|
Bestaansmiddelen, buitenlandse handel en infrastructuur
M.b.t. de economische en beroepssituatie is in Italië de tegenstelling tussen het rijke, meer industriële noorden en het arme agrarische zuiden belangrijk. In 2007 werkte landelijk volgens Eurostat (LFS 2007) van de Italianen van 15plus 65,8% in de dienstensector (EU 66,7%); 30,2% in de industrie (EU 27.7%) en 4% in de landbouw (EU 5,6%). Tussen december 2007 en september 2008 steeg het aandeel geregistreerde werklozen van 6,4 naar 6,7% (EU27 rond 6,9%). Belangrijke takken van industrie: toerisme, machines, ijzer en staal, chemische industrie, voedselverwerking, textiel, motorvoertuigen, kleding, schoeisel, keramiek. Belangrijkste landbouwproducten: fruit, groente, druiven, aardappelen, suikerbieten, sojabonen, granen, olijven, rundvlees, zuivel, vis. In 2007 voerde Italië iets meer goederen in dan uit en het tekort op de handelsbalans lag rond €9,5 miljard; 11 miljard lager dan in 2006. Invoer van goederen 2007 (totale waarde volgens Eurostat: €368 miljard; +4% t.o.v 2006): machines/ transportmiddelen 28,5% (+4% in waarde), brandstof 16,5% (-1,5%), chemische producten 12,7% (+5%), voeding en genotsmiddelen 7,4% (+4%), grondstoffen 5% (-0%). Invoerpartners 2007: EU27 landen 57% (EU 64%), overige landen 43% (bron Eurostat). Duitsland 16,9%; Frankrijk 9%, China 5,9%, NL 5,5%; België 4,3%, Spanje 4,2% (bron CIA worldfactbook). Uitvoer goederen 2007 (waarde €358,6 miljard; +17%): machines en transportmiddelen 38% (+10,3% in waarde), chemicaliën 10% (+5%), voeding en genotsmiddelen 6% (+7%), grondstoffen 1,5% (-0%). Uitvoerpartners 2007: EU27 landen 60,1% (EU 68,1%), overige landen 39,9%. Duitstand 12,8%; Frankrijk 11,4%; Spanje 7,4%; VS 6,8%; VK 5,8%.
Infrastructuur
Infrastructuur 2007: 101 vliegvelden met verharde landingsbanen in 2007. In 2005 verwerkten de Italiaanse vliegvelden 112,2 miljoen passagiers (56% op internationale vluchten) en 816.000 ton vracht. Qua passagiers hadden het vliegveld Fiumicino bij Rome (bijna 25%) en Malpensa (ruim 17%) en Linate (8%) bij Milaan het grootste aandeel. Begin 2009 werd besloten dat de grootste luchtvaartmaatschappij Alitalia voor 25% in bezit zou komen van Air France-KLM. In 2006 beschikte Italië over 19.460 km spoorweg (11.700 km geëlektrificeerd). In 2005 verkocht de Italiaanse spoorwegmaatschappij FS 517 miljoen kaartjes (+2,5%) die goed waren voor 46,1 miljard km (+1,2%); gemiddeld 89 km per reis (-1,2%) en de spoorwegen vervoerden 68,7 miljoen ton vracht (-9%). Eind 2005 telde Italië 487.700 km verharde landweg (incl. 6.700 km snelweg). In 2005 werd 1,51 miljard ton vracht vervoerd over de weg (212 miljard kilometerton). In 2006 beschikte men over 2400 km bevaarbare binnenlandse waterweg. In 2005 werden 78,8 miljoen passagiers (ruim 7% internationaal) en 509 miljoen ton goederen (tweederde internationaal) vervoerd over zee. De drukste havens qua goederen waren Tarante in Apulië 9,4%, Triëst en Genua (beide 8,6%), Augusta op Sicilië (5,6%) en Venetië (5%) en qua passagiers Messina bij Sicilië (12,5%), Salerno zuidelijk van Napels (12%) en Napels (7,5%). Internationaal scoorden de Adriatische havens Ancona aan de noordoostkant van de laars en Venetië het hoogst qua passagiers. In 2008 bestond de handelsvloot (meer dan 1000 ton BRT) volgens het CIA worldfactbook uit 609 eigen schepen onder eigen vlag (20e wereldranglijst), 64 buitenlandse schepen onder Italiaanse vlag en 208 Italiaanse schepen onder buitenlandse vlag. Mobiele telefoondichtheid 2006: 134% (hoogste EU: EU27 106%). Internetdichtheid 2008 huishoudens 42% (Italië was in 2008 het enige Eu land waar de dichtheid iets zakte; EU27 60%), bedrijven met 10 of meer personeelsleden 94% (EU27 93%; bron Eurostat).
In 2006 ging van het goederenvervoer 75,1% over de weg (groei 2007: 3,4%); 37,9% over zee (+9,1% in 2007), 7,8% door de lucht (+4,9%) en 8,4% via het spoor (+1,7%). In 2007 togen qua personenvervoer iets minder Italiaanse werknemers met de auto naar hun werk dan in 2006 (74,4%: -2,4%). Dit kwam ten goede aan alle andere manieren om zich te verplaatsen (te voet 11,2%: +0,1%; per bus of tram 5,5%, +0,5%; scootertje 4,4%: +0,2%: taxi 3,2% +0,2%; fiets 3,2%: +0,3%; trein 2,9%: +0,3% en/of metro 2,5% +0,3%; er waren meerdere keuzes mogelijk: bron Italy in figures 2008). De tabel die nu komt geeft info over het gebruik van en de tevredenheid over de bus, de in Italië relatief populaire touringcar en de trein in 2007. Gebruik: volksdeel dat er in 2007 gebruik van maakte. Haltes: opstapmogelijkheden. Verschillen zijn absoluut; in 2006 werd de autobus bijv door 24% gebruikt en in 2007 door 24,4% (+0,4%)
|
Openbaar vervoer 2007
|
Gebruik %
|
+/- t.o.v 2006
|
Tevredenheid %
|
|
Vaak genoeg
|
Op tijd
|
Haltes
|
|
Bus
|
24,4
|
+0,4
|
56,5
|
53,5
|
50
|
|
Touringcar
|
16,6
|
-0,1
|
60,9
|
65,4
|
65,8
|
|
Trein
|
29,9
|
+0,3
|
61,5
|
44,2
|
62,6
|
De bus werd het vaakst genomen in noord Italië (26,6%) en de touringcar in Midden Italië het minst vaak (14,3%). De tevredenheid over autobus en touringcar nam van noord naar zuid op alle factoren af evenals het gebruik van de trein (van noord naar zuid van 34,9 naar 23%; bron compendio statistico Italiano 2007 van ISTAT).
Naoorlogse economie
Na de 2e wereldoorlog ontwikkelde Italië zich snel tot een modern industrieland en tussen 1950 en 1980 verdubbelde het BBP per hoofd van de bevolking. De staat had een flinke vinger in de pap bij een economie die voornamelijk dreef op de industrie in het noorden. Na 1980 kwam het land de gevolgen van de beide oliecrisissen maar moeilijk te boven, mede doordat men voor grondstoffen en energie sterk afhankelijk is van het buitenland. Tussen 1980 en 1988 lag de economische groei op 1,3% per jaar gemiddeld en werkloosheid en inflatie stegen. Vanaf 1989 nam door een beleid van reorganisatie en herstructurering van de industrie de groei weer toe, maar de werkloosheid verdween niet en de straatsschuld bleef hoog. In de 90er jaren werden veel staatsbedrijven en instellingen geprivatiseerd en het financiële beleid werd stabieler gemaakt. Het begrotingstekort en de inflatie daalden flink zodat men in 1999 voldeed aan de criteria voor lidmaatschap van de EMU. In die tijd werd de economie (vooral de textiel en de metaalindustrie) echter steeds gevoeliger voor concurrentie uit lagelonenlanden, m.n. China en landen in het voormalige Oostblok. Na 2001 stagneerde de groei opnieuw. Men probeerde dit tij te keren via invoerheffingen, belastingverlagingen, bezuinigingen op het pensioenstelsel en een versoepeling van de arbeidsmarkt. In 2003 liep de economie iets beter liep. In 2002 bestond 10% van de exportwaarde uit landbouwproducten en de rest uit industrieproducten. De economie van het zuiden bleef een zorgenkindje. Mechanisatie in de landbouw werkte er averechts, de industrialisatie liep niet op rolletjes en (Europees) subsidiegeld werd vaak achterovergedrukt (o.m via nepbedrijven en nepdeclaraties). Het gevolg was dat veel boerenzonen en beter opgeleiden naar het rijke noorden trokken.
Ontwikkelingen vanaf 2006
De waarde van het BBP (met vereffening van koopkracht) lag in 2006 op €1441 miljard en in 2007 op €1498 miljard (+3,8%: bron Eurostat). Per hoofd bedroeg het in 2007 (gelijkgetrokken voor prijsverschillen) €25.200 en van 2007 op 2008 zakte het van 1,5% boven naar 2,3% onder het EU27 gemiddelde. In 2006 bedroegen volgens Eurostat de inkomsten van de overheid 45,6% van het BBP (EU25 45,3%) en de uitgaven 50,1% (EU 47%). In dat jaar groeide de economie met 1,8% en in 2007 met 1,5% (EU27 2,9%, EU15 2,7%). Daarna zakte de groei snel in en in 3e kwartaal van 2008 was de economie gekrompen; t.o.v het 2e kwartaal met 0,5% (EU27 -0,2%) en t.o.v een jaar eerder met 0,9% (bron ISTAT). De invoer zakte in dat jaar met 3,4%, de uitvoer met 3,1% en huishoudens besteedden 0,6% minder. De overheid daarentegen gaf 1,1% meer uit (Eurolanden +2,2%). De inflatie lag in 2006 met 2,2% precies op en in 2007 met 2,0% iets onder het EU gemiddelde (2,3%). Tussen januari en oktober 2008 stegen de consumentenprijzen met 3,9%, maar in november zakten ze met 0,5% zodat een stijging van 3,4% overbleef (EU27 +2,7%). Over 2007 bedroeg het begrotingstekort 1,6% van het BBP (Eurozone -0,6%, EU27 -0,9%). Het tekort ging, net als elders in de Eurolanden, in de loop van 2008 omhoog. Volgens de EU bonzen viel dat vanwege de kredietcrisis echter onder het nood breekt wet principe. De overheidsschuld was in 2007 met 104% van het BBP de grootste binnen de EU (EU27 59%, Eurozone 67%). Ten opzichte van 2006 was ze met 2,8% gezakt; maar in 2008 liep ze weer flink op. Voor de handel was 2007 een gunstig jaar. Doordat de import met 4% groeide en de export met 17%, nam het tekort op de handelsbalans af met €11 miljard naar €9,5 miljard. De bruto binnenlandse investeringen (overheid +privaat) lagen in 2007 op 21,1% van het BBP (EU27 21,3%; Eurostat). Het zakelijke aandeel daarin (18,7% BBP) lag precies op het EU27 gemiddelde. Volgens EVD landen/ Italië bedroegen de directe buitenlandse investeringen in 2006 ruim €30 miljard, waarvan ruim €23 miljard uit NL.
De werkgelegenheid ging tussen het 3e kwartaal van 2007 en het 3e kwartaal van 2008 met 0,5% omhoog (Eurolanden 0,8%; EU27 0,9%), maar in het 3e kwartaal van 2008 bleef ze t.o.v het 2e kwartaal van dat jaar gelijk (Eurolanden -0,1%). De werkloosheid lag t/m september 2008 met 6,5% iets onder het Eu27 gemiddelde (6,9%). Ze varieerde van rond 3% in het noorden naar ruim 11% in het zuiden. De stijging van de arbeidskosten in de marktsector ten opzichte van een jaar eerder (2,4%) bleef t/m het 2e kwartaal van 2008 achter bij EU standaarden (Eurozone +2,8%; EU27 +3,6%). Per gewerkt uur zakte de arbeidsproductiviteit in 2007 ten opzichte van 2006 met 1,3% naar 88% van het Eu15 gemiddelde. De kostenbaten analyse van arbeid werd in 2007, net als in de Eurozone, iets ongunstiger (-0,6%; EU27 0,8%).
Vertrouwen in de economie in 2008
In 2008 reageerde de economie gematigd op de internationale tendens. In Italië ging het vertrouwen in de economie minder sterk onderuit dan in de EU27. Op de door Eurostat gehanteerde ESI (Economic sentiment indicator); een uit de 5 indicatoren vertrouwen in de industrie, diensten, bouw en detailhandel en consumentenvertrouwen samengestelde index; zakte men in 2008 met 17,5% (van 1,5% onder het gemiddelde niveau van 1990 t/m 2007 naar 19% daaronder), terwijl in de EU27 de daling groter was (bijna 40%; van 3,3% boven naar 36,5% onder dit normniveau). Onder de industriëlen van de Eu was het deel met positieve verwachting in januari 2008 nog 1,7% groter dan het negatieve gestemde deel, maar in december overtrof het pessimistisch gestemde contingent het optimistische met 31,7% (-33,4%). Onder Italiaanse industriëlen groeide het surplus aan pessimisten van 1% naar 27,5% (-26,5%). In de bouwsector steeg het overwicht aan pessimisten in de EU van 4 naar 32% (-28%), maar in het Italië ging het van 11,9 naar 29,3% (-17,4%). Binnen de detailhandel hoorde Italië met Roemenië en Bulgarije bij de enige Eu landen waar een klein surplus bleef aan optimisten. In de EU voltrok zich een daling van 3% naar 23,8% meer pessimisten (-20,8%) en in Italië van 19,9% naar 2,1% meer optimisten (-17,8%). Qua consumenten vertrouwen ging in de EU het overschot aan pessimisten van 9,9 naar 26,2% (-16,3%). In Italië was het aanvangsoverschot aan pessimisten een stuk groter, maar de daling was navenant kleiner (van 21,6% naar 29,5%; -7,9%; kleinste daling Eu na Portugal). In de dienstensector veranderde in de Eu een overschot van 10,9 aan optimisten in een surplus aan pessimisten van 22,7% (-33,6%). Dit was de enige indicator waarop in Italië de daling groter was dan binnen de EU (van 13,6% meer optimisten naar 23,6% meer pessimisten; -37,2%).
Economische sectoren
De Italiaanse economie is relatief kleinschalig. In 2005 had 98% van de bedrijven en instellingen in industrie, bouw en dienstensector minder dan 20 werknemers. Van de 700.000 Italiaanse bouwbedrijven bijv heeft tweederde minder dan 4 personeelsleden. Van de 16,3 miljoen werknemers werkte 60% bij een werkgever met minder dan 20 personeelsleden (industrie 40%, bouw 80%, diensten 63%). Ook het grote aandeel zelfstandigen in Italië draagt bij aan de kleinschaligheid. In 1931 betrof het maar liefst 46% van de beroepsbevolking en in 2007 nog 26% (bron: Italy in figures 2008). In 2005 telde het land volgens Eurostat 28,7% zelfstandigen (hoogste EU25, EU 16%).
In 2007 werkte 4% van de Italianen in de landbouw (EU27 5,6%). De bijdrage van de sector aan het BBP zakte tussen 1997 en 2007 van 3,2 naar 2% (EU van 2,8 naar 1,8%). In 2004 was men echter qua toegevoegde waarde en arbeidsplaatsen 4e van de EU. Bij de zuivelindustrie en de productie van oliën (olijfolie) was men 2e en met de productie van pasta en chocola en de verwerking van groente en fruit haalde men een 3e à 4e plek. In 2007 lagen de inkomsten in de sector op 79% van die van 2000 (-21%: grootste daling EU27; EU15 +6%). Italië was tussen 2000 en 2008 de grootste producent van groenten en tomaten, de 2e producent van fruit en wijn (bijv Chianti uit Toscane van de Sangiovese druif en Nero d'Avola uit Sicilië) en de 3e producent van kip en rundvlees binnen de EU (bron Eurostat). Wel zakte de productie van tomaten in 2008 met 18%. Men produceert veel olijfolie; wijnen, groenten, visconserven en pasta's voor de export. Ook is Italië de grootste zijdeproducent van Europa en in het noorden wordt katoen uit onder meer Zuid Italië verwerkt. In 2006 had Italië het grootste areaal aan biologische landbouwgrond binnen de EU25 (8,4%, EU15 4,3%; NL 2,5%). Italiaanse multinationals in de branche van voeding en genotsmiddelen zijn Ferraro (chocola, omzet 2006 €5,6 miljard), de Barilla groep (graanproducten w/o pasta; €2,6 miljard) en de producenten van alcoholische versnaperingen Martini en Rossi (€2 miljard) en Gruppo Campari (0,8 miljard). Al deze multinationals komen, net als Parmalat, uit Noord-Italië
|
De Italiaanse zuivelmultinational Parmalat kon eind 2003 een obligatielening van €150 miljoen niet terugbetalen terwijl men claimde €4,5 miljard in kas te hebben. De boekhouding bleek duidelijk niet op orde en er waren miljarden weggelekt naar de Kaaimaneilanden. Kopstukken verdwenen in het gevang en premier Berlusconi wist met het kunst en vliegwerk dat hem zo eigen is ten koste van de niet Italiaanse schuldeisers te voorkomen dat het concern failliet ging. In 2007 bedroeg de omzet €3 miljard.
|
De industriesector was in 2007 verantwoordelijk voor 27,7% van de banen. De bijdrage aan het BBP zakte tussen 1997 en 2007 van 29,5 naar 27,1% (industrie 20,8%; -3,6%; EU27 20,1%; -2,2%: bouw 6,3%: +1,2%; EU 6,5%, +0,9%). Tussen maart 2005 en maart 2006 bleef de groei van de industriële orders achter bij het EU25 gemiddelde. Wel steeg de industriële productie iets meer dan in de EU25 (4,2 om 3,8%) en vooral de bouwsector deed het goed (6% om 1,8% in 2005/2006). In deze sector wordt ook veel zwart geld wit gewassen. De tabel hieronder geeft info over de omzetten en toegevoegde waarden (Toe wa) in miljarden €, aantallen werknemers (in miljoenen) en veranderingen binnen de subsectoren nutsbedrijven (nuts), mijnbouw (mijn), industrie (indu) en bouw (+/- verandering t.o.v 2005).
|
|
EU27 2006
|
Italië 2006
|
|
mijn
|
indu
|
nuts
|
bouw
|
mijn
|
Indu
|
nuts
|
bouw
|
|
Omzet
|
235
|
6816
|
932
|
1553
|
59
|
931
|
142
|
223
|
|
+/- in %
|
+8
|
+8
|
+16
|
+12
|
-10
|
+8
|
+23
|
+13
|
|
Toe wa
|
89
|
1712
|
204
|
510
|
7
|
219
|
20
|
63
|
|
+/- in %
|
+7
|
+5
|
+7
|
+12
|
-1
|
+5
|
+4
|
+8
|
|
Banen
|
0,7
|
34,4
|
1,6
|
14
|
0.04
|
4,6
|
0,1
|
1,8
|
|
+/- in %
|
-5
|
-1
|
-0
|
+5
|
-0
|
-1
|
-3
|
+2
|
Italië is qua inwonertal kort na Frankrijk en het VK het 4e land van de EU. De omzet van de mijnbouw was in 2006 de hoogste binnen de EU na die van het VK, die van de nutsbedrijven was toen hoogste na Duitsland, die van de maakindustrie stond 3e na DL en Frankrijk en die van de bouw was de 3e na Spanje en het VK (bron Eurostat; industry, trade and services; horizontal view). In 2004 was men qua toegevoegde waarde 1e van de Eu bij de textiel, kleding en schoeiselindustrie en 2e qua productie van hout en papier, overige minerale producten, metalen en metaalproducten, machines en uitrusting en meubels en overige fabriekproducten (rond Venetië). Door de kredietcrisis van 2008 zijn veel omzetten flink gekelderd. Tussen 1997 en 2007 stegen de investeringen in de sector veel sneller dan het BBP. Men verwachtte in 2008 een omzetdaling in de woningbouw en groei in de hotelbranche, zorg en infrastructuur (hoge snelheidslijnen en metro). Kenmerkend voor de Italiaanse maakindustrie zijn clusters van bedrijven in dezelfde sector in bepaalde regio's. De maakindustrie (4,58 miljoen werknemers in 2006) is vaak efficiënt opgezet en hield tot aan de kredietcrisis haar werknemers m.n van de straat met de productie van auto's en autoaccessoires, scooters, motorfietsen, chemicaliën, elektrische en elektronische uitrusting (waaronder computers), machines, modeartikelen (grote kledingmerken, schoeisel, lederwaren, juwelen) en met innovatieve functionele vormgeving. Gruppo Bertone uit Turijn is bijv een belangrijke autovormgever.
Qua bijdrage aan de exportwaarde (€359 miljard) was in 2007 de machine-industrie de grootste (20%), gevolgd door de metaalindustrie (11,7%) en de productie van transportmiddelen (11,5%: m.n auto's), chemicaliën en vezels 10%, elektrische instrumenten 9% en textiel en kleding 8%. In 2006 was Italië qua aandeel in de exportwaarde de grootste exporteur van machines en transportmiddelen in de Eu. Gruppo Riva in Milaan (omzet €10 miljard in 2007) is de 2e staalproducent van de EU. In 2007 werden in Italië 2,5 miljoen personenauto's verkocht. De auto-industrie is geconcentreerd in Turijn en Milaan. De industrie zelf had in 2007 een omzet van €13,6 miljard en de toeleveringsbedrijven kwamen op €14 miljard. Voor 2008 werd na 11 jaar hoogconjunctuur een daling verwacht. De Fiat groep (omzet 2007 wereldwijd: €58,5 miljard) was in de 1e helft van 2008 qua verkopen in Italië met 32% (404.000 auto's; -10% t.o.v 1e helft 2007) marktleider met o.m de merken Alfa Romeo, Lancia en Ferrari, gevolgd door de Volkswagen groep (11%, -9%), de PSA groep (Citroën, Peugeot 10%, -13%), de Ford groep (9,3%: -16,5%) en de GM groep (9%, -15%). Aprilia, Ducati en Moto Guzzi zijn grote producenten van motoren en qua scooters zijn Piaggio en Vespa internationaal klinkende namen. Indesit in de provincie Ancona is grootste producent van huishoudelijke apparaten en 2e producent van witgoed in Europa. De chemische industrie (basischemicaliën en kunstvezels 33%, farmaceutica 27% in 2004) is geconcentreerd in Lombardije. Ze is qua omzet 4e van de EU na DL, Frankrijk en het VK. In 2004 was men qua toegevoegde waarde en banen veruit de grootste producent van textiel, kleding en schoeisel van de Eu. In 2007 lag de omzet van de kleding en mode industrie op ruim €54 miljard (+2,5%; grootste merk Gucci, gevolgd door Valentino FG, Benetton, Prada, Armani, Diesel , Max Mara en Dolce & Gabbana). De chemische industrie was in 2003 de 3e van de EU met 12,4% van de gemeenschapsomzet.
|
In 2003 had Italië de grootste autodichtheid ter wereld; 80% van de huishoudens had één auto, 20% had er 2 en 20% geen. Ook had men één van de oudste wagenparken van de wereld. Er was toen pas een APK keuring ingevoerd. In 2002 waren er in de productie van auto-onderdelen en accessoires 130.000 arbeidsplaatsen. De Fiat fabrieken zaten rond 2007 in 61 landen en hadden 200.000 werknemers, waarvan bijna de helft buiten Italië.
|
In 2007 leverde de dienstensector 65,8% van de banen op met een relatief groot aandeel van de commerciële dienstverlening (59%, Eu 55%). De sector was goed voor 70,9% van het BBP (EU 71,6%). In 2007 bedroeg het aandeel daarin van handel, vervoer en communicatie 22,5% (in 1997 23,9%; -1,4%; EU 21,2%: -0,1%); dat van de zakelijk financiële dienstverlening lag op 27,6% (+4,8%; EU 28,1%; +3,3%) en dat van de overige dienstverlening op 20,8% (+0,2%: EU 22,4%: +0,1%). De tabel hieronder geeft info over de omzetten en toegevoegde waarden (Toe wa) in miljarden €, aantallen werknemers (in miljoenen) en veranderingen binnen de subsectoren groot en detailhandel en reparatie (GDR), hotels en restaurants (HORE), vervoer, opslag en communicatie (VOC) en onroerend goed, verhuur en zakenactiviteiten (OVZ). Daarbij staat +/- in % voor de verandering t.o.v 2005.
|
|
EU27 2006
|
Italië 2006
|
|
GDR
|
HORE
|
VOC
|
OVZ
|
GDR
|
HORE
|
VOC
|
OVZ
|
|
Omzet
|
820
|
434
|
1742
|
2397
|
92
|
60
|
201
|
237
|
|
+/- in %
|
+7
|
+8
|
+6
|
+4
|
+6
|
+7
|
+6
|
+5
|
|
Toe wa
|
110
|
182
|
653
|
1202
|
12
|
22
|
76
|
108
|
|
+/- in %
|
+8
|
+9
|
+4
|
+3
|
+7
|
+16
|
+6
|
+8
|
|
Banen
|
31,7
|
9,3
|
12
|
26
|
3,4
|
1,1
|
1,2
|
2,8
|
|
+/- in %
|
+2
|
+5
|
+0
|
+7
|
+2
|
+3
|
+0
|
+3
|
Qua omzet van restaurants en hotels was Italië 3e van de EU na het VK en Frankrijk. De provincie Bolzano/ Bolzen bezette in 2004 de 2 na hoogste plek qua hotels en restaurants (bron European Business, 2007 edition van Eurostat). Volgens EVD landen/ Italië nam de groei van de Italiaanse grootwinkelketens in 2006 af (2000 t/m 2005 +19,2%; in 2006 +1%). Ze zitten vooral in het noorden en buitenlandse ketens hebben recentelijk een flinke vinger in de pap gekregen (grootste ketens Coop Italia SRL, Carrefour Italia, La Rinascente, Conad, Esselunga en Dispar Italia). M.n in de non-foodsector blijven de gespecialiseerde winkels het goed doen. In 2001 was Italië binnen de Eu de 4e markt in het bank en verzekeringswezen. Rond 2005 begonnen de banken meer internationale allianties aan te gaan. Zo werd in 2006 Anton Veneta onderdeel van ABN, kocht het Franse BNP Paribas BNL op en nam Unicredito Italiana het Duitse HCB met toebehoren over. Ook breidden banken hun dienstenpakket uit. In 2006 telde Italië 796 bankinstellingen en 86 financiële groepen. De grootste groep is Intesa Sanpaolo (in 2007 gefuseerd en 3e bankgroep van Europa: marktaandeel 20,2% in 2006), gevolgd door Unicredito Capitalia (17,3%). Het verzekeringswezen vertoonde in 2007 een lichte daling. In 2006 waren de geïncasseerde premies van levens en schadeverzekeringen (€112,7 miljard; -2% t.o.v 2005) 8% van het BBP waard. Lazio (rond Rome) was in 2004 de op één na meest gespecialiseerde Eu regio op het vlak van communicatie en media.
Italië en Nederland
In 2006 was Nederland de 8e exportpartner (waarde €7,8 miljard; +7,3%) en (op eerbiedige afstand) 3e importpartner van Italië (waarde €19,3 miljard; +10%: bron ISTAT en EVD landen Italië). De import behelst bijv machines en transportmiddelen, chemicaliën, genotsmiddelen en aardgas en de export transportmiddelen, machines, apparaten en kleding. Begin 2009 werden door de EVD als kansrijke sectoren voor het Nederlandse bedrijfsleven het Italiaanse havenwezen (baggeren en waterbouw, transport; aanleg), de mode branche, medische apparaten en hulpmiddelen en milieutechnologie gepresenteerd.
