turken 1%; overige Europeanen 2% (voormalig Joegoslaven 22.000, Polen 13.000), Aziaten 3% (Irakezen 26.000, Libanezen 21.000, Pakistani 19.000, Iraniërs 14.000), Afrikanen 1% (17.000 Somaliërs). Rond begin oktober 2006 onderschreef 45% van de Denen de stelling dat immigranten veel bijdragen aan hun land (EU 40%). Gemiddelde levensverwach-ting: 77 jaar (mannen 74; vrouwen 80); 19% van de bevolking is jonger dan 15 en 15% ouder dan 65. Een Deense vrouw krijgt tijdens haar leven gemiddeld 1,8 kind (Eu 1,5 kind). Opbouw huishoudens: alleenstaand 38% (EU 29%); éénoudergezin 4%; paren met kinderen 18% (EU 22%); paren zonder kinderen 28% (EU 26%); overige huishoudens 12%. Geboortecijfer 2004: 9,6 per 1000 inwoners (EU25 10,5/1000), aandeel buitenechtelijke geboorten 2005: 46% (EU 33%); huwelijkscijfer 2005: 6,7/1000 (hoogste EU, EU 4,9/1000), echtscheidingscijfer 2,8/1000 (EU 2/1000).

 

Huidige demografische situatie

In Denemarken is de individualisering ver voortgeschreden. Sinds 1960 wordt er minder getrouwd en meer samengewoond en is het percentage echtscheidingen, abortussen en alleenstaanden toegenomen. In 2003 woonde de meerderheid van de bevolking (55%) formeel alleen of met zijn tweeën en het aandeel ongehuwd samenwonenden is het hoogste binnen de EU (23% van de paren, NL 15%). Kinderen gaan meestal jong op zichzelf wonen. Van de 18 tot 35 jarigen woonde in 2003 slechts 17% van de mannen (laagste EU25 na Finland, EU15 33%, NL 35%) en 9% van de vrouwen (laagste EU25, EU15 25%, NL 22%) zonder partner en kinderen bij hun ouders in. Tussen 1970 en 2003 daalde het aandeel gehuwde vrouwen onder de 30 van 88 naar 47% en rond 2000 woonde 70% van de paren onder de 30 (NL 60%) samen. Velen die samenwonen gaan alsnog trouwen wanneer ze een kind krijgen. Denemarken heeft al jaren het hoogste huwelijkscijfer van de EU (rond 7 per 1000 inwoners (EU 5 per 1000). In 2005 bedroeg het aantal echtscheidingen 42% van het aantal huwelijken (EU 40%). Echtscheidingen kwamen het vaakst voor na 10 tot 14 jaar huwelijk Het aandeel buitenechtelijk geboren kinderen ligt ook al meer dan 10 jaar flink boven het Eu gemiddelde Van de huishoudens bestaat rond 4% uit een samenwonend paar met kinderen. Een kwart dan de Deense kinderen woont niet bij hun biologische ouders. De gemiddelde leeftijd waarop een vrouw haar 1e kind krijgt lag rond de 30 jaar en de gemiddelde leeftijd bij een 1e huwelijk steeg tussen 1992 en 2003 van 30,5 naar 32,3 jaar bij mannen en van 28 naar 30 jaar bij vrouwen. Het abortuscijfer lag in 2002 op 12 per 1000 geboorten (NL 9 per 1000). In 1997 kon ruim 10% van de bevolking (NL 8%) aangemerkt worden als huwelijksaversief; hetgeen betekent dat men het grootste deel van het leven formeel geen relatie had.

 

Het aandeel Denen dat meende bij acute geldnood een beroep op de ouders te kunnen doen (62%) was in 2003 na dat van Finland het laagste binnen de EU15 en het deel dat een beroep op vrienden dacht te kunnen doen (29%) was het hoogste na dat van Finland .

 

Emancipatie

Qua emancipatiewetgeving is Denemarken naar EU maatstaven een vooruitstrevend land. In 1917 voerde men als 2e Europese land na Finland het algemeen vrouwenkiesrecht in (tegelijk met het algemeen mannenkiesrecht) en reeds in 1989 (in Nederland in 2001) opende Denemarken als eerste EU land de mogelijkheid tot het afsluiten van een samenlevingscontract. In datzelfde jaar vond in Denemarken het eerste homohuwelijk ter wereld plaats en in 1994 hadden al meer dan 100.000 huishoudens (homo's en hetero's) een samenlevingscontract afgesloten. Voor de wet zijn gehuwden en samenwonenden gelijk; maar KI en adoptie zijn (in tegenstelling tot in Nederland) bij paren van gelijke kunne niet toegestaan met als belangrijkste argument ongerustheid over de leefomgeving waar kinderen dan opgroeien. Qua mening stelden de Denen zich in opinieonderzoeken m.b.t. emancipatiezaken in 1997 globaal genomen het meest modern op van alle EU Europeanen. Zo onderschreef slechts 27% (NL 33%) de stelling dat we beter af zouden zijn wanneer we weer op de traditionele manier gingen leven en maar 13% (NL 19%) vond toen dat de vrouw achter het aanrecht thuis hoort. Deense mannen staken meer tijd in huishoudelijke en gezinstaken dan Nederlandse mannen (57 om 41% van de tijd die de vrouw er in steekt).

 

Denemarken kent al jaren het hoogste aandeel werkende vrouwen binnen de Eu (72%, EU 56% in 2005). In 2005 verdienden vrouwen voor vergelijkbar werk echter 18% minder dan mannen (EU 15%). In 2005 lag het aandeel Denen met een vrouw als directe superieur boven het EU25 gemiddelde (29 om 25%). Het gedeelte vrouwen onder de hoge leidinggevenden lag daar evenwel ver onder (23 om 32%). Het aandeel vrouwen onder de hoger onderwijsstudenten was in 2004 iets groter dan gemiddeld in de EU (58 om 55%), maar het contingent vrouwelijke professoren was wederom klein naar EU maatstaven (11 om 15%). Het gedeelte vrouwelijke parlementariërs was echter het grootste binnen de Eu (40 om 23%). Rond begin oktober 2006 was het contingent Denen dat de stelling onderschreef dat het homohuwelijk of kinderadoptie voor zelfdesekseparen Europees moeten worden toegestaan het op 2 na grootste binnen de Eu (respectievelijk 69 om 44% en 44 om 32%).

 

Kinderen en bejaarden

Zorg voor het kind heeft in Denemarken een zeer hoge prioriteit. Het verschijn­sel huisvrouw is in Denemarken reeds lang uit de tijd en de algemeen aanvaarde norm is dat één van beide ouders in het 1e jaar voor hun kind moeten kunnen zorgen en daarna moeten kun­nen werken. In 2002 is het betaalde ouderschapsverlof verlengd van 32 naar 52 we­ken en vanaf de 14e week kan het verlof door beide ouders worden ingevuld. In 2004 werkte 72% van de vrouwen (hoogste EU25), waarvan eenderde parttime (Nederland driekwart) en dit maakt kinderopvang belangrijk. Deze is in handen van de gemeenten. Veel ge­meenten hanteren een opvanggarantie voor kinderen tussen 1 en 6 jaar. Van de kinde­ren van 0-2 wordt 55% opgevangen in deels door de overheid gefinancierde crèches. De ei­gen bijdrage van ouders bedraagt maximaal 33% van de kosten maar is meestal lager. Van de kinderen van 3 tot 5 heeft 94% publieke opvang.

 

Een probleem in Denemarken vormde rond 2004 de toenemende stress onder kinderen. Aan hen worden al vroeg hoge eisen gesteld. Tegelijk worden ze weinig aangehaald en zien ze hun ouders weinig omdat die vaak allebei een volledige baan hebben. Door recente bezuinigingen vallen vooral kinderen tussen 11 en 14 qua opvang vaak tussen wal en schip. Omdat ze alleen s'morgens naar school hoeven brengen ze vaak de hele middag alleen thuis door. Een zorgelijk fenomeen waar veel Denen liever niet over praten maar dat wellicht wel met de situatie samen­hangt is groeiend excessief drank en softdruggebruik op steeds jongere leeftijd.

 

Het ouderen en gehandicaptenbeleid in Denemarken is er op gericht om zelfredzaam­heid zo lang mogelijk te waarborgen. Tussen 1982 en 2000 daalde het percentage 75 plus­sers dat in een bejaardentehuis woonde van 16 naar 6% en in 2000 woonde 11% van deze leeftijdsgroep zelfstandig in een woonsituatie met aangepaste voorzieningen. Woongroepen van 50 plussers en bejaarden is in Denemarken een groeiend fenomeen en 173.000 huishoudens (meestal van bejaarden) kregen gratis thuishulp.

 

Welzijnsaspecten

In 2003 beoordeelde 4% van de Denen (EU25 7%) de eigen gezondheid als slecht. Het deel van hen dat op een 9tal gebieden redelijk tot erg tevreden was met hun leven lag op 91% (hoogste Eu25; EU 77%) en de Denen waren door de bank genomen het meest gelukkig en tevreden binnen de EU25. Ook het volksdeel dat meer optimistisch dan pes­simistisch gestemd was over de toekomst was met 93% het grootste binnen de EU25 (64%). In 2002 vonden de Denen nuttig zijn voor anderen de belangrijkste voorwaarde voor een goed leven, gevolgd door omgang met vrienden en vrije tijd. Ook het aandeel dat spanningen ervoer tussen diverse maatschappelijke geledingen was, met uitzonde­ring van etnische spanningen, veruit het laagste binnen de EU25 (armrijk spanningen 4% van de Denen, EU 35%; werkgeverwerknemer 6 om 36%, beide seksen 7 om 11%, gene­raties 3 om 15%; etnische groepen 39 om 45%). Het volksdeel met weinig vertrouwen in het sociale zekerheidsstelsel (19%) was na dat van België en Luxemburg het kleinst binnen de EU25. Men gaf het eigen onderwijsstelsel het hoogste cijfer binnen de Eu en het vertrouwen in de medemens kreeg na Finland de hoogste beoordeling. Het credo "zo de waard is vertrouwt hij zijn gasten" indachtig, verdient het in dit verband ver­melding dat de Denen tegelijkertijd en eveneens na de Finnen naar westerse maat­staven het minst corrupte volk ter wereld zijn (men bezette na Finland de 2e plaats op de wereldranglijst van transparency international, de corruptieperceptie-index, aan).

 

Beoordeling levenskwaliteit in de oude en de nieuwe EU landen (EU10) en in Dene­marken in 2003 op een schaal van 1 (minimaal) t/m 10 (uitmuntend)

 

EU15

EU10

Denemarken

Gezondheidszorg

6,4

5,0

7,0

Sociale dienstverlening

6,2

4,5

6,8

Staatspensioenstelsel

5,3

4,5

6,5

Onderwijsstelsel

6,3

5,8

7,9

Vertrouwen in de medemens

5,8

4,8

6.9

Tevredenheid met het leven

7,3

6,1

8,4

Geluksgevoel

7,6

6.9

8,3

 
Volgende >
Internet Solutions by IT Elements