Home arrow België arrow Bevolking arrow Bevolking, familie en emancipatiezaken en welzijnsaspecten
Bevolking, familie en emancipatiezaken en welzijnsaspecten

 

Demografische gegevens: inwoners en etniciteit

Per 1-1-2008 telde België volgens Eurostat 10.67 miljoen inwoners; 0.7% meer dan een jaar eerder. Daarvan woonde volgens NIS 57,7% in het Vlaamse gewest, 32,6% in het Waals gewest en 9,7% in het Brussels gewest. Van de totale bevolking werd 8,8% tot de vreemde bevolking gerekend (932.000 mensen); Vlaams gewest 5,4%: Waals gewest 9,2%; Brussels gewest 27,6%. Etnische opbouw per 1-1-2005 (NIS: bevolking/ vreemdelingen onder publicaties): 3% van gemengde en 8,7% (871.000 inwoners) van buitenlandse komaf. De meesten met buitenlandse wortels kwamen uit de EU25 landen (591.000; bijna 70%). 8% (71.000) kwam uit de rest van Europa en 14,5% (127.000) van buiten Europa. In april 2006 telde de dienst vreemdelingenzaken van de FOD binnenlandse zaken ruim 1 miljoen vreemdelingen; waaronder 176.000 Italianen, 123.00 Fransen, 113.000 Nederlanders, 81.000 Marokkanen, 43.000 Spanjaarden, 43.000 Turken, 38.000 Duitsers, 28.500 Portugezen, 26.000 Britten, 21.000 (voormalig Belgisch) Kongolezen, 19.600 Polen, 16.400 Serviërs, 12.000 Russen, 12.000 VS Amerikanen en ruim 10.000 Roemenen. Het deel van de Belgen dat integratie van minderheden in hun cultuur erg belangrijk vond was begin 2005 vrij klein naar EU maatstaven (33 om 37%). Najaar 2006 onderschreef 40% van de Belgen de stelling dat immigranten veel bijdragen aan hun land (EU gemiddelde). De doorsnee waardering van immigranten lag toen iets onder het EU25 gemiddelde (1,99 om 2,02 bij een schaal van 2,33 naar 1,52). In november 2007 was het volksdeel dat voor de eigen identiteit koos en weinig heil zag in interculturele dialoog het grootste binnen de Eu27 na dat in Bulgarije (22%: EU 13%). Het gedeelte dat koos voor opofferen van de eigen wortels ten bate van de diversiteit was echter ook groter dan gemiddeld in de EU (30 om 25%) en het deel dat de kool en de geit wilde sparen lag flink onder het Eu gemiddelde (39%, EU 55%). Angst voor vreemdelingen komt het meest voor in het Vlaamse gewest.

 

De 6 dimensies tellende Migrant Integration Policy Index (MIPI: zie op culturescope.ca onder citizenship & identity) meet de immigrantvriendelijkheid in 28 landen. Ondanks het relatief grote volksdeel dat geen heil ziet in interculturele dialoog neemt België op deze lijst met een totaalgemiddelde van 69 een 3e positie in net boven Nederland. België en Nederland staan nog boven het immigrantenland Canada (5e samen met Finland). De tabel hieronder geeft nadere info over positie en scores bij de 6 dimensies onder de 28 landen (incl. de EU25) in 2007. Bij * betreft het een met meer landen gedeelde plek.

 

Dimensie

België

Nederland

Eu25

 

Score

Plek

Score

Plek

Score

Toegang arbeidsmarkt

75

6*

70

9*

56

Gezinshereniging

61

12*

59

16

57

Langdurig verblijf

74

2

66

10

59

Politieke deelname

57

9

80

5

56

Naturalisatie

71

1*

51

8

43

Antidiscriminatie

75

9*

81

5*

58

 

 

Bij langdurig verblijf gaat het om de invloed van de lengte van het verblijf op de status van de vreemdeling. Onder naturalisatie valt naast voorwaarden voor ook de zekerheid over de status en het wel of niet toegestaan zijn van een dubbele nationaliteit.

 

Overige demografische gegevens

Levensverwachting 2006: 79,5 jaar (mannen 76,6; vrouwen 82,3). Leeftijdsklassen 2007: jonger dan 15 jaar 17% (EU27 15,8%), ouder dan 65j: 17,1% (EU 16,9%). Een Belgische vrouw kreeg tij­dens haar leven gemiddeld 1,65 kind en de bevolking groeide met 0,1%. Opbouw huishou­dens 2005 (exclusief instellingen als gevangenissen en inrichtingen): 33% alleenwonenden (mannen 15,3%, vrouwen 17,7%); 13,1% éénoudergezinnen (9,5% moeders; 3,6% vaders), 21,4% gehuwd zonder kinderen, 26,2% gehuwd met kinderen, 5,1% samenwonenden; 0,8% meer generatiegezinnen en leefgemeenschappen). In het Brusselse gewest bestaat de helft van de huishoudens uit alleenwonenden. Geboortecijfer 2007: 11,4 per 1000 inwoners (EU 10,6/1000); aandeel buitenechtelijke geboorten: 38,9% (EU27 32,8%), huwelijkscijfer 4,3/1000 (EU15 4,45/1000 in 2006), echtscheidingscijfer 2007: 2,9/1000 (EU 1,9/1000 in 2005).

 

Vlamingen en Walen

Het bestaan van 2 grote taalgroepen met naast gedeelde veel eigen cultuurkenmerken is typerend voor België. Vlaanderen is het meest welvarend. Mee daardoor zijn opper­vlakkige, materialistisch georiënteerde cultuurgroepen die veel waarde hechten aan vrije tijd, ontspanning en vermaak er relatief sterk vertegenwoordigd. Meer Vlamingen dan Walen hebben werk. Als groep gaan Vlamingen dan ook planmatiger om met hun tijd en ze zijn meer gemotiveerd om zelf hun leven vorm te geven. Door de grotere tijdsdruk die ze voelen hebben ze ook sterker de drang om af en toe gas terug te nemen. Vlaanderen is meer dan Wallonië een moderne individualistische Noordwest-Eu­ropese consumptiemaatschappij waar het gemak de mens dient, maar men is tegelijker­tijd wat argwanender ten opzichte van wat anders is dan gewoon. Walen zijn door de bank genomen meer Bourgondisch en meer traditioneel dan Vlamingen (zo demonstreerden in 2005 bijv Walen tegen een wetsvoorstel voor kinderadoptie door homostellen). Ze bouwen bijv. traditioneler qua samenlevingsstructuur en zijn meer doe-het-zelvers. Cultuurgroepen die waarden als discipline, soberheid, orde en loyaliteit, familiegeluk en traditionele gezinsrollen hoog in het vaandel hebben zijn in Wallonië sterker vertegenwoordigd dan in Vlaanderen (dit sluit enigszins aan bij het Zuid-Europese cultuurpatroon). M.n in Wallonië (hoewel ook in de rest van België) duiken regelmatig berichten op over incest en kinderporno en het in de doofpot stoppen daarvan. De Waalse Dutroux affaire is het bekendste voorbeeld. Ook zijn de Walen meer betrokken bij maatschappij en milieu. Ze maken zich vaker dan Vlamingen zorgen over de gevolgen van doorgeschoten individualisme en staan meer open voor wat onbe­kend en nieuw is. Extreem rechts heeft in Wallonië veel minder aanhang dan in Vlaande­ren. De grotere en vroege toevoer van Mediterrane gastarbeiders en de ruim 2 keer zo hoge werkloosheid in Wallonië hebben beide bijgedragen aan deze verschillen.

 

Als experiment begon de Waalse publieke zender RTBF op woensdagavond 13 december 2006 een ingelaste uitzending met de mededeling dat België uiteen was gevallen omdat Vlaanderen zich onafhankelijk had verklaard en dat koning Albert het land had verlaten. De uitzending veroorzaakte grote consternatie en veel mensen trapten erin. Dit lijkt aan te tonen dat de opsplitsing van België een minder absurde gedachte is dan velen voor mogelijk houden. Ook in 2008 waren in verband met de moeilijke politieke situatie stemmen voor opsplitsing weer regelmatig te horen.

 

Demografische ontwikkelingen

Net als in de meeste Noord en west Europese landen voltrekt zich in België een proces van individualisering. Veel hieronder geschetste gevolgen daarvan vormen niet bij iedereen in het land een populair gespreksthema; zeker niet wanneer het persoonlijk wordt. In 1996 vond bijv 55% van de Belgen (EU 51%, NL 33%) dat we beter af zouden zijn als we weer op de traditionele manier gaan leven. Vaak doorzien Nederlanders niet dat een vlotte presentatie bij Belgen dikwijls sterk verweven is met de behoefte om een nette en traditioneel aanvaardbare indruk te maken. Tussen 1991 en 2007 ging het aandeel huishoudens van alleenstaanden volgens de NIS cijfers omtrent private huishoudens met 5% omhoog en in 2007 was in exact 1 van de 3 gevallen sprake van een eenpersoonshuishouding. Tus­sen 1991 en 2005 steeg het aandeel huishoudens van ongehuwden van 40,5 naar 51,6%, inclusief dat van éénoudergezinnen (van 9,1 naar 13,1%) en de bijdrage van huishoudens van gehuwden zakte van 58,6% naar 47,6%. Tussen 1996 en 2002 daalde volgens Eurostat het huwelijkscijfer in België van 5,0 naar 4,0 per 1000 inwoners. Het was toen het laagste binnen de EU15. Daarna steeg het weer naar 4,3 per 1000 in 2007 (2 na laagste EU15). Het echtscheidingscijfer fluctueerde intussen rond 2,8/1000 en het bleef bij de top3 van de EU15 horen. Door het dalende huwelijkscijfer lag het in 1996 op 57% en in 2007 op 63% van het aantal huwelijken (EU 41% in 2005). Tussen 1993 en 2003 ging de gemiddelde leeftijd bij een 1e huwelijk omhoog van 26,2 naar 28,3 jaar. Sinds 2000 bestaat het samenwoningcon­tract, maar In België komt concubinaat (zoals het daar heet) minder voor dan in Nederland.

 

Het aandeel eenoudergezinnen ligt, mede dank zij de gunstige sociale voorzieningen,  ruim 2 keer zo hoog als in Nederland en tussen 1996 en 2007 steeg het gedeelte buitenechtelijk geboren kin­deren (in België betiteld als onwettige kinderen) van 19 naar 39% (Wallonië hoger, EU 33%, NL 40% in 2007). In 2001 ge­bruikten 3 op de 4 vrouwen tussen 15 en 49 een voorbehoedsmiddel. Bij de helft ging het om de pil en 12% was gesteriliseerd. Tussen 1993 en 2001 ging het jaar­lijkse aantal abortussen van 13.500 naar 16.200, maar de abortuscij­fers behoren met die van Nederland en Duitsland tot de laagste van de EU15. Sinds 1990 kent men een abortuswet en sinds 2002 wordt abortus vergoed door het ziekenfonds. In België kreeg een vrouw in 2007 gemiddeld 1,65 kinderen (EU 1,5). In 2001 was 1% van de nieuwe moeders tiener (rond EU normaal).

 

Leefsituatie van de jongere generatie

Kinderen gaan in België naar EU25 maatstaven tamelijk jong de deur van hun ouderlijk huis uit, vrouwen wanneer ze gemiddeld 23,5 zijn en mannen wanneer ze 25,5 jaar oud zijn (EU 24 en 27 jaar). In 2005 woonde van de 18 tot 25 jarigen 83% van de mannen en 70% van de vrouwen nog thuis (EU25 m 78% v 66%), maar bij de 25 tot 30 jarigen ging het nog om 19% van de vrouwen en 33% van de mannen (EU 28 en 42%). Bij de laatste leeftijdsgroep woonde onder degenen die de deur uit waren een iets groter deel dan gemiddeld in de EU25 alleen (v 14 om 10%, m 25 om 22%). Relatief veel vrouwen stonden te boek als alleenstaande moeder (7%; EU 5%). Een naar EU maatstaven groot deel van de groep woonde al dan niet getrouwd samen zonder kinderen (vrouwen 36 om 28%, mannen 40 om 37%). Het gedeelte dat een paar met kinderen vormde was middelgroot naar EU maatstaven (v 41 om 45%, m 32 om 30%) en het deel dat een andere woonsituatie kende erg klein (v 2 om 12%, m 3 om 11%).

 

Werk en kinderen

Tussen 2000 en 2007 groeide in België onder de bevolking tussen 15 en 65 het aandeel werkende vrouwen van 51,5 naar 55,3%, terwijl het gedeelte werkende mannen fluctueerde tussen 67 en 69%. Van het werkende volksdeel had in 2007 bijna 22% (EU 18%) een deeltijdbaan; mannen 7,5%, vrouwen 40% (EU m 7,7%, v 31%). Het gedeelte met flexibele werktijden (v 13%, m 15%) week in 2004 weinig af van het EU25 gemiddelde. In 2003 besteedden werkende moeders gemiddeld 4 uur p/d aan zorg voor hun kinderen (rond het EU25 gemiddelde), maar bij moeders zonder betaald werk lag het  flink onder die standaard (5 om 8 uur). In 2003 rapporteerden werkende ouders met kinderen onder 4 jaar 1,1 keer zo vaak moeite met het verenigen van werk en gezinstaken dan wer­kenden in andere omstandigheden (EU25 1,4 keer zo vaak). Bij vrouwen lag toen het aandeel dat tevreden was over de taakverdeling met de partner m.b.t  werk en huishouden flink boven het EU15 gemiddelde (82 om 70%) en bij mannen lag het er vrijwel op (83 om 85%). In 2003 gingen in Wallonië 33% en in Vlaanderen 81% van de 0-2 jarigen naar een vorm van formele kinderopvang. Hetzelfde gold landelijk voor bijna alle 3 tot 6 jarigen. Formeel gaan alle 4jarigen naar de kleuterschool (EU27 87%). Eind 2006 lag de tevredenheid over kinderopvang faciliteiten dichtbij boven het EU25 gemiddelde (65 om 55% tevreden) en m.b.t de aanwezigheid van scholen in de buurt scoorde men het hoogst na de Cyprioten (88% tevreden; EU 61%).

 

Waarden in de opvoeding

Zoals de onderstaande tabel laat zien vonden relatief veel Belgen in 2005 naar EU25 en Nederlandse maatstaven volharding, gehoorzaamheid en hard werken belangrijke waarden om hun kinderen bij te brengen in de opvoeding.  

 

Opvoedingswaarde

Volksdeel dat deze in 2005 erg belangrijk vond in %.

Be

NL

EU25

Tolerantie en respect voor de ander

83

90

82

Verantwoordelijkheidsgevoel

83

88

80

Volharding/ beslistheid

68

61

61

Gehoorzaamheid

63

50

56

Zuinigheid/ geen troep maken

52

36

54

Onafhankelijkheid

56

66

53

Fantasie

41

31

52

Hard werken

59

38

47

 

Emancipatie

De mening over manvrouw rolverdeling was in 1996 tamelijk traditi­oneel. Zo vonden toen 2 keer zoveel Belgen als Nederlanders (EU 25%, Be 36%, NL 18%) dat de vrouw eigenlijk achter het aanrecht thuis hoort en de man werd bijge­volg erg vaak als de voornaamste kostwinner gezien. Een vrouw mocht van veel Belgen best car­rière maken, zolang het maar niet hun eigen vrouw was. Het gevolg was dat veel wer­kende vrouwen naast hun baantje ook nog de volledige verantwoordelijkheid droegen voor het huishouden en de zorg voor de kinderen. Populaire vooroordelen over vrouwen zijn in België nogal hardnekkig. Wel beheert de vrouw traditioneel vaak de huishoudkas. Begin 2005 lag het aandeel Belgen dat vond dat ook bij baanschaarste een vrouw evenveel recht heeft op een baan dan een man wel boven het EU25 gemiddelde (92 om 86%). Eind 2006 scoorden de Belgen bij de verdeling van huishoudelijke taken gemiddeld qua emancipatie. Schoonmaken rekende 77% toen tot de taken de taken van de vrouw des huizes (EU 81%) en 9% (EU 9%) vond het een taak van de man. Bij koken lagen deze cijfers op 83 en 16% (EU 82 en 13%) en bij strijken op 87 en 8% (EU 85 en 8%).

 

Qua studie en werk steeg tussen 1999 en 2006 het aandeel vrouwelijke HO studenten sterker dan gemiddeld in de EU25 (+2,6% naar 54,7%; EU +1,9% naar 55,1%). Begin 2005 was het volksdeel dat een universitaire studie voor mannen belangrijker vond dan voor vrouwen klein naar EU25 maatstaf (12 om 17% bron Eurobarometer 225, wave 63.1). Het opleidingsni­veau van vrouwen is naar die maatstaf flink omhoog gegaan en het verschil tussen de generaties is in dit opzicht groot geworden. In 2005 was­ onder vrouwen van 50 tot 55 jaar 22% (EU 18%) HBO of universitair opgeleid en onder vrouwen tussen 30 en 35 jaar 42% (EU 30%). Het verschil in aandeel geregistreerde werklozen ten nadele van de vrouwen neemt af in België (1996 v 12,5%; m 7,4%, 2007 v 8,5%. m 6,7%). Dit wijst er op dat er meer banen voor vrou­wen bij zijn komen. Eind 2006 lag het aandeel vrouwen met banen in 6 beroepssectoren waarin veel vrouwen werken (zorg en sociaal werk, winkelpersoneel, onderwijs, overheid, administratie en horeca: 68%; EU25 60%) net als het aandeel vrouwen in de vrouwenberoepen top6 (bediening, administratie, persoonlijke verzorging, huishouding ed. 42 om 36%) boven het Eu gemiddelde. Hetzelfde gold voor gedeelte mannen in de top6 van mannenvakken (montage, bouwvak, kleine  zelfstandige, techniek ed. 30 om 26%). In dit opzicht was de manvrouw polariteit in België dus tamelijk sterk aanwezig naar EU maatstaven. Het verschil in beloning van de geslachten bij gelijksoortig werk (15+ uur p/w) is na 1994 flink gedaald en in 2006 behoorde het tot de kleinste binnen de Eu (7%, EU 15%).

 

Begin 2005 was het volksdeel dat mannen geschikter vond voor de politiek dan vrouwen in België een fractie kleiner dan gemiddeld in de Eu (25 om 27%). Dit vertaalde zich in een relatief klein aandeel ministers (22%, EU27 28%) en een vrij groot aandeel staatssecretarissen (35 om 27% in een 15tal EU27 landen) en parlementsleden (38%, EU27 23%) van vrouwelijke kunne. Bij dit alles gaat het uiteraard om een erg selecte groep. In 2005 lag het aandeel Belgische werknemers met een vrouw als directe superieur rond het EU25 gemiddelde (25%). Het verschil in aandeel mannen en vrouwen in hoge leidinggevende functies was echter groot naar EU maatstaven (België m 8%, v 4%; EU27 m 5%; v 3,5%). Het gedeelte vrouwen in de directie van de 50 grootste ondernemingen lag in 2006 onder het EU27 gemiddelde (6 om 10%). Ook het aandeel vrouwelijke hoogleraren hield niet over (8,5% in 2005, laagste Eu na Malta).

 

Qua homo-emancipatie werd in 2003 het homohuwe­lijk en in 2005 adoptie door homoparen wettelijk toege­staan. Rond oktober 2006 behoorde het contingent Belgen dat voorstander was van het Europees toestaan van het homohuwelijk (62 om 44%) of van kinderadoptie door zelfdesekseparen (43 om 32%) tot de grootste binnen de EU.  

 

De visie van veel gelovige Moslims op homoseksualiteit, geboorteregeling en abortus vertoont duidelijke raakvlakken met die van streng roomsen.

 

De leefsituatie van 65plussers

In 2005 deelden in België maar weinig ouderen een huishouding met hun kinderen. Onder 65-75 jarigen betrof het 9% van de vrouwen en 8% van de mannen (EU v 18%, m 20%). Bij 75plussers was het aandeel bij vrouwen echter relatief groot (25 om 18%), maar bij mannen klein (8 om 12%). Onder de 65-75 jarigen woonde 50% van de vrouwen en 71% van de mannen als paar (EU 45 en 66%) en 32% van de vrouwen (Eu 30%) en 12% van de mannen (EU 12%) woonde alleen. Bij zowel mannen als vrouwen kende zo'n 9% een andere leefsituatie (EU v 7%; m 2%). Onder 75plussers woonden relatief weinigen (40% van de vrouwen en 10% van de mannen) op zichzelf (EU25 53 en 20%) en 25% van de vrouwen en 72% van de mannen woonde nog als paar samen (EU 25% en 62%). Onder beide geslachten kende 10%  een andere leefsituatie (EU v 9% m 6%). Het aandeel 65 plussers dat rond moest komen van minder dan 60% van modaal lag iets boven de EU25 normaal (v 22% m 18%;; EU v 21%, m 16%).

