|
Bestaansmiddelen en buitenlandse handel
In 2007 was van de economisch actieve Belgen 73,8% bezig in de dienstensector (EU27 66,7%); 24,4% in de industrie (EU 27.7%) en 1,9% in de landbouw (laagste EU na Luxemburg, EU 5,6%). Tussen juli 2007 en juni 2008 daalde het aandeel geregistreerde werklozen binnen deze categorieën van 7,3 naar 6,8% (EU 6,8% in 2008). Belangrijkste industrie volgens het CIA worldfactbook: technische en metaalproducten, assemblage motorvoertuigen, transportuitrusting, voeding en genotsmiddelen, chemicaliën, basismetalen, textiel, glas, petroleum . Belangrijkste landbouwproducten: suikerbieten, verse groenten, fruit, graan, tabak; rund, kalf en varkensvlees; melk. Voornaamste invoer 2007 (totale waarde volgens Eurostat: €301,5 miljard; +7,1% t.o.v 2006): machines en transportmiddelen 25% (+9,5%; auto's en auto-onderdelen; machines %), chemische producten 24% (+8%), olie en aardgas 11,5% (-11,8%), voeding en genotsmiddelen 7% (+6%). Grootste invoerpartners 2007 (bron NIS onder buitenlandse handel/ Ecodata): Eu 71% (Duitsland 18%, Nederland 18%, Frankrijk 11%, VK 6%, Ierland 5%; Italië 4%); Azië 13% (China 4%, Japan 2,5%); Amerika 8% (VS 5,5%). Uitvoer 2007 (totale waarde €314,3 miljard; +7%): chemicaliën 29% (+9,7%), machines en transportmiddelen 24% (+6%), voeding en genotsmiddelen 8% (+9,3%), brandstoffen 6,5% (-11,5%). Uitvoerpartners 2007: EU 76,5% (Duitsland 20%, Frankrijk 17%, NL 12%, VK 8%; Italië 5,5%; Spanje 4%); Azië 8% (India 1,7%; China 1,1%, Japan 0,8%); Amerika 8% (VS 5,7%).
|
België is de grootste exporteur ter wereld van diamant, vloerbedekking en chocoladeproducten.
|
infrastructuur
Infrastructuur (NIS/ CIA worldfactbook): 27 vliegvelden met verharde landingsbanen, waarvan 5 met passagiersvervoer in 2007; 3374 km spoorweg in 2006 (3002 km geëlektrificeerd); 152.256 km landweg in 2005 (1763 km snelweg; 33.000 km onverhard) en 1516 km waterweg, bevaarbaar voor schepen boven 250 ton. Belangrijkste vaarwegen: Schelde, Maas, kanaal van Gent naar Terneuzen en Albertkanaal. In 2007 telde de handelsvloot (meer dan 1000 ton BRT) 85 eigen schepen onder eigen vlag, 7 buitenlandse schepen onder Belgische vlag en 108 Belgische schepen onder vreemde vlag. Grootste havens: Antwerpen, Gent, Luik, Zeebrugge. Antwerpen is de 5e haven ter wereld en het belangrijkste chemiecentrum van Europa. Vrachtvervoer 2006: 713,5 miljoen ton (+2,5%), waarvan 484 miljoen ton (+3,8%; 69%) over de weg, 166 miljoen ton (-1%: 23%) over binnenwater en 62 miljoen ton (+2%: 8%) via het spoor. In 2007 werden 21 miljoen passagiers door de lucht vervoerd (+7,9%) middels 416.516 vliegbewegingen. Zaventem bij Brussel (17,9 miljoen passagiers) is de grootste internationale luchthaven. In 2007 legde men bij 206,5 miljoen treinreizen (+5% t.o.v 2006) bijna 10 miljard kilometer af (+3%). Van deze reizen bleef 93% binnen de eigen landsgrenzen met de NMBS, de Belgische NS. In 2003 werden van de 135 miljard afgelegde reizigerskilometers 111 miljard (82%) gereisd per auto, 7% per bus, tram en metro; 6,5% per trein en 4% met een touringcar. Mobiele telefoondichtheid 2006: 89% (EU27 106%), internetdichtheid 2007 huishoudens 60% (EU27 54%); bron Eurostat.
Economie 19e eeuw t/m 2003
Rond het midden van de 19e eeuw was België het eerste land op het Europese vasteland waarheen vanuit Engeland de industriële revolutie overstak. De aanwezigheid van steenkool en ijzererts vormden toen een stimulans voor de ontwikkeling van zware industrie. De huidige metaalnijverheid en de daaruit ontwikkelde vormen van bedrijvigheid zijn daarvan nog een erfenis. De belangrijkste industriegebieden zijn verschoven van Wallonië naar het noorden van Vlaanderen. Doordat de overheid in de 70er en 80er jaren veel geld pompte in noodlijdende industrieën in m.n Wallonië om de taalstrijd te dimmen liep de staatsschuld erg hoog op. Na 1993 is ze echter gaan dalen. Wel werd de werkloosheid In Wallonië en Brussel hoger dan in Vlaanderen en dat verschil bleef bestaan. Via de in 2001 ingestelde en omstreden Lambermont akkoorden probeert men bevoegdheden over te hevelen ven de federatie naar de gewesten, ondermeer m.b.t de belastingtarieven. Vanaf de 70er jaren van de 20e eeuw werd door de centrale ligging van België de dienstensector het belangrijkst in de economie. Deze sector profiteerde van de vestiging van internationale organisaties. Intussen zijn er meer dan 1100 en ze hebben veel persagentschappen en internationale coördinatiecentra meegetrokken in hun kielzog. Het aandeel van de tertiaire sector in het BNP nam tussen 1973 en 2002 toe van 42 naar 74% en in de werkgelegenheid van 45 naar 73%, terwijl het aandeel van de industrie in BNP en werkgelegenheid daalde van rond 45% naar zo'n 25%.
|
De basis van de Belgische kunststoffenindustrie is gelegd door Leo Hendrik Baekeland die het bakeliet uitvond. In 2006 lag de omzet van deze industrie op ruim €18 miljard (+7%).
|
In de afgelopen tientallen jaren hebben buitenlandse investeringen een belangrijke bijdrage geleverd aan economisch herstel en de invloed van multinationals op de economie werd groter. Ook vanwege de centrale ligging is de economie van België erg gevoelig voor internationale ontwikkelingen. Daarom was de economische recessie van na 2001 goed voelbaar in het land (zij het minder sterk dan in Nederland). De nationale luchtvaartmaatschappij, de Sabena, ging in 2001 failliet. In de vervoerssector als geheel was sprake van een dalende tendens en de vele belangrijke industrietakken die vooral exporteren kregen minder bestellingen. De beide grootste takken van nijverheid, de chemische industrie (ruim 35% industriële productie) en de autoassemblage (rond 20% industriële productie), konden zich redelijk handhaven en de omzet in de kleinhandel kon zelfs een stijgende lijn vasthouden. De daling van de werkloosheid na 2000 kwam echter deels tot stand doordat oudere langdurige werklozen vervroegd uittraden.
Economie vanaf 2004
In 2003 werd de vennootschapsbelasting verlaagd naar 34% en in 2006 feitelijk naar 25%. Ook is de inkomstenbelasting zodanig gewijzigd dat ze voor velen lager uitvalt. In 2004 behoorde het aandeel overheidsinkomsten in het BBP (bijna 50%) tot de grootste in West Europa. De NMBS (spoorwegen) en de Post zijn nog volledig in staatshanden. In 2004 werd telecombedrijf Belgacom deels geprivatiseerd. In 2008 was het bedrijf; dat de Belgische telefoon, snel internet en digitale tv domineert; voor 53% in staatshanden en winstgevend. Vanaf 2004 trad ook in België economisch herstel op. In 2006 wist men een recordaantal van 185 buitenlandse projecten aan te trekken. Daarmee werd men 5e van Europa. Ze kwamen voor bijna een kwart uit de VS en voor ruim de helft uit Europese landen en speelden zich voor 60% in Vlaanderen af.
In 2007 groeide het BBP met 2,8% (EU27 2,9%) bij een inflatie van 1,8% (EU 2,3%). De totale waarde van het BBP kwam volgens Eurostat op €331 miljard. De arbeidskosten per gewerkt uur stegen met 2,1% (EU15 3,1%; EU27 3,9%). Het begrotingstekort bedroeg 0,2% (EU27 0,9%). De overheidsschuld was licht aan het dalen en bedroeg nog 85% van het BBP (EU 59%). De werkgelegenheid groeide met 1,7% (EU 1,8%) en de arbeidsproductiviteit per werknemer lag 30% boven het EU gemiddelde (hoogste na die van Luxemburg en Ierland). Volgens NIS (het Belgische CBS) nam in 2007 de consumptie van gezinnen toe met 2,5% en die van de overheid met 2,1%. De binnenlandse vraag groeide met 2,9%. Bedrijven investeerden 5,1% meer en de overheid 5,4%. Volgens deze bron steeg de uitvoer met 4,6% en de invoer met 5%, maar daalde de netto invoer met 0,2%. Vanaf begin 2008 heeft zich door de stijgende aardolieprijzen en de hypotheekcrisis in de VS een teruggang ingezet. De inflatie stijgt sindsdien (+4,3% in het 1e kwartaal) en groeicijfers worden naar onderen bijgesteld.
Vertrouwen in de economie in 2007/2008
De Belgische economie reageert tamelijk alert maar ook gematigd op internationale ontwikkelingen. Op de door Eurostat gehanteerde ESI (Economic sentiment indicator, een uit de 5 indicatoren vertrouwen in de industrie, diensten, bouw en detailhandel en consumentenvertrouwen samengestelde index) daalde België tussen augustus 2007 en juli 2008 van 14,5% boven het gemiddelde niveau van 1990 t/m 2006 naar 1,4 % daaronder (EU van 9,4% boven dit niveau naar 10,5% eronder). Al sinds november 2007 is onder Belgische industriëlen (in de EU sinds februari 2008) het deel met negatieve verwachtingen groter dan het positief gestemde deel. In juli 2008 lag het surplus in België echter op 5,4%; lager dan in de Eu (EU27 7,5%; EU15 7,8%). In de bouwsector waren tussen augustus 07 en juli 08 in de EU het hele jaar door al meer pessimisten dan optimisten te vinden (stijging van 1,3 naar 14,3% meer), maar in de Belgische bouwwereld bestond t/m februari 2008 een licht overwicht aan optimisten en de kentering daarna verliep aarzelend (maart 08: 0,1% meer; juli 08: 3% meer pessimisten). In de Belgische detailhandel daalde de stemming na december 2007 zienderogen. Het overwicht aan pessimisten steeg hier van 5,7 naar 12,4% in april 08, waarna het zich stabiliseerde (juli 08: 12%). In de Eu begon de stemming na april 2008 pas te zakken, maar dat geschiedde in een rap tempo tot vrijwel het Belgische niveau. Qua consumentenvertrouwen groeide het overschot aan pessimisten tussen augustus 2007 en juli 2008 van 1 naar 12%, maar binnen de EU27 nam het toe van 3 naar 20%. In de Belgische dienstensector zakte het overschot aan optimisten van 33 naar 12%, terwijl het binnen de Eu27 wegsmolt van 21% naar vrijwel nihil (juli 08: 0,1%).
Economische sectoren
In 2007 was volgens Eurostat de Belgische landbouwsector verantwoordelijk voor 0,9% van het BBP (bij 3 laagste EU27) en 1,9% van de werkgelegenheid (1 na laagste EU; EU 5,3%). Tendensen m.b.t de sector zijn volgens de EVD (landenpagina België) een dalende betekenis voor de totale economie, een afnemend aantal bedrijven en een groei van de bedrijfsgrootte. Van de waarde van de productie (€ 6.8 miljard in 2005) kwam 56% op het conto van dierlijke producten (incl. visserij), 25% op dat van de tuinbouw (m.n groenteteelt, bijv witlof en spruiten) en 19% op dat van akkerbouw. De betekenis van de tuinbouw nam toe ten koste van beide andere sectoren. Tussen mei 2007 en mei 2008 werden door de prijsstijgingen op de wereldmarkt echter meer granen en maïs en minder tuinbouwgewassen verbouwd. Het aantal rund en varkenshouders daalde (met respectievelijk 4 en 6%) tezamen met het aantal runderen (-1,4%). De totale afname van landbouwbedrijven bleef echter voor het eerst in 10 jaar onder 3% (bron NIS). Het areaal aan biologische landbouwgrond groeit gestaag. Het varieert van minder dan 1% in grote delen van Vlaams België naar 2 tot 20% in het zuidoosten van het land.
In 2007 lag de bijdrage van industrie, bouw en energie aan het BBP op 24,1% (EU27 26,4%) en die aan de werkgelegenheid op 24,4% (EU 27,7%). De bijdrage van de industrie en energiesector daalde tussen 1997 en 2007 sterker dan gemiddeld in de EU (van 23,5 naar 18,9% BBP) en die van de bouw bleef rond 5% hangen (5,2% in 2007). Technologisch hoogwaardige productie lijkt voor België de toekomst te zijn m.b.t metaalbewerking, machine-industrie en elektronische apparatuur. Ook de biotechnologie komt sterk op. Hierin is m.n Wallonië met een inhaalslag bezig. Volgens een overzicht van het NIS (het Belgische CBS) waren in 2007 alle producten van de nijverheid €155 miljard waard (+12%). Daarvan kwam het grootste deel op rekening van de chemische industrie (22,4%, groei van de hele industrietak 2% t.o.v 2006). De omzet van deze industrie lag in 2006 volgens de EVD (België pagina) op €51,2 miljard (+6,6%; voor 81% vanuit Vlaanderen). Veel petrochemische industrie is gevestigd rond de havens van Antwerpen en Gent. Tot de grote spelers behoren multinationals als Air Liquide, BASF, Bayer, Fina & Total, BP, Dow Belgium, Solvay, Omega Pharma en UCB (Union Chemique de Belgique, AKZO en DSM. In 2005 legde de voeding en genotsmiddelen industrie met €31,5 miljard beslag op 13,5% van de industriële omzet. Met ruim 90.000 werknemers was het toen de 2e industriële werkgever (15% industriebanen). In 2007 bereikte men de 2e plaats qua waardeaandeel bij de nijverheidsproducten (14,5%; +10%). Vooral de conservenindustrie van groenten en fruit boerde erg goed (+18%). Bij deze industrietak spelen naast multinationals kleinere nationale bedrijven een hoofdrol, bijv als producent van één van de vele onvolprezen Belgische bieren of pralines.
De motorvoertuigen branche was in 2007 de 3e industrietak (waardeaandeel 8%: -1%; 30.000 werknemers). In 2006 produceerde men 885.000 auto's (Ford, GM, Volkswagen, Volvo), 30.000 vrachtauto's (Volvo trucks) en 1400 bussen (VDL Jonckheere; van Hool). Van al deze voertuigen werd 95% geëxporteerd. De machine en apparatenindustrie (6,7% waardeaandeel; +17%) nam in 2007 de 4e plaats in. Dit kwam voor ruim 45% op het conto van elektronica. De bijdrage aan de industriële omzet was met €8,6 miljard zo'n 4% en die aan de industrie werkgelegenheid 6% (38.000 werknemers). Tot de groten in deze tak van nijverheid behoren Caterpillar (civiele bouwkunde), Atlas Copco (hydraulisch materiaal), Picano, van de Wiele (textielmachines) en Philips. Deze industrietak werd op afstand gevolgd door de productie ven rubber en kunststof (4%; +8%; omzet 2006: €18,3 miljard; +7%, bijdrage industriële werkgelegenheid ruim 5% met 36.000 werknemers). De textielbranche (omzet €6,6 miljard in 2006) was qua grootte de 5e van de EU. De omzet kwam voor 42% uit interieurtextiel, gevolgd door technisch textiel 28% en kledingtextiel 20%. M.n kledingtextiel ondervindt concurrentie van lage lonenlanden. Hetzelfde geldt voor de metaalbewerking. Het Waalse Cockerill Sambre werd onderdeel van multinational Arcelor; in 2006 gefuseerd tot Arcelor/Mittal.
In 2007 was de Belgische dienstensector goed voor 75% van het BBP (EU27 71,7%) en 73,7% van de werkgelegenheid (EU 67%). In 2006 droeg de distributiesector (m.n de detailhandel) 11% bij aan zowel BBP als werkgelegenheid. Net als in Frankrijk liggen in België veel grote winkelcentra buiten de stad en buitenlandse bedrijven overheersen. De meeste grote Nederlandse ketens zijn in het land te vinden, maar niet bij supermarkten. Daar zijn naast Delhaize (de AH van België) en Colruyt de Franse ketens Carrefour en Cora belangrijk. In 2006 hadden de 3780 kleine winkels zonder zelfbediening (kleiner dan 400 m²; 47% van alle winkels) slechts 1,9% van de omzet in handen en de 76 hypermarkten (meer dan 2500 m²; 0,9% van het aantal winkels) haalden 13,6%. België wordt door instellingen in de zakelijke dienstverlening vaak gezien als ideale locatie voor een hoofdkantoor (Ernst & Young 2006). Daarvan staan er veel in Brussel e.o. De 5 grootste bank en verzekeringsgroepen in België zijn Fortis, Dexia, KBC, ING en Axa. De Belgische ICT sector had in 2006 een omzet van 33,2 miljard en ze leverde 102.000 banen. In 2005 droeg de toerisme en horecasector 2,8% bij aan het BBP en 3,3% aan de werkgelegenheid. Het land telde toen ruim 15.000 restaurants en ruim 19.000 cafés.
België en Nederland
In 1944 vormde de oprichting van de Benelux de aanzet tot het tot stand komen van een innige handelsrelatie met Nederland. In 2006 stak Nederland volgens de EVD voor €44,5 miljard in België (industrie €13,7 miljard, dienstensector €30,75 miljard). Qua aantal projecten (23 van de 105) was Nederland de 5e investeerder. In België hebben de gewestelijke investeringsinstanties het meeste in de melk te brokkelen. Vlaanderen ziet graag investeringen in hoogwaardige technologische industrie, de financiële markt en dienstencentra en bij de Walen ligt nadruk op industrie en logistiek. Het Brusselse agentschap voor de onderneming beschouwt de ICT, lifescience, automobiele en financiële sector als kansrijk. In 2006 was Nederland na Duitsland de 2e handelspartner van België (3e uitvoer, 2e invoerpartner). In 2007 lag op basis van Eurostat cijfers de waarde van de invoer uit Nederland rond €54 miljard en die van de uitvoer naar Nederland rond €38 miljard. Vlaanderen is daarbij de belangrijkste handelspartner. Het gewest was volgens de EVD in 2006 goed voor 75% (+12%) van de import uit en 80% (+8,5%) van de export naar Nederland. Nederland en Vlaanderen wisselen vooral minerale brandstoffen, machines, voertuigen, chemische producten, voeding en genotsmiddelen en levende dieren uit. Wallonië exporteerde in 2006 ter waarde van €2,9 miljard naar Nederland. Daarbij betrof het vooral chemicaliën, metaalproducten, voedingsmiddelen, steen, grint en cement. Met het Brusselse gewest bestond de handel over en weer vooral uit voedingsmiddelen en milieutechnologische producten.
Tot de belangrijke Nederlandse bedrijven die actief zijn in België behoren AKZO en DSM (chemie), Philips (elektronica), Frans Maas en Vos Logistics (vrachtvervoer), TNT post, Vendex KBB (detailhandel met ondermeer Blokker, Bart Smit en Hema), Randstad Uitzendbureau en alle grote Nederlandse banken (waarbij ABN onderdeel werd van het Belgische Fortis). De EVD zag in 2008 een flink aantal sectoren als kansrijk voor het Nederlandse bedrijfsleven. Daaronder vallen vervoer en logistiek en bouw (intelligente logistieke systemen; vervoer over water en spoor), duurzame energie (zonne-energie stijgt het sterkst) en milieu (België heeft een grote achterstand op een aantal gebieden), de medische sector (bijv apparatuur) en de creatieve sector.
Arbeidsmoraal, arbeid en inkomensverhoudingen
In de tabel die nu volgt worden de resultaten weergegeven van een rond 2000 gedaan onderzoek door het bureau Motivaction naar wat Belgische en Nederlandse werknemers waarderen in werksituaties De items zijn gerangschikt in volgorde van belangrijkheid voor Belgen. De tabel toont het percentage van Belgen en Nederlanders dat het item belangrijk vond. Onder het kopje "rangorde" is de plaats aangegeven in de waardehiërarchie van Nederlandse respondenten.
|
Items + rangorde voor Belgen
|
Belgen
|
Nederlanders
|
|
Percentage
|
Percentage
|
Rangorde
|
|
Loon naar prestatie
|
80
|
60
|
3
|
|
Inbreng hebben in resultaat
|
76
|
85
|
1
|
|
Bijdragen aan goed product
|
73
|
83
|
2
|
|
Mooi kantoor
|
68
|
55
|
5
|
|
Snel verdienen
|
58
|
39
|
8
|
|
Hard werken
|
50
|
45
|
7
|
|
Baas zegt wat te doen
|
43
|
15
|
9
|
|
Tutoyeren van baas
|
40
|
56
|
4
|
|
Vroeg met pensioen
|
38
|
50
|
6
|
Meer Belgen dan Nederlanders waarderen sturing van boven, loon naar prestatie, snel geld verdienen en er flink tegenaan gaan maar wel vroeg met pensioen kunnen. België kent een hoge arbeidsproductiviteit per werknemer (3e EU in 2007; wellicht is het beroemdste paardenras in België niet voor niets een werkpaard). Meer Nederlanders dan Belgen vinden het op hun beurt belangrijk dat ze de baas kunnen tutoyeren, een eigen inbreng kunnen herkennen en bijdragen aan een goed product. Het feit dat tutoyeren voor Belgen überhaupt ongebruikelijk is daargelaten (velen onder hen spreken zelfs hun levenspartner aan met u) kan geconcludeerd worden dat Belgen in werksituaties traditioneler en meer materialistisch en gezagsgetrouw zijn dan Nederlanders. In 2002 was in België 52% van de werknemers vakbondslid (Nederland 25%) en CAO's dekten 90% van de werknemers (Nederland 81%). Rond 2006 telde België volgens de Europese werknemersorganisatie Fedee 3,1 miljoen vakbondsleden op 4,4 miljoen economisch actieve Belgen (Eurostat). Daarmee zou het lidmaatschap rond 70% uitkomen; na dat in Scandinavië het hoogste binnen de EU (EU 26%). In 2002 gaven Belgen belangrijkheid van werk een gemiddeld cijfer naar EU15 maatstaven (7,5 om 7,6) en eind 2006 lag het aandeel van hen dat de stelling onderschreef dat vrije tijd belangrijker gevonden hoort te worden dan werk een fractie boven het EU25 gemiddelde (50 om 48%).
Belgische werknemers zijn vaak honkvast qua werk. In 2001 veranderden relatief weinigen van hen in de 5 jaar voor de vraagstelling van baan (21,4%, laagste EU15 na de Grieken; EU15 29%). Bij wie wel was veranderd sprongen naast degenen die dit maar 1 keer deden de Guust Flaters er uit (vaker dan 5 keer veranderd: 6,4%; EU 3,4%). Onder de job mobielen waren degenen die "sneller op het werk kunnen zijn" (18 om 12%), meer erkenning (13 om 9%) en betere betaling (38 om 35%) als reden opvoerden relatief sterk vertegenwoordigd. De baanvaste Belgen hadden nogal vaak als motief dat ze tevreden waren met het werk dat ze deden en dat ze het idee van veranderen niet leuk vonden. Het niet kunnen vinden van een baan die aan de verwachtingen voldoet en zonder succes gesolliciteerd hebben werden weinig als reden opgevoerd. Ook het aandeel Belgen dat plannen had om ander werk te zoeken was relatief klein (15%, EU 22%). Ook hier zou voor betrekkelijk velen meer erkenning een reden kunnen zijn (23 om 17%). Voor relatief weinigen vormde beter gebruik van vaardigheden en opleiding (22 om 32%), betere betaling (51 om 60%) of betere werkcondities (30 om 36%) een motief. Eind 2006 beoordeelden de Belgen dat de kans op het vinden van een gelijkwaardige baan hoger dan gemiddeld in de EU25 (65%, EU 59%).
In 2006 bedroegen de arbeidskosten per uur in België €31,58 (EU15 €25.10; NL €27,41 in 2005). Het modale bruto-inkomen in de industrie en dienstensector lag toen bij bedrijven en instellingen met 9 of meer werknemers met €37.674 p/j zo'n 7% boven het EU15 gemiddelde. Per 1/1-2008 kende België een wettelijk brutominimumloon van €1309 (NL €1335) bij een prijsniveau dat 5% (NL 3%) boven het EU25 niveau lag. Wie als werkloze van een uitkering overging op een baantje hield toen van de extra inkomsten gemiddeld 17% over (EU 25%, NL 17%). Ook bij de lage inkomens ging een relatief groot deel naar de belastingen en premies (49%, EU 40% in 2006). De inkomensverschillen zijn naar EU maatstaven vrij klein in België. In 2006 verdiende het best betaalde vijfde part van de bevolking 4,2 keer zoveel als de slechts betaalde 20% (NL 3,8 keer zoveel, EU25 4,8 keer zoveel) en 15% van de huishoudens moest rondkomen van minder dan 60% van modaal (NL 10%, EU 16%).
Arbeidsmarkt
Volgens Eurostat (labour market 1st quarter 2008/ EU LFS survey 2007) was in 2007 van de 7 miljoen Belgen tussen 15 en 65 (de beroepsbevolking) ruim 67% (4,75 miljoen) als werkende of werkzoekende actief op de arbeidsmarkt (EU27 rond 70,5%). De rest (33%; EU 29,5%) was inactief in die zin (scholier of student, huisvrouw, met vervroegd pensioen, afgekeurd, rentenier). Ruim 62% van de beroepsbevolking (4,4 miljoen) had betaald werk (los van het aantal uren p/w; EU bijna 66%). Daarbij werkten 3,7 miljoen mensen (84% van de werkenden) in loondienst en 0,7 miljoen (16%, Eu25 gemiddelde van 2005) zelfstandig. Van het werkende volksdeel had bijna 22% (0,97 miljoen; EU 18%) een deeltijdbaan; mannen 7,5%, vrouwen 40% (EU m 7,7%, v 31%). Het gemiddelde aantal gewerkte uren per persoon p/w kwam daarmee uit rond 37,5 uur (m 41u v 32,5u; EU 38u; m 41u, v 34u). In 2007 werkten in België voltijdwerkers gemiddeld 39,2 uur en deeltijdwerkers 23,8u (EU 40,5 en 20 uur). Met 323.000 werknemers met een tijdelijk contract (stagiaires, uitzendbureaus) kwam in België het aandeel (8,6%) onder het EU gemiddelde uit (14,4% van wie in loondienst werkte). Van de Belgen in loondienst had 5,1% een bijbaantje (EU27 3,7% in 2006). Tussen juli 2007 en juni 2008 daalde het aandeel geregistreerde werkzoekenden onder de actieve beroepsbevolking van 7,3 naar 6,8% (EU van 7,2 naar 6,7%). Het gedeelte langdurig werklozen daaronder (langer dan een jaar geregistreerd) bedroeg 50,4% (EU15 43,5%). Van de 15-25 jarigen stond 6,4% ingeschreven als werkzoekend (EU 6,8). Bij het deel van hen dat actief was op de arbeidsmarkt ging het echter om 18,8% (EU27 15,5%).
In 2007 werkte van de 55plussers onder de beroepsbevolking 34,4% nog (+2,4%; EU27 44,7%; +1,2%; EU streefdoel 50%). De gemiddelde leeftijd waarop men stopt met werken lag in 2005 op 60,6 jaar (EU 61,2 jaar in 2006). Eind 2006 was een relatief groot deel van de Belgen voorstander van langer dezelfde pensioenleeftijd handhaven en minder krijgen als maatregel om het pensioenstelsel betaalbaar te houden (17%: EU25 12%). Het gedeelte voorstanders van langer werken en bijdragen (23%) of meer betalen en pensioenleeftijd handhaven (33%) week weinig af van de Eu normaal. In 2007 telde België naar EU maatstaven het grootste aandeel hooggeschoolde hoofdwerkers (44,8%: EU27 38,3%) en het kleinste aandeel goed geschoolde vakmensen (19,9 om 27,4%). Die moesten dan ook vaak uit het buitenland worden gehaald. Het contingent laag opgeleide hoofdwerkers was ook iets groter dan gemiddeld in de EU (25,7 om 24,4%) en dat van degenen met eenvoudig laaggeschoold werk iets kleiner (9,5 om 9,9%). Het aandeel commerciële beroepsbeoefenaren in de dienstensector behoorde met dat in Denemarken en Zweden tot de kleinste 3 binnen de EU27 (50,5 om 55,5%) en het land telt relatief veel ambtenaren (ingewikkelde bestuursstructuur, veel internationale instellingen).