Arbeidsmarkt en beroepssectoren
Volgens Eurostat (labour market latest trends 2nd quarter 2008 en EU LFS survey 2007) was medio 2008 van de 39,1 Italianen tussen 15 en 65 jaar (beroepsbevolking) 63,5% (24,9 miljoen) als werknemer of werkzoekende actief op de arbeidsmarkt (laagste EU na Malta: EU27 70,9%). De rest was inactief in die zin (scholier/ student, huisvrouw, met pensioen, afgekeurd, rentenier). In 2007 had 58,7% van de beroepsbevolking (23,2 miljoen; laagste EU na Polen en Malta) betaald werk (los van het aantal uren per week; EU rond 65,5%). Daarvan werkten 17,1 miljoen (73,7%) in loondienst en 6,1 miljoen (26,3%) als zelfstandige. Volgens Eurostat lag het aandeel zelfstandigen (de financiële sector niet meegerekend) in 2005 op 28,7% (hoogste EU25 na Griekenland; EU25: 16%). Medio 2008 had van het werkende volksdeel binnen Italië 14,7% (3,5 miljoen; EU 18,2%) een deeltijdbaan; 5,7% van de mannen en 28,2% van de vrouwen (EU m 7,9%, v 31%). Het gemiddelde aantal gewerkte uren per persoon p/w kwam daarmee rond 37,6 uur (m 40,6u, v 32,9u; EU 37,3u; m 40,4u, v 33,3u). In 2007 werkten Italiaanse voltijdwerkers gemiddeld 39,2 uur en deeltijdwerkers 22u (EU 40,5 en 20,2 uur). Het aandeel werknemers met een tijdelijk contract (uitzendbureaus, stagiaires etc) lag medio 2008 met 14% van wie in loondienst werkte vrijwel op het Eu gemiddelde. In 2007 had 1,6% van de Italiaanse werknemers een bijbaantje (406.000; +7,4%; Eu 27 4,7%),
In 2007 werkte van de 55plussers onder de beroepsbevolking slechts 33,8% nog (+4,9% t.o.v 2000; EU27 44,7%; +5,8% t.o.v 2000; EU streefdoel 50%). In 2007 was de gemiddelde leeftijd waarop men stopt met werken 60,4 jaar (EU 61,2 jaar). Ze is tussen 2001 en 2007 met 0,6 jaar toegenomen (EU +1,3 jaar). Eind 2006 lag in Italië het aandeel voorstanders van langer werken om het pensioenstelsel betaalbaar te houden op het EU gemiddelde (22%). Het gedeelte dat pensioenleeftijd handhaven en sociale bijdragen verhogen of pensioenleeftijd handhaven en minder krijgen koos was relatief klein (respectievelijk27 om 32% en 6 om 12%). Relatief veel Italianen kozen voor de opties geen van de 3 (22 om 20%) of een combinatie van de 3 (8 om 6%) en het deel dat het niet wist was met 15% het grootste binnen de EU (EU25 8%).
Tussen december 2007 en september 2008 steeg in Italië het aantal geregistreerde werkzoekenden van 1,57 miljoen naar 1,67 miljoen. Het aandeel in de actieve beroepsbevolking lag rond 6,7% (EU27 rond 6,9%). Daarbij was de regiovariatie naar EU maatstaven groot (van 2,5% plaatselijk in het noorden tot 13% op Sicilië). Tussen 2000 en 2007 zakte landelijk de werkloosheid van 10,1 naar 6,1% en het gedeelte langdurig werklozen (langer dan een jaar geregistreerd) ging van 6,3 naar 2,9% (EU werkloosheid van 8,7 via 9 naar 7,1%; langdurige werkloosheid van 4 naar 3,1%). In 2007 stond van de 15-25 jarigen 20,3% (EU 15,3%) ingeschreven als werkloos (in 2000 nog 27%). In 2007 telde Italië naar EU maatstaven tamelijk veel hoog geschoolde hoofdwerkers (40,7 om 38,3%, vrouwen 45 om 40,2%) en vrij weinig laag geschoolde hoofdwerkers (22,6 om 24,4%: vrouwen 33,2 om 37,7%). Qua handwerkers lag het aandeel goed geschoolden precies op het Eu gemiddelde (27,4%) en het aandeel laaggeschoolden lag daar iets onder (9,2 om 9,9%). In de dienstensector lag het gedeelte commerciële dienstverleningsberoepen boven de EU normaal (59 om 55%).
Arbeidsmoraal, arbeid en inkomensverhoudingen
Eind 2006 was het volksdeel dat werk aangaf als belangrijk levensgebied relatief groot (90%; EU25 84%). De arbeidsmoraal onder werkenden in Italië is wellicht wat meer materialistisch en toegewijd dan in NL. Een wat grotere minderheid (26%, NL 17%) gaf in 1997 bijv. aan louter te werken voor het geld; het gedeelte dat door zou werken ondanks een hoofdprijs in een loterij lag wat lager (53 om 60%) en minder Italianen (52 om 69%) vonden dat het privé-leven voor het werk gaat. Eind 2006 was het volksdeel in Italië dat de stelling onderschreef dat vrije tijd belangrijker gevonden hoort te worden dan werk echter groter dan gemiddeld in de EU25 en in NL (53 om 48%: NL 43%). Italianen zijn relatief weinig geneigd om van baan te veranderen en ook blijven relatief weinigen in hun baan omdat ze er tevreden mee zijn. Meer persoonlijke bevrediging leidt vooral tot fantaseren over veranderen (64% in 2000; hoogste EU15 na Zweden en Denemarken; EU 53%). Betere betaling en meer erkenning zijn belangrijke motieven om daadwerkelijk van baan te veranderen. Betere werkomstandigheden vormde daar in dat jaar nog het minst vaak binnen de Eu de aanleiding toe (23 om 36%). Wie verandert gaat vaak iets heel anders doen. Aansluiting bij capaciteiten en opleiding is voor Italianen naar verhouding een belangrijke factor bij de keus van werk en men staat naar Eu maatstaven relatief vaak open voor trainingen, maar dan weer niet vaak om beter nieuw werk te kunnen vinden. Italianen combineren graag het nuttige met het aangename. Men is ijverig en hardwerkend, mits men maar genoeg ruimte overhoudt voor ontspanning. In Italië is men bijv. lange middagpauzes gewend. Winkels en kantoren zijn vaak van 1 tot 4 uur gesloten. Overheidsdiensten blijven daarna vaak dicht, maar winkels gaan weer open; meestal tot laat in de avond. In de middagpauze gaat men uitvoerig lunchen en daarna volgt vaak een middagdutje (pisolino of penicella).
De arbeidsverhoudingen zijn tamelijk formeel qua titulatuur ed. en het voor wat hoort wat principe wordt erg belangrijk gevonden. Buiten hun middagdutjes zijn de Italianen een expressief volk en omdat haantjesgedrag eerder regel dan uitzondering is wordt voor arbeidsconflicten relatief vaak eerst een oplossing gezocht via confrontatie tussen belangengroepen. Bij het overleg dat daarna volgt is het betrekkingsaspect belangrijker dan de letterlijke uitspraken die zijn of worden gedaan (de term "roept u maar" wordt in Italië doorgaans op zijn juiste merites geschat). In Italië wordt veel gestaakt. In 2008 lag volgens de Europese werkgeversorganisatie fedee het vakbondslidmaatschap op 30% (Eu 26,3%: bron http://www.fedee.com/). De 3 grootste federaties telden 11,3 miljoen leden, maar van de 5,5 miljoen leden van de grootste had nog niet de helft (2,6 miljoen) een baan. In 2005 gingen bij stakingen waaraan 961.000 werknemers deelnamen 6,3 miljoen arbeidsuren verloren, maar in 2006 staakten 417.000 werknemers waarbij 3,1 miljoen uren verloren gingen (bron compendio statistico Italianao 2007 van ISTAT). Tussen 2003 en 2007 gingen gemiddeld 36,8 dagen per 1000 werknemers kwijt door staken (7e EU25; met de vermelding dat in Italië deze aantallen worden onderschat). Er werd het meest gestaakt in de metaalsector, gevolgd door de overheid. Meestal vormden arbeidsvoorwaarden in nieuwe CAO's de aanleiding (http://www.eurofound.europa.eu/ eiro/annual reports/ developments in industrial action 2003-2007).
