|
Opleidingsniveau en talen
Naar schatting 98% der Belgen is geletterd. Leerplichtige leeftijd: 6 tot 18 jaar. Hoogste opleidingsniveau 2006 (15+; bron NIS): 21,4% lager onderwijs, 21,6% lager vervolgonderwijs, 32.6% secundair vervolgonderwijs, 15,3% HBO, 8,1% universitair. In 2005 had 66% van de 25 tot 65 jarigen (EU 69%) een secundair vervolgonderwijs diploma of meer op zak. Het aandeel 18 t/m 23 jarigen dat geen diploma had dat recht gaf op secundair vervolgonderwijs (voortijdige schoolverlaters) lag in 2007 op 12,3% (EU 14,8%). In het onderwijs telt de taal van het eigen gewest als enige eigen taal. Alle Belgen hebben Nederlands en Frans geleerd op school, maar veel Vlamingen spreken liever geen Frans en veel Walen liever geen Nederlands. Leerlingen in het lager secundair vervolgonderwijs kregen les in 1,2 vreemde taal (EU27 1,4 taal) en in het hoger secundair vervolgonderwijs in 1,7 taal (EU 1,3 taal). In 2003 beschikte 63% van de volwassen Belgen naar eigen bevinding over enige tot uitstekende Engelse leesvaardigheid (niet Engelstalige EU13: 59%, dito EU22 52%).
Geschiedenis
Vanaf de onafhankelijkheid in 1830 is het recht op onderwijs in de Belgische grondwet verankerd. Rond de 20e eeuwwisseling was nog 30% van de bevolking analfabeet, maar in 1914 werd de leerplicht ingesteld voor kinderen van 6 tot 12 en ze is daarna geleidelijk uitgebreid tot 18 jaar. Ze was in 2008 partieel voor 15 tot 18 jarigen op basis van een leercontract. De vrijheid van onderwijs en de verdeling van geld heeft in België heel wat strijd gekost. Zo kende het land tussen 1879 en 1884 en tussen 1954 en 1958 een schoolstrijd tussen roomsen en liberalen. Minister Leo Collard ontketende de 2e schoolstrijd in 1955 door de subsidies aan het onderwijs dat niet openbaar was flink in te korten. Het conflict werd in 1959 bijgelegd via het schoolpact dat subsidie afhankelijk maakte van kwaliteitseisen. Na de 2e wereldoorlog werden alle vormen van onderwijs voor iedereen toegankelijk gemaakt. Het onderwijs voor leerplichtigen werd gratis (op ouderbijdragen voor bijkomende zaken na) en voor het hoger onderwijs kwam er een stelsel van beurzen en toelagen (de Belgische leerplichtwet houdt overigens geen schoolplicht in, maar laat ook thuisonderwijs toe). Vanuit de na 1970 opkomende trend om het onderwijs meer op het individu af te stemmen kwamen er vormen van aanvullend onderwijs voor achterstandsgroepen (zorgverbreding). In 1994 werden alle verantwoordelijkheden overgeheveld naar de taalgemeenschappen behalve de lengte van de leerplicht, de minimum voorwaarden voor diploma's, het pensioenstelsel van personeel en de opleiding van politie en militairen. Rond 2000 kregen de scholen meer vrijheid om organisatorische en inhoudelijke zaken naar eigen inzicht te regelen en er kwamen schoolraden waarin ouders, docenten en notabelen zijn vertegenwoordigd.