Arbeidsomstandigheden
In België lag in 2005 qua werktijden het aandeel werknemers met een 5daagse werkweek iets onder de EU25 normaal (61 om 65%). Hetzelfde geldt voor het gedeelte dat iedere werkdag eenzelfde aantal uren draaide (52 om 58%), vaste begin en eindtijden kende (58 om 60%) of in ploegendienst werkte (13 om 17%). Naar EU maatstaven hebben vrij veel Belgen weekend of avonddiensten. De tijd dat men dagelijks onderweg was van huis naar werk lag op het EU gemiddelde (41 minuten). In 2008 hadden Belgische werknemers in voltijd in principe recht op 4 weken betaald verlof. Maandelijks wordt zo'n 15% van het loon opgespaard voor vakantie (met ambtenaren salarissen ligt het anders). Het grote volksdeel dat in de dienstensector werkt tekent de arbeidsomstandigheden in België. Relatief velen deden van huis uit aan telewerk (15%, Eu 9%) of werkten op de werkplek met computers (56 om 47%) of met het internet (46 om 38%) en het aandeel dat direct contact had met klanten (63%, Eu25: 64%) lag net iets onder de EU normaal.
Qua organisatie en tempo van het werk werd het tempo naar EU maatstaven dikwijls bepaald door numerieke productie of werkdoelen (55%, EU 42%). Ook werden velen op hun werk geconfronteerd met onvoorziene taken die de werkroutine onderbreken (46%, EU 33%). Men voelde relatief vaak vrijheid om zelf de volgorde van taken (73 om 64%), de werkmethode (76 om 67%), het werktempo, werkpartners (29 om 24%) of pauzes te bepalen en het gedeelte werknemers dat vond dat het taken kon roteren of dat in een team werkte (61 om 55%) was eveneens groot naar verhouding. Relatief weinigen vonden dat ze steun van superieuren (51 om 56%) of externe steun konden krijgen wanneer ze er naar vroegen of dat ze genoeg tijd hadden om het werk gedaan te krijgen (61 om 69%). De tevredenheid over voorlichting over veranderingen in de organisatie van het werk was tamelijk wijdverbreid naar EU maatstaven (58 om 47%).
Qua kwaliteit van het werk sprong eruit dat men minder vaak dan gemiddeld binnen de EU25 te maken had met eentonig werk (31 om 43%) of complexe taken (52 om 59%). Ook het deel dat van mening was dat het zelf de werkkwaliteit kon bepalen lag iets onder de EU normaal. Het gedeelte dat vond dat werk en niveau van scholing goed overeenkwam kwamen was naar verhouding groot (61 om 53%). Daarbij valt op dat velen (41%, hoogste EU25; EU 27%) in het jaar voor de vraagstelling (2004) op kosten van de baas waren bijgeschoold. De scholingsbehoefte lag iets onder het EU gemiddelde en het deel dat van mening was dat het onder niveau werkte was tegelijkertijd relatief klein (28 om 34%). Belgische werknemers worden naar Eu maatstaven vaak gepest op hun werk (9 om 5%) en ook dreigen met fysiek geweld of daadwerkelijk fysiek geweld van collega's of anderen komt iets vaker dan gemiddeld voor (5 om 4%). Het gedeelte werknemers met klachten over ongewenste intimiteiten ligt rond de Eu normaal (2%).
Slecht bij 3 van de 16 moeilijke fysieke arbeidsomstandigheden die in 2005 door Eurofound werden onderzocht in de 25 EU landen lag het gedeelte werkende Belgen met klachten iets boven het gemeenschapsgemiddelde (contact met besmettelijk materiaal 11 om 9%, tillen en sjorren met mensen 11 om 8%, tabaksrook 20,4 om 20,1%). Opmerkelijk was dat relatief weinigen klaagden over het tillen en sjorren van niet menselijke lasten (31 om 35%). De gunstigste onderscores lagen bij klachten over repeterende bewegingen van hand of arm (52 om 62%), herrie (25 om 30%), kou (16 om 21%), fysiek pijnlijke posities (39 om 45%) en veel staan of lopen (67 om 73%). Op de 19 meegenomen werk gerelateerde gezondheidsklachten scoorden Belgische werkenden ook 3 keer iets boven het EU25 gemiddelde (maagpijn 7 om 6%, slaapstoornissen 9 om 8%, geïrriteerdheid 12 om 10%). De opvallendste onderscores lagen hier bij het deel met rugpijn (19 om 25%), hoofdpijn (11 om 15%), ademhalingsproblemen (2 om 4%) en hartklachten (1 om 2%). Het gedeelte werknemers dat zich voldoende geïnformeerd achtte over risico's voor gezondheid en veiligheid op het werk lag iets onder de EU25 normaal (79 om 83%).
Al met al waren naar Eu25 maatstaven relatief veel Belgen redelijk tot erg tevreden met hun werkomstandigheden (89% om 82%), inkomen (55 om 43%) of carrièreperspectief (35 om 31% tevreden). Zowel het gedeelte van hen dat zich in het jaar voorafgaand aan de vraagstelling ziek had gemeld (29 om 23%) als het gemiddelde aantal ziektedagen (25 om 20) was tegelijkertijd hoog naar Eu25 maatstaven (dit past in het patroon van de rijke Eu landen). Het deel van de Belgische werkenden dat minstens een uur per dag aandacht aan de kinderen gaf (42 om 28%) of tijd besteedde aan koken en huishoudelijk werk (54 om 46%) lag flink boven de Eu normaal en het aandeel dat fricties ervoer tussen werk en privé-verplichtingen lag daar tamelijk ver onder (10 om 17%). Wel werd men buiten de normale werkuren vaak over het werk gebeld of gesproken (31 om 22%). Eind 2006 behoorde het aandeel Belgen dat hun werk te veeleisend en stressvol vond tot de 3 kleinste binnen de EU27 (32%, EU25 41%).