In 2006 stegen (met inflatiecorrectie) de Italiaanse CAO lonen nog met gemiddeld 0,7% (EU15 +0,4%), maar in 2007 zakten ze met 0,6% (EU15 +0,9%). In 2006 varieerden de lonen p/u van €6 voor een kinderoppas via €18 voor een gediplomeerd verpleegkundige naar €40 voor een boekhouder. Een modaal jaarsalaris lag in het onderwijs rond €28.000 en bij een overheidsambtenaar rond €50.000. De modale inkomens variëren sterk per regio. Het gemiddelde besteedbare maandinkomen liep rond 2004 uiteen van € 2500 p/m in het noorden tot €1600 in Sicilië en op Sardinië. De arbeidskosten per uur lagen toen op €21,39 (Eu €21,14; NL €27,23). Het consumentenprijsniveau was tussen 2005 en 2007 vergelijkbaar met dat in NL (tussen 3 en 5% boven het EU gemiddelde). Italië kent geen wettelijk gegarandeerd minimumloon, maar wel een sociaal minimum (€5761 p/j in 2008). Het minimumloon varieert per sector en wordt via onderhandelingen tussen de betrokken partijen vastgesteld. Wie in Italië als alleenstaande overging van een uitkering op een laag betaald baantje hield in 2007 van de extra verdiensten gemiddeld 28% over (EU 25%, NL 19%). De inkomensverschillen zijn naar EU maatstaven groot. In 2007 verdienden de 20% hoogste inkomens 5,5 x zoveel dan de 20% laagste (EU 4,8 x zoveel) en 20% moest rondkomen met minder dan 60% van modaal (EU 16%). De inkomensverschillen waren in 2003 ook al groot, maar dat vertaalde zich naar EU15 maatstaven bij een relatief kleine groep in armrijk spanningen (15 om 31%). Het aandeel huishoudens dat moeite had om de eindjes aan elkaar te knopen was toen eveneens klein naar dezelfde maatstaven (7 om 10%).
Arbeidsomstandigheden
De werkorganisatie lag in Italië in 2000 qua strakheid wat boven het EU gemiddelde. Onder mannen was bij 41% van de banen (EU 34%, NL 14%) sprake van weinig eigen inbreng en autonomie, veel controle en een opgelegd werktempo en onder vrouwen bij 42% van de banen (EU 40%, NL 25%). In het onderzoek naar arbeidsomstandigheden van Eurofound in 2005 viel (wellicht mede door het grote aandeel zelfstandigen) qua werkplek op dat relatief weinig Italianen buitenshuis werken (63%, Eu 73%) en dat telewerk van huis uit ook weinig voorkwam (4 om 8,3). Het gedeelte dat bij hun werk direct contact had met klanten ed. was relatief groot (69 om 64%) en men werkte niet vaak in een team (39 om 55%). Het werktempo hing naar EU maatstaven niet vaak af van een directe superieur (25 om 36%, men is relatief vaak eigen baas) en ook niet zo vaak van collega's (39 om 42%), maar wel wat vaker dan gemiddeld van klanten ed. (72 om 69%). Bij tamelijk veel banen kon men zelf de manier van werken (76 om 67%) of het werktempo (79 om 69%) bepalen. Banen met genoeg tijd om klussen te klaren kwamen relatief veel voor (76 om 69%), maar er waren naar verhouding ook veel banen met een erg hoog werktempo (67 om 60%). Relatief weinigen konden bij hun werk hulp vragen van collega's (61 om 67%), superieuren (34 om 56%) of een externe bron (14 om 32%), zelf werkpartners kiezen (20 om 24%) of taken roteren (33 om 43%. Wel kon men tamelijk vaak zelf pauzemomenten inlassen (48 om 44%) en de kwaliteit van het eigen werk zelf beoordelen (77 om 73%). Banen met een regelmatige formele prestatiebeoordeling waren er weinig naar Eu maatstaven (26 om 40%) en de groep die vond dat ze voldoende werd betrokken bij veranderingen in de organisatie van het werk was ook kleiner dan gemiddeld binnen de EU (38 om 47%).
Qua niveau gaven zowel complexe (52 om 60%) als eentonige taken (40 om 43%) bij relatief weinig banen de toon aan. Het deel van de werkenden dat vond dat taken en eigen capaciteiten goed bij elkaar aansloten was tamelijk groot (58 om 53%) en het deel dat hun werk onder niveau vond was relatief klein (28 om 34%). Hetzelfde gold voor de groep die in het jaar voor de vraagstelling bijgeschoold was op kosten van de baas (17 om 27%). Qua werktijden is de 5 daagse werkweek in Italië door de vele zelfstandigen niet zo sterk ingeburgerd (62 om 66%). Het gemiddelde aantal werkuren per week ligt vrijwel op het EU gemiddeld (38,4%, Eu 38,2 uur) evenals het gedeelte dat regelmatig werkdagen van meer dan 10 uur maakt (16%). Het gedeelte banen met ploegendiensten kwam iets boven dat gemiddelde (18 om 17%), maar banen met een minder flexibele tijdsindeling (56 om 65%) of vaste begin en eindtijden waren er naar EU maatstaven vrij weinig (52 om 61%). Ook het deel dat elke week eenzelfde aantal dagen werkte lag onder het Eu gemiddelde (68 om 74%), maar het deel dat iedere dag evenveel uren maakte lag daar iets boven (63 om 59%). Het aantal betaalde verlofdagen varieert afhankelijk van type baan en lengte van het dienstverband tussen 2 en 5 weken p/j.
Van de 24 fysiek en psychisch moeilijke werkomstandigheden die in 2005 in het Eurofound onderzoek de revue passeerden waren er slechts 4 (trillingen, vermoeiende of pijnlijke houdingen hoogste met 49 om 44%, veel staan en lopen en herhaalde hand en armbewegingen) naar EU maatstaven wat vaker dan gemiddeld van toepassing op Italianen. Alle klachten over geweld, pesten en discriminatie kwamen minder vaak dan gemiddeld in de EU voor (dreigen met fysiek geweld 1 om 6%, fysiek geweld van collega's 0,8 om 1,9%, fysiek geweld van anderen dan collega's 1 om 4%; pesten en lastig vallen 2 om 5%, ongewenste intimiteiten 0,9 om 1,8% en leeftijdsdiscriminatie 2,6 om 2,7%). De meest in het oog springende onderscores zaten bij herrie 24 om 30%, extreme temperaturen (kou 14 om 21%, hitte 19 om 24%), kwalijke dampen 8 om 11%, straling 3 om 5%, tabaksrook van anderen 8 om 20%, besmettelijk materiaal 4 om 9% en tillen en slepen met mensen (4 om 8%) of zware objecten (29 om 35%).