De meeste leerlingen volgen in België vrij gesubsidieerd onderwijs (VGO). Dit is meestal opgezet op basis van levensbeschouwing (veelal vanuit het katholiek net) en soms op grond van methode (pedagogisch project op zijn Vlaams). In 2005/06 betrof het in het Vlaamse gewest 63% van de kleuter en basisscholieren. In het Waalse gewest liep het op van 38% bij kleuterscholen tot 59% van de leerlingen in het vervolgonderwijs (secundair vervolgonderwijs 54%). Een flinke minderheid van de leerlingen gaat naar een school die onder officieel onderwijs (openbaar onderwijs) valt. Dit wordt georganiseerd door de taalgemeenschap (GO! in het Vlaams) of door provincie of gemeente (Vlaams OGO). Binnen de scheiding van kerk en staat moeten officiële leerplichtscholen 2 lesuren p/w besteden aan levensbeschouwelijke vorming of godsdienstles. In 2004/05 koos 54% van de basisscholen en 28% van de vervolgscholen voor godsdienstles en 29% van de basisscholen en 57% van de vervolgscholen voor zedenleer. In 2002 kreeg 15% van de leerlingen in kleuter en basisonderwijs aanvullende lessen. In 2008 kregen scholen voor gehandicapten (buitengewoon onderwijs) en scholen met veel nieuwkomers (leerlingen uit gezinnen die minder dan 10 jaar tevoren in België aankwamen) extra geld (in het laatste geval in Vlaams België om "onthaalonderwijs" op poten te zetten; 1535 deelnemers aldaar in 2006/07). Ook bestonden er studietoelagen of beurzen voor minder begunstigde leerlingen in middelbaar en hoger onderwijs.
Onderwijsuitgaven en kosten
In 2005 besteedde men in België volgens Eurostat 6% van het BBP aan educatie (EU 5%). Daarvan kwam 0,35% op rekening van huishoudens (EU 0,67%), zodat de overheidsbijdrage op 5,65% kwam (EU 4,3%). Hoewel het leerplichtonderwijs in het land in principe gratis is, zijn er kosten aan verbonden. De grootste posten zijn lesmateriaal, uitstapjes en vervoer. In 2004/05 liepen de jaarlijkse kosten in het Vlaams gewest op van rond €200 in groep 1 van de kleuterschool tot ruim €1200 in de loop van het secundaire onderwijs. In het hoger onderwijs moest m.n inschrijvingsgeld (in Vlaanderen barema's geheten) en huur worden betaald. Daarmee liepen de kosten in dit onderwijs voor thuiswonende studenten uiteen van €2150 tot €2600 en voor studenten op kamers (kotstudenten) van €3850 tot €4300 (bron NIS).
Onderwijsdeelname en leerling-leerkracht verhouding
De navolgende tabel biedt een overzicht van de aantallen leerlingen en studenten in 1995 en 2006/07 en van de aantallen leerlingen per leerkracht in 2004/05.
|
Onderwijsdeelname en leerling-leerkracht (LL-LK) verhouding In België en in de OESO landen (bron NIS)
|
|
Type onderwijs
|
Deelname1995/96
|
Deelname 2005/06
|
LL-LK 2004/05
|
|
België
|
OESO
|
|
Kleuteronderwijs
|
427.000
|
415.000
|
16,1
|
16,3
|
|
Lager onderwijs
|
742.000
|
739.000
|
12,8
|
16,7
|
|
Secundair onderwijs
|
808.000
|
834.000
|
9,8
|
13,4
|
|
Hoger onderwijs
Universitair
HBO
|
285.000
118.000
166.000
|
312.000
126.000
186.000
|
19
-
-
|
15,8
-
-
|
|
Totalen
|
2.546.000
|
2.612.000
|
-
|
-
|
Organisatie schooljaar en trends
In het kleuteronderwijs en het verplichte onderwijs gaan de kinderen 5 dagen per week naar school en ze hebben één vrije middag (op kleuter en basisscholen op woensdagmiddag). Het aantal wekelijkse lesuren (van 50 minuten) loopt geleidelijk op van 28 naar 36. Men kent een herfst en een carnavalsvakantie van één week, een kerst en een paasvakantie van 2 weken en een zomervakantie van 2 maanden (juli en augustus). Verder zijn de scholen nog dicht op publieke feestdagen (Wallonië 4, Vlaanderen 5, Duits gewest 6 dagen). Op veel kleuter en basisscholen bestaat voor en naschoolse opvang. Enkele trends in onderwijsland zijn een afname van de leerlingenaantallen in kleuter en basisonderwijs, een toename ervan in het vervolgonderwijs (het sterkst in het HBO) en meer studentes in het hoger onderwijs (54,7% in 2006; EU 55,1%).