Uitgavenpatroon voor sociale zekerheid
De overheidsuitgaven voor sociale zekerheid lagen in 2005 op 28,7% van het BBP (EU27 27,2%; bron Eurostat). Gelijkgetrokken voor koopkrachtverschillen kwamen ze pp bijna 18% boven het EU15 gemiddelde. Van het BBP werd 11,2% (EU27 12,2%) besteed aan pensioenen en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en 0,05% (veruit laagste Eu, EU 0,5%) aan ouderenzorg. Van de sociale uitgaven ging 27,1% (Eu 28,6%) naar ziektekosten; 7% (EU 7,9%) naar arbeidsongeschikten, 34,7% (EU 41,4%) naar oudedagsvoorzieningen; 10% (hoogste EU, EU 4,4%) naar nabestaanden; 7,2% (EU 8%) naar gezinnen; 12,2% (hoogste EU na Spanje; EU 6,1%) naar werklozen; 0,2% (laagste EU na Portugal; EU 2,2%) naar huisvesting en 1,6% (EU 1,3%) naar bestrijding van sociale uitsluiting.
Sociale stelsel: inleiding
Een wet op vrouwen en kinderarbeid vormde in 1889 de eerste sociale wetgeving in België, maar pas na de 2e wereldoorlog kwam, om de burger te beschermen tegen de grillen van de conjunctuur, de sociale bescherming echt van de grond. De Belgische overheidsuitgaven aan sociale uitkeringen stegen tussen 1971 en 2005 van 15 naar 28% van het BNP. Het sociale stelsel van België is naar Europese maatstaven gemiddeld qua hoogte van pensioenen, werkloosheidsuitkeringen en ouderschapsregelingen. Veel uitkeringen zijn lager dan in Nederland. Ook zijn de rechten op voorzieningen meer gericht op het handhaven van bestaande zekerheden dan op het verkleinen van inkomensongelijkheid en ze zijn sterker verbonden met het type beroep/ levenssituatie. Zo gelden voor alleenstaanden andere regels over de duur van uitkeringen dan voor gezinsverbanden en bij de laatste groep moeten er boterbriefjes in het geding zijn (samenwonen telt dus niet). België kent een stelsel van sociale zekerheid voor werknemers (met de RSZ als overkoepelende instantie), zelfstandigen (RSVZ) en ambtenaren (RSZPPO).
Ruim 70% van de sociale zekerheid wordt betaald uit premies van werkgevers en werknemers en de rest uit belastinggeld. In 2008 lag de werknemersbijdrage op 13,07%. Die van werkgeverskant bedroeg bij ambtenaren (de overheden) 16,47% en bij anderen in loondienst 24,77%. De bijdrage van de federale overheid lag op €5,5 miljard. Van alle stelsels wordt ook een deel betaald uit BTW bijdragen. De bijdrage van zelfstandigen hangt af van de hoogte van het netto inkomen. Bij een inkomen boven €72.675 p/j viel ze weg en moest men zich particulier verzekeren. Veel uitkeringen zijn niet gekoppeld aan het laatstverdiende loon, maar aan het gemiddelde arbeidsinkomen over een lange periode. Ze kennen meestal een minimum en een maximum en worden ieder jaar aangepast aan de prijsindex. Men kent onder en bovengrenzen voor premieheffing. Bij lage inkomens is de heffing relatief laag en kennen de bijdragen voor de kosten van zorg een limiet. Om bij arbeidsongeschiktheid, ziekte of zwangerschap in aanmerking te komen voor een uitkering moet men minimaal een half jaar premie hebben afgedragen en niet teveel verdienen (minder dan €107 p/d in 2006).
Voorzieningen bij ouderdom, arbeidsongeschiktheid en overlijden
In 2008 lag de officiële leeftijd die recht geeft op een rustpensioen voor vrouwen op 64 en voor mannen op 65 jaar, maar ze zal in 2009 gelijkgetrokken zijn op 65. Men kan vanaf het 60e tegen een gereduceerd bedrag (5% per jaar minder) met de Vut. Wie in 2006 minder dan €14.811 verdiende hoefde geen pensioenpremie te betalen en wie in 2007 in loondienst meer dan €44.995 verdiende moest zich particulier verzekeren (vrijwillige pensioen verzekering). In België kent men daarnaast de begrippen wettelijk pensioen (een soort AOW) en aanvullend pensioen (via CAO's). In 2006 lag het minimum volpensioen (45 premiejaren; incl. vakantietoeslag) voor een alleenstaande op €10.717 en voor een paar op €13.374 p/j. Voor het overige lag een volpensioen voor een alleenstaande op 60% van de gemiddelde verdiensten tijdens het leven en voor een paar op 75% daarvan. Een onvolledig pensioen bedroeg (via een middelentoets) minimaal €686 p/m voor een alleenstaande en €457 pp voor een paar.
De invaliditeitsuitkering (na een jaar ziektewet) bestaat uit een daggeld op basis van 60% van het dagloon voor volledig afgekeurden. Afhankelijk van de leefomstandigheden lag het minimum in 2006 tussen €28 tot €40 en het maximum in 2008 rond €68 pp. Bij arbeidsongevallen was de tijdelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering 90% van het laatstverdiende loon en daarna 100 tot 108% voor volledig afgekeurden; in 2008 tot maximaal €35.100 p/j. Het directe overlevingspensioen voor overlevers van 44+ bedroeg 80% van het pensioen waar de overledene recht op had wanneer deze slechts volledig arbeidsongeschikt zou zijn geworden en ze mag het eigen pensioenrecht van de nabestaande met hooguit 10% overstijgen. Bij hertrouwen vervalt de uitkering. Bij overlijden door een arbeidsongeval bestaat ook een klein wezenpensioentje. Men kent een begrafenisvergoeding ter hoogte van een maandinkomen van de overledene.