De groep die de voorlichting op het werk over gezondheid en veiligheidsrisico's voldoende achtte lag iets onder het Eu gemiddelde (81 om 83%) evenals het aandeel Italianen dat de bevinding deelde dat ze via hun werk hun gezondheid of veiligheid in de waagschaal stelde (28%). Wel kwam de bevinding dat het werk de gezondheid beïnvloed tamelijk veel voor (39 om 34%). Wellicht mede door de hoge mate van (fysieke) expressiviteit die de Italiaanse cultuur eigen is scoorde men op 14 van 16 door Eurofound onderzochte werkgerelateerde gezondheidsklachten iets boven het Eu gemiddelde en het deel van de Italianen dat dacht dat men de baan van nu wel tot het 60e zou kunnen volhouden lag er iets onder (77 om 83%). Klachten over ademhalingsproblemen (2,8 om 4,2% ) of letsel (9 om 10%) kwamen naar Eu maatstaven minder vaak dan gemiddeld voor. De meest opvallende bovenscores qua klachten zaten bij problemen met het zien (9 om 7%) en met de huid (10 om 6%) en bij stress (27 om 22%), algehele vermoeidheid (25 om 21%), angsten (13 om 8%) en geïrriteerdheid (16 om 11%).
Relatief weinig Italianen waren tevreden tot erg tevreden met werkomstan-digheden (76 om 84%), arbeidsinkomsten (33 om 44%) of carrièreperspectieven (24 om 32%) en het deel dat zich in het jaar voor de vraagstelling ziek had gemeld lag iets boven het Eu gemiddelde (25 om 23%). Het doorsnee aantal ziektedagen (15 om 20) was echter klein naar verhouding. De angst om binnen een half jaar het werk te verliezen was ook niet wijdverbreid (9 om 13%). In 2005 lag het aandeel dat de werkuren goed in te passen vond in het privé-leven (73 om 81%) wat onder het EU gemiddelde en het deel dat in hun vrije tijd vanuit het werk werd benaderd lag daar wat boven (27 om 23%). Er waren naar verhouding vrij weinig Italianen die vonden dat het werk hen genoeg tijd overliet voor koken en huishouden (38 om 46%). Ook eind 2006 scoorde men qua tevredenheid met werk iets onder het Eu gemiddelde (3,53 om 3,6 op een schaal van 1 tot 5; Eurobarometer 273/ wave 66.3). Van de Italianen gaf toen 65% (EU 71%) aan dat hun baan het leren van nieuwe vaardigheden vereiste. Het deel dat hun werk te stressvol en veeleisend vond lag boven het Eu gemiddelde (52 om 41%). Het deel dat vertrouwen had in baanbehoud lag daar ook iets boven (89 om 85%), maar de kans op het vinden van een nieuwe baan die vergelijkbare vaardigheden en ervaring vereist werd relatief laag ingeschat (5,4 op een schaal van 1 tot 10; Eu 5,9).
Uitgavenpatroon voor sociale zekerheid
In 2006 droegen naar EU25 maatstaven werkgevers (41,3 om 38,2%) en overheid (41,9 om 37,6%) relatief veel bij aan de sociale zekerheid en de beschermde persoon (15,1 om 20,6%) en andere bronnen (1,6 om 3,5%) relatief weinig. In dat jaar bedroegen e uitgaven voor sociale zekerheid 26,6% van het BBP (EU25 27%). Gelijkgetrokken voor inkomensverschillen was dit per inwoner 103% van het EU25 gemiddelde en 89% van de EU15 normaal. Er ging relatief veel naar pensioenen en uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid (14,7 om 12% BBP) en erg weinig naar bejaardenvoorzieningen (0,12%, laagste EU25, Eu 58%). Van de sociale uitgaven ging 26,8% (Eu 29,2%) naar ziektekosten, 5,9% (EU 7,5%) naar arbeidsongeschikten, 50,6% (hoogste EU25; Eu 40%) naar pensioenen, 9,7% (Eu 6,2%) naar nabestaanden, 4,5% (EU 8%) naar gezinnen, 2% (laagste EU15; EU25 5,6%) naar werklozen, 0.1% (laagste Eu15 na Portugal; EU25 2,3%) naar huisvesting en 0,2% (laagste Eu25; EU 1,3%) naar bestrijding van sociale uitsluiting.
Sociale stelsel
Op http://www.ssa.gov/policy/docs/progdesc/ssptw/ was enkele dagen voor de inauguratie van president Obama de beschrijving van de sociale stelsels in de Eu landen weer aanwezig en bovendien geüpdate voor 2008 (onder Europe). De 1e Italiaanse wetten op de sociale zekerheid dateren van 1898 (arbeidsletsel), 1912 (zwangerschap), 1919 (pensioenen en werkloosheid), 1937 (gezinsuitkeringen) en 1943 (ziektewet). In 1952 werd het pensioenstelsel gereorganiseerd. In 2008 hoefden industriewerknemers die minder dan €177,42 p/w verdienden geen premies af te dragen. Voor zelfstandigen en ambtenaren bestaan veelal aparte regelingen. In het stelsel kan een keur aan afhankelijke familieleden (tot op het niveau van neven/ nichten) onder voorzieningen vallen. In Italië kent men naast een sociaal minimum (€5761 per jaar voor een alleenstaande) minimum en maximumuitkeringen. Bij pensioenen ed. wordt een 13e maand uitbetaald. Uitkeringen worden jaarlijks aangepast aan de prijsontwikkeling. Veel voorzie¬ningen kennen een inkomenstoets die er op neer komt dat een uitkering met een kwart of de helft wordt verlaagd boven een bepaalde inkomensgrens. Het plafond voor het recht op staatspensioen lag in 2008 op een jaarinkomen van ruim €88.669 voor degenen die na 1996 hun intrede deden op de arbeidsmarkt. Voor deze nieuwe intreders gelden vanaf dat jaar ook beperkingen m.b.t. het recht op arbeidsongeschiktheid en nabestaan¬denuitkeringen. Voor pensioenen, arbeidsongeschiktheid en nabestaanden en werkloosheidsuitkeringen moet men een minimaal aantal jaren premies hebben betaald, maar voor uitkeringen in ver¬band met ziekte en arbeidsletsel en voor moederschap en gezinsuitkeringen geldt deze voorwaarde niet. Bij uitkeringen voor ziekte en arbeidsletsel zijn de eerste 3 da¬gen voor eigen risico. Uitkeringen bij ouderdom en arbeidsongeschiktheid (ook bij arbeidsongevallen) zijn betaalbaar in het buitenland. Na arbeidsongevallen kan de uitkering niet worden gecombineerd met uitkeringen voor ouderen, arbeidsongeschikten of nabestaanden.
Pensioen, arbeidsongeschiktheid en overlijden
Men kent een flexibele pensioenregeling. De pensioengerechtigde leeftijd varieert tussen 57 en 65. Deze is, evenals de hoogte van het pensioen, afhankelijk van het jaar van intrede in de arbeidsmarkt en van wat men zelf nog verdient. Voor degenen die voor 1996 de arbeidsmarkt betraden bestaan andere regelingen dan voor wie daarna kwam (ook bij arbeidsongeschiktheid). De pensioen gerechtigde leeftijd lag op 58 jaar met 35 premiejaren of op 40 of meer premiejaren. Vanaf juli 2009 moet voor wie voor 1996 de arbeidsmarkt betrad de optelsom van leeftijd en premiejaren tenminste 95 zijn. Voor anderen wordt deze leeftijd bij voldoende premiejaren opgetrokken van 59 naar 61 jaar in 2013. In 2008 had een alleenstaande vanaf 58 met een jaarinkomen onder het sociaal minimum (€5760) recht op het minimum staatspensioen (€443 p/m). Wie meer verdiende dan €11.520 (bij een paar het dubbele) kon hier geen aanspraak op maken en voor de tussengroep was er een overgangsregeling. Wie 70 werd kon bij een jaarinkomen onder €7540 (€12.682 voor een paar) aanspraak maken op €580 p/m pp. Het opgebouwde pensioen bedraagt 2% per premiejaar bij inkomens tot €38.900; aflopend naar 0.9% bij jaarinkomens boven €79.000.
Arbeidsongeschikten kenden een vergelijkbare regeling met een toeslag gebaseerd op het aantal jaren tot de pensioen leeftijd. Voor 100% arbeidsongeschikten bestaat een constante zorgaanvulling (€465 p/m in 2008; bij arbeidsongevallen €431 of €415). De regeling bij arbeidsongevallen geldt voor zelfstandigen en werknemers, ook als forens. De eerste 3 dagen komen op rekening van de werkgever. Daarna volgen 3 maanden tegen 60% en 9 maanden tegen 75%; veelal op basis van de inkomsten van 2 weken voor het ongeval (laatst verdiende loon: LVL). Bij permanente arbeidsongeschiktheid hangt de regeling af van het moment van intreden (voor of na 25-7-2000 of bij huiselijke ongevallen na 2-3-2001) en van de mate van. Onder de oude regeling kan bij 11 tot 64% arbeidsongeschiktheid de uitkering in principe variëren van 50 tot 98% van het LVL en bij een hogere ongeschiktheid krijgt men in principe 100%. Men ging daarbij in 2008 uit van een jaarinkomen van minimaal €13.079 en maximaal €24.289 met een aanvulling van 5% pp voor partner en afhankelijke kinderen. Bij letsels opgedaan na 25-7-2000 werd afgekeurd worden voor 6 tot 15% afgekocht met een bedrag ineens. Bij thuis opgelopen letstel ligt de grens op 34% arbeidsongeschikt en bij letsel na 1-1-2007 op 27%. Voor schade door silicium of asbest bestaat een aparte regeling.
Bij overlijden krijgt de nabestaande een vergoeding ineens van een bijstandsuitkering (€395) vermenigvuldigd met het totaal aan betaalde premies. Daarnaast kon een nabestaande met een inkomen onder 3 x het sociaal minimum aanspraak maken op 60% van datgene waar de overledene recht op had gehad als die arbeidsongeschikt was geworden. Wie 3 tot 5 keer dat bedrag verdiende kreeg 50 tot 25%. Bij 2 of meer kinderen loopt dat op tot 100%. Hertrouwen van de nabestaande wordt afgekocht met een bedrag ter hoogte van 2 jaaruitkeringen. Bij slachtoffers van arbeidsletsel krijgt de partner 50%, een volle wees 40% en een halve wees of andere afhankelijke nabestaande 20%. Ook krijgen nabestaanden dan een begrafenisvergoeding van €1725.
Ziekte, moederschap en gezinsregelingen
Men kent een ziekte-uitkering voor een half jaar van 50% van het laatstverdiende loon gedurende de eerste 20 dagen en daarna tweederde daarvan. Bij arbeidsletsel wordt de eerste 90 dagen 60% en daarna 75% uitgekeerd. Italië kent een aanvullende uitkering voor zelfstandigen en werknemers die TBC krijgen. De zwangerschapsuitkering geldt ook voor zelfstandigen en werknemers. Ze ligt op 80% en geldt van 2 maanden voor tot 3 maanden na de bevalling. Verder bestaat tot 3 jaar na de bevalling de mogelijkheid om maximaal 6 maanden ouderschapsverlof op te souperen tegen 30%. Daarna kan men onder dezelfde conditie binnen 5 jaar nog maximaal 10 maanden verlof opnemen. De gezinsuitkering varieert van €10 tot €1133 p/m naar gelang het aantal afhankelijke gezinsleden en wel/niet invaliditeit en alleenstaand ouderschap. Buiten dat kunnen gezinnen met 3 of meer kinderen aanspraak maken op €125 p/m extra.
Uitkeringen in verband met werkloosheid
Wie 2 jaar lang premies heeft afgedragen, waarvan 1 jaar (bouwvakkers 43 weken) binnen de 2 jaar voorafgaand aan de aanvraag heeft recht op uitkering. Om dit recht te doen gelden moet men buiten eigen schuld zonder werk zitten en ingeschreven staan bij het arbeidsbureau. De uitkeringsduur is maximaal 8 maanden; tegen 6o% gedurende de eerste 6 maanden en daarna nog 2 maanden lang 50%. Bij verdiensten boven €1857 gold een maximum van €1032 p/m en anders een maximum van €859 p/m. Voor bouwvakkers was de regeling gunstiger. Zij kregen 100% tijdens de eerste 12 maanden en daarna 80% gedurende 18 tot 27 maanden (regioafhankelijk). Men kende daarnaast gedeeltelijke werkloosheidsuitkeringen, bijv in verband met seizoenswerk of een tijdelijk slecht gevulde orderportefeuille van de werkgever en een mobiliteitsuitkering voor productiemedewerkers van wie het bedrijf werd verplaatst over grote afstand.
Beoordeling en gebruik van het sociale stelsel
De Italianen zijn tamelijk ontevreden met hun stelsel. Het volksdeel dat weinig vertrouwen had in het staatspensioenstelsel en het sociale zekerheidsstelsel was in 2003 groot naar EU15 maatstaven (respectievelijk 62 om 55% en 51 om 42%). Het deel dat vond dat het sociale stelsel voldoende dekking biedt lag eind 2006 met 36% flink onder het Eu25 gemiddelde (51%) evenals het segment dat vond dat het Italiaanse stelsel andere landen tot voorbeeld zou kunnen dienen (28 om 42%). Het gedeelte dat het stelsel te duur vond was kleiner dan gemiddeld in de Eu (42 om 53%) en het volksdeel met vertrouwen in de toekomst van het eigen pensioen was relatief groot (46 om 42%).
In 2006 kregen 23,5 miljoen Italianen een pensioen. Daaronder vielen 18,5 miljoen ouderdomspensioenen (gemiddeld à raison van €10.900 pp pj), 1 miljoen uitkeringen vanwege invaliditeit (gemiddeld €4282) en 4 miljoen andere pensioenen (bijv voor nabestaanden; gemiddeld €4403). De totale jaarlijkse besteding lag op €224 miljoen (15,2% BBP). In 2007 telde men ruim 1,5 miljoen geregistreerde werklozen.
|