Huidige stelsel in vergelijking met Nederland
Weliswaar worden thans mondigheid, kritisch denken en zelfstandige oordeelsvorming bij leerlingen aangemoedigd, maar het onderwijs is nog steeds meer hiërarchisch en competitief dan in Nederland. Ook is de gerichtheid op feitenkennis groter. De schooldirecteuren hebben erg veel macht, leraren worden door leerlingen niet bij de voornaam genoemd en examenresultaten worden publiekelijk getoond om leerlingen die achterblijven tot meer inspanning aan te zetten. Ook is de reputatie van de school in België erg belangrijk m.b.t. de keus die ouders voor kinderen maken. Vooral op roomse scholen zijn aparte jongens en meisjesklassen de norm. Verder blijft in België een veel groter deel van de studenten dan in Nederland bij hun ouders inwonen.
Kleuter en basisonderwijs
Reeds in 1827 werd in Brussel de 1e dagopvang geopend voor kinderen van werkende vrouwen. Hoewel sinds 1997 de meeste kleuterscholen inzitten bij lagere scholen (deze combischolen heten basisscholen) staat het onderricht er los van het basisonderwijs. Thans kunnen peuters van 2½ al op de kleuterschool terecht. In 2006 gingen vrijwel alle 4jarigen naar de kleuterschool (EU27 87%). De 1e Belgische wet op het basisonderwijs dateert van 1842. Kinderen zitten in België 6 jaar op de lagere school. Hoewel leeftijdsgroepen niet meer verplicht zijn, zijn ze nog wel gangbaar. In 2002 was 12% van de leerlingen één keer blijven zitten en 0,7% vaker. Klassen hebben vaste onderwijzers, maar voor de 2e nationale taal, gym en creatieve vakken zijn er vaak vakdocenten. Vanaf 1998 krijgen de kinderen ook les in studievaardigheid en sociale vaardigheden en in 2001/2002 is ICT onderwijs standaard ingevoerd. In 2006 telden basisscholen 1 docent op 13 leerlingen. In Vlaanderen zijn voor het einde van de rit ontwikkelingsdoelen voor kleuteronderwijs en eindtermen voor basisonderwijs omschreven; in beide gevallen voor de leergebieden lichamelijke en muzische vorming, Nederlands, wereldoriëntatie en wiskunde (bij kleuters wiskundige initiatie). Voor basisscholen komen daar nog de 2e Belgische hoofdtaal, ICT, leren hoe te leren en sociale vaardigheden bij. In Wallonië zijn kleuter en basisonderwijs samen verdeeld in 3 fasen met ieder hun einddoelen. Vanaf het 5e leerjaar wordt op de lagere school les gegeven in de 2e landstaal, maar in Brussel al vanaf het 3e jaar. In het Duitse gewest is reeds vanaf de kleuterschool spelenderwijs les in het Frans gangbaar. Het buitengewone onderwijs kent eigen ontwikkelingsdoelen.
Vervolgonderwijs 1e fase
De eerste wet op het vervolgonderwijs dateert van 1887. Rond 2000 werd dit onderwijs opgedeeld in 3 fasen van ieder 2 jaar. In Wallonië heten deze de observatiegraad, de oriëntatiegraad en de bepalingsgraad. Er wordt gewerkt met vakdocenten die zelf de vorderingen op hun vakgebied toetsen. De z.g.n. klassenraad (docenten en directie verenigd) beslist over overgaan of zittenblijven. De leerling-docent verhouding lag in 2006/07 rond 8 op 1. In dat jaar nam in het Vlaams gewest 33% van de leerlingen deel aan de 1e fase van 3 jaar. In het 1e jaar van de 1e fase is het onderwijs algemeen vormend en voor alle leerlingen gelijk. Ze krijgen onder meer les in één vreemde taal (meestal Engels). In het 2e jaar ontstaan verschillen vanwege de voorbereiding op de 2e fase. Na een 3e beroepsvoorbereidend jaar krijgen de leerlingen aan de hand van hun keuzes en verrichtingen certificaten die bepalen of ze door kunnen stromen naar wat in het Vlaamse gewest het algemeen secundair onderwijs (ASO, vergelijkbaar met HAVO of VWO in Nederland), technisch secundair onderwijs (TSO), kunst secundair onderwijs (KSO) of beroeps secundair onderwijs (BSO) heet. Er wordt ondermeer projectmatig onderwijs gegeven en daarbij hoeft het niet altijd om feitenkennisonderwerpen te gaan.
|
De prestaties van de Belgische leerlingen op de internationale PISA toets zijn tussen 2003 en 2006 door de bank genomen licht achteruit gegaan. In 2006 scoorden ze onder de 15jarigen uit de 29 rijke landen van de OECD qua gemiddelden 10e op leesvaardigheid 7e/8e op wiskunde en 13e op natuurkunde.
|
Secundair vervolgonderwijs
In de 2e en 3e fase bieden het TSO en KSO een combi van theorie en praktijk. Het BSO is praktijkgericht. Sinds 2000/01 kent het BSO naast regulier onderwijs ook modulaire vakopleidingen. In 2006/07 ging in het Vlaamse gewest 27% van de leerlingen naar het ASO, 22% naar het TSO, 1,5% naar het KSO en 16,5% naar het BSO. In deze fasen kan gekozen worden uit ruim 130 vakkenpakketten. Een neutrale scholengemeenschap waar alle 4 de richtingen vertegenwoordigd zijn heet in België een atheneum en onder een lyceum of college wordt een vrije (meestal roomse) scholengemeenschap verstaan waar dit het geval is. Een gespecialiseerde TSO en BSO instelling wordt een instituut genoemd. Bij TSO, KSO en BSO maakt een praktijkstage meestal onderdeel uit van fase 3. Bij deze schooltypen sluiten de leerlingen af met afzonderlijke kwalificatie getuigschriften of na een aanvullend 7e jaar met het geïntegreerde secundair onderwijsdiploma dat toegang geeft tot hoger onderwijs. In 2008 kende het BSO voor de vakrichtingen decoratieve technieken, mode en personenzorg een 4e fase.
|
Er bestaan groepsgewijze afstudeeropdrachten. Zo ontwierp een TSO team bijv een racewagen op zonne-energie waarmee het in 2005 deelnam aan de World Solar Challenge in Australië.
|
Vooral in TSO en BSO lopen veel leerlingen (40 en 58% in Vlaanderen) een achterstand op. In het BSO bestaan leerwerktrajecten en om de hoge werkloosheid onder de groep wat in te dammen kregen in 1998 de leerlingen een garantie op een begeleide baan voor een jaar. In het Vlaamse gewest heet dit DBSO (Deeltijds beroepssecundair onderwijs) en in de Franstalige gewesten CEFA (centra voor alternerende educatie en vorming). Het wordt georganiseerd in centra voor deeltijdonderwijs die bij een gewone secundaire school inzitten. De leerlingen sluiten een leerovereenkomst met 4 dagen werkvloer en 1 dag theorie. In 2003 was het aandeel 15 tot 29 jarigen in een leerwerk traject klein in België (0,6%, OESO landen 1,8%, NL 3,2%). Na het 6e jaar gaan veel TSO leerlingen naar het aanvullend beroepsonderwijs (ASBO) of ze doen bijv. een ondernemerscursus om middenstander te worden. Een deel stroomt na het toegevoegde jaar door naar het HBO. In 2006 deed in het secundair vervolgonderwijs 70,7% van de jongens (EU27 57%) en 68,3% van de meisjes (EU 46,3%) een beroepsopleiding. Verder kreeg 94,4% van de leerlingen hier Engelse les (EU 84%). In het Vlaamse gewest kreeg 48% Franse les.