 

Welzijnsaspecten

In 2004 beoordeelde 4% van de Belgen (EU25 7%) de eigen gezondheid als slecht en 83% was op een 9tal gebieden tevreden met hun leven (EU25 77%). Het vaakst was men tevreden met het huis (89%) en het minst vaak met het inko­men (69%) Na onderdak vonden de Belgen in 2002 een baan en een partner de belang­rijkste voorwaarden voor een goed leven. Begin 2005 betoonde 89% van de Belgen (EU25 82%) zich tevreden met hun leven. Het volksdeel dat meer optimistisch dan pes­si­mistisch gestemd was over de toekomst lag in 2003 met 63% op het EU gemid­delde. Naar EU maatstaven kwamen toen onder Belgen wel veel spanningen voor tussen maatschappelijke geledingen (armrijk spanningen Bel­gen 36%, EU15 31%; werkgeverwerknemer 34 om 34%, beide seksen 16 om 12%, generaties 21 om 15%; etnische groepen 60 om 46%, hoogste EU15 na Frankrijk en NL). Qua vertrou­wen in de mensheid scoorde men samen met Italië 10e en 11e  binnen de EU15. Op de CPI (de corruptieperceptieindex die de mate van corruptie meet vol­gens westerse rijke­landenmaatstaven) nam men in 2007 een 9e stek in binnen de EU15 lan­den, hetgeen het credo "zo de waard is vertrouwt hij zijn gasten" nabij komt. Het deel met  vertrouwen in de 3 politieke instellingen gemeenteraad, parlement en politieke partijen lag eind 2006 iets boven het EU27 gemiddelde. Van de Belgen vertrouwde 44% (Eu25 55%) geen enkele van de 3, 8% (EU 11%) vertrouwde 1 van de 3, 20% (EU11,5%) vertrouwde 2 van de 3 en 28% (Eu 32%) vertrouwde ze alledrie. 

 

Beoordeling levenskwaliteit in de oude en de nieuwe EU landen (EU10) en in België in 2003 op een schaal van 1 (minimaal) t/m 10 (uitmuntend)

 

EU15

EU10

België

Gezondheidszorg

6.4

5.0

7.6

Sociale dienstverlening

6.2

4.5

7.1

Staatspensioenstelsel

5.3

4.5

6.7

Onderwijsstelsel

6.3

5.8

7.2

Vertrouwen in de medemens

5.8

4.8

5.7

Tevredenheid met het leven

7.3

6.1

7.5

geluksgevoel

7.6

6.9

7.7

 

Eind 2006 waren de Belgen licht pessimistisch over de toekomst. Van hen verwachtte 34% (EU25 35%) dat hun leven beter zou worden (slechter 7 om 10%), 21% (EU 25%), dat hun financiële situatie erop vooruit zou gaan (achteruit 10 om 16%) en 18% (EU 22%) dat hun werksituatie zou verbeteren (slechter 7 om 7%). M.n pessimisme over de landelijke economie (beter 12 om 20%, slechter 48 om 34%) en werkgelegenheid (groei 12 om 22%, neergang 58 om 33%) was naar EU maatstaven echter wijdverbreid.

 

Belang van levensgebieden en punten van zorg

De navolgende tabel laat zien welk deel van de Belgen een aantal levensgebieden belangrijk vindt in vergelijking met EU Europeanen en Nederlanders. De tabel is gebaseerd op opinieonderzoek van eind 2006 (bron Eurobarometer 273, wave 66.3).

 

 

Levensgebied

Deel dat het koos als belangrijk (%)

 

EU25

België

NL

Werk

84

84

81

Gezin/familie

97

96

89

Vrienden

95

93

96

Vrije tijd

90

88

95

Politiek

43

42

68

Religie

52

41

40

Helpen/vrijwilligerswerk

79

80

85

Gezondheid

99

98

99

 

De navolgende tabel biedt vanuit dezelfde bron informatie over het volksdeel dat de onderstaande zaken rangschikte onder de 3 grootste en de 3 kleinste punten van zorg (de top3 zijn vetgedrukt en de laagst scorende 3 zijn gearceerd).

 

Punt van zorg

Deel dat het koos bij top 3 (%)

 

EU25

België

NL

Pensioenen

30

26

10

Immigratie

14

11

8

Gezondheidszorg

26

27

30

Terrorisme

25

13

24

Integratie buitenlanders

8

14

23

Hulp verlenen

7

11

28

Kosten levensonderhoud

35

35

19

Economische groei

7

14

3

Ouderenzorg

13

14

25

Gehandicaptenzorg

4

4

6

Werkloosheid

36

34

5

Misdaad

26

19

31

Kloof arm-rijk

17

16

25

Vervoer

2

3

4

Onderwijs

13

19

18

Milieu

13

18

24

Globalisering

4

6

3

 
Volgende >
Internet Solutions by IT Elements