Voorzieningen bij ziekte en werkloosheid
De ziekte-uitkering (maximaal een jaar) heet in België primaire arbeidsongeschiktheid uitkering. Ze lag in 2008 op 60% van het laatstverdiende loon gedurende de 1e maand en daarna op 55% voor niet kostwinners. Ze werd uitgekeerd als daggeld met een maximum rond €68. Zelfstandigen kregen in de 1e maand niks en daarna €29 (indien samenwonend) tot €42 (gezinshoofd). Zieke federale ambtenaren zijn beter af. Ze bouwen een ziektekrediet op van 21 dagen ziekteverlof per jaar tot een maximum van 63 dagen. Wanneer ze zich ziek melden krijgen ze 100% van hun wedde p/d. Als ze hun krediet hebben opgebruikt vallen ze terug op 60%.
De periode waarin men verzekerd gewerkt moet hebben om bij ontslag voor een uitkering in aanmerking te komen loopt op met de leeftijd van een jaar gedurende 1,5 jaar verzekerd zijn voor 36minners naar 2 jaar gewerkt gedurende 3 jaar verzekerd zijn voor 50plussers. De hoogte hangt af van de levensomstandigheden en van de duur van de werkloosheid. De basis werkloosheidsuitkering lag in 2008 op 40% van het gemiddelde loon. Met de gebruikelijke toeslagen kwam dat neer op 60% van het loon voor 1 jaar tot maximaal €70,48 p/d. De verdere duur hing af van arbeidsverleden, leeftijd en leefsituatie. Voor wie buiten deze regeling viel en werkloos was bestond een soort bijstand die afhankelijk van leeftijd, leefsituatie en gewest in 2006 varieerde van €242 tot €872 p/m. Ook bij deze regelingen geldt registratie en sollicitatieplicht. Het sociale beleid is gericht op zaken als het creëren van banen en vergroten van arbeidsgeschiktheid voor jonge en langdurige werklozen en op training in budgetbeheer voor risicohuishoudens. Alleenstaande 55plussers die werkloos worden, worden niet al te veel meer lastig gevallen en krijgen 60% van hun laatstverdiende loon.
Moederschapsbescherming en gezinsbijslagen
Voor loondienstige vrouwen die gaan bevallen kent de Belgische wetgever maximaal 6 weken voorbevallingsrust (waarvan 1 week verplicht) en 9 weken nabevallingsrust bij wijze van moederschapsbescherming. Tijdens de eerste 30 kalenderdagen van deze periode lag de uitkering in 2008 op 82% van het laatstverdiende loon en bij niet loondienstige vrouwen iets onder €55 p/d. Voor de rest van de periode bedroeg ze 75% met een maximum van €68 p/d en bij niet loondienstige vrouwen rond €50 p/d. Voor de vader bestaat 10 dagen betaald verlof, waarvan 3 dagen volledig betaald en 7 dagen tegen 82%. De gezinsbijslagen in België zijn naar goed rooms gebruik het bijbelse credo "gaat heen en vermenigvuldigt u" indachtig. Zo kent men naast kraamgeld, kinderbijslag, wezenbijslag en adoptiepremies aanvullende vergoedingen voor laagbetaalden, kinderen onder 3j, schoolgaande kinderen en ouders van gehandicapte kinderen. Ook is er een uitkering voor alleenstaande ouders met woontoeslag. Per 1-1-2008 bedroegen het kraamgeld en de adoptiepremie €1086 voor een 1e kind (bij een meerling het meervoudige) en €817 voor een volgend kind. In 2008 lag de alleenstaande ouder uitkering API (Allocation Parent Isolé) op €707 p/m voor een ouder met één kind, vermeerderd met €177 per volgend kind. Voor niet werkende alleenstaande ouders bestaat daarnaast een leefloon van €418 p/m (RMI) voor een alleenstaande ouder (voor een gehuwd paar €627) + een toeslag van €167 per kind. De tegemoetkoming voor aanvang schooljaar was voor 2008 gesteld op €258. De woontoeslag (allocation d'aide au logement) bedroeg €300 p/m en de toeslag voor kinderen onder 3j APJE (Allocation Pour Jeune Enfant) €162 p/m. Tot aan het 3e kind wordt voor ieder volgend kind meer kinderbijslag betaald (€80 voor een 1e kind en €221 p/m vanaf een 3e kind in 2008 met een sociaal en een leeftijdssupplement voor lage inkomens). Ze geldt voor kinderen tot 18 (voor gehandicapten tot 21; in een onderwijs/ leersituatie tot 25).
Tevredenheid met het sociale stelsel
Het volksdeel dat weinig tot geen vertrouwen had in het staatspensioenstelsel (32%; EU25 54%) en het sociale zekerheidsstelsel (18%; EU 45%) lag in 2003 flink onder het EU gemiddelde. In dat jaar beoordeelden de Belgen op een schaal van 1 naar 10 (uitmuntend) hun pensioenstelsel met een 6,7 (EU15 5,3) en hun sociale zekerheidsstelsel met een 7,1 (EU15 6,2). Eind 2006 leken de Belgen het meest tevreden met hun sociale stelsel van alle EU25 volken. Het volksdeel dat vond dat het stelsel voldoende dekking biedt was het op 2 na hoogste binnen de Eu (72 om 51%) evenals het deel dat vond dat het andere landen ten voorbeeld zou kunnen dienen (70 om 42%). Het contingent dat het stelsel te duur vond lag wel wat boven de EU normaal (57 om 53%).
|