Hoger onderwijs
Wie in België hoger onderwijs wil volgen moet in principe beschikken over een diploma hoger of geïntegreerd secundair onderwijs. Voor wie dat niet heeft kennen de universiteiten van het Franse gewest een toelatingsexamen. Daarnaast maken een aantal opleidingen (bijv de medicijnenstudie in het Vlaams gewest) gebruik van een toelating of bekwaamheidsproef en soms zijn er nog andere voorwaarden. In de Franstalige gewesten kent de medicijnenstudie een numerus clausus. Eind 2006 was het aandeel voorstanders van open HO in België het op één na grootste binnen de EU (58 om 43%) en het gedeelte voorstanders van selectieve deelname was navenant klein (32 om 47%).
In België bestaan 3 typen hoger onderwijs; kort en lang HBO en universitair onderwijs. In het tertiaire onderwijs hebben de studenten tussen 1500 en 1800 lesuren per jaar. Het HBO kent één cyclus. Bij de korte versie, die zeer veel afstudeerrichtingen telt, duurt die 3 of 4 jaar en bij de lange versie; die van universitair niveau is en bijv. opleidt tot architect, tolk of leraar; 4 of 5 jaar. In Wallonië wordt het HBO afgesloten met het gradué diploma en in Vlaanderen met het diploma S. Het universitaire onderwijs kent 2 cycli van ieder 2 of 3 jaar die respectievelijk opleiden tot de BC en de Mastertitel (vroeger licentiaat; vergelijkbaar met de Nederlandse drs. titel). Sommigen gaan daarna verder voor de graad van doctor. De universiteiten zijn in België heel lang uitsluitend Franstalig geweest. Pas na 1930 kwam hier verandering in. In 2008 telde het Vlaamse gewest 9 universiteiten en 22 hogescholen en het Waalse gewest naast 9 universiteiten 38 hogescholen en HBO instellingen. De universiteiten van Antwerpen en Gent zijn Nederlandstalig en die van Brussel en Leuven 2talig. Luik heeft een Franstalige universiteit. Naast deze universiteiten met een volledig vakkenpakket zijn er nog een aantal universitaire instellingen met een beperkt pakket.
Volwassenenonderwijs
Voor alle niveaus van onderwijs bestaan In België instellingen voor volwasseneneducatie (permanente vorming op zijn Vlaams). Zo zijn er alfabetiseringscursussen, onderwijs voor sociale promotie (2e kans onderwijs voor werkenden) en afstandsonderwijs (bijv per pc). De gewesten geven opleidingscheques uit om buiten werkuren goedkoop een opleiding te volgen. Ook is er voor loontrekkenden de mogelijkheid voor educatief verlof. De Belgische rijksdienst voor de arbeidsvoorziening kent een lijst met knelpuntberoepen. Wie werkloos is en geen hoger onderwijsdiploma in bezit heeft mag met behoud van uitkering en zonder sollicitatieplicht een hoger secundaire of hogere dagopleiding daarvoor volgen. Buiten dat zijn er uiteraard meer mogelijkheden voor dagopleidingen voor werklozen. In 2003 volgde 40% van de Belgische werknemers een bedrijfsopleiding. Tussen 1996 en 2004 nam de onderwijsdeelname onder 25 tot 65 jarigen toe van 2,9 naar 8,6%. Daarna daalde ze naar 7,2% in 2007 (EU25 9,7%). Ze was het hoogst in het Brusselse (10,4%) en het laagst in het Waalse gewest (4,9%).
Tevredenheid met en belang van onderwijs
De Belgen beoordeelden volgens de Eurlife indicator in 2003 de kwaliteit van hun onderwijsstelsel met een 7,3 (EU25 6,3) en de tevredenheid met een 7 (EU 6,9). Uit Eurobarometer 273/ wave 66.3 TNS opinion & social bleek dat Belgen onderwijs gematigd belangrijk vinden. Het aandeel van hen dat het eind 2006 tot de 3 grootste punten van zorg rekende lag boven het EU25 gemiddelde (19 om 13%), maar het deel dat het koos bij de top3 van zorgpunten voor de komende generatie lag daar iets onder (15% om 18%). Van de Belgen rekende toen 63% (EU 62%) goed onderwijs tot de 2 beste manieren om verder te komen in het leven.
|