Onderverdeling
Zweden kan landschappelijk worden onderverdeeld in 3 gebieden. Norrland, het noordelijke gedeelte, beslaat zo'n tweederde van het landoppervlak. Het aan Noorwegen grenzende westen van Norrland is bergachtig; met in het uiterste noordwesten de hoogste top van Zweden, de Kebnakaise (2111 m). Op het langzaam aflopende land direct achter de bergen bestaat een toendralandschap op plaatsen waar de grond permanent bevroren is. Voor het overige zijn er in Norrland rivieren, meren en eindeloze wouden. In het uiterste noorden overheersen berken en naar het zuiden toe komt steeds meer naaldbos. Ten zuiden van Norrland ligt Svealand met de hoofdstad Stockholm. Ook rondom Stockholm overheersen meren, naald en berkenbossen. Door de bank genomen is het landschap van dit deel van Zweden opener en vriendelijker dan dat van Norrland. Op een glooiend oppervlak worden akkers en weiden al duizenden jaren lang afgewisseld door bossen, meren en moerassen. Het meest zuidelijke tiende part van Zweden heet Götaland met Schonen (Skåne op zijn Zweeds) als meest zuidelijke punt. Ook hier wisselen landbouwgrond, meren en bossen elkaar af. Op arme rotsige grond staan hier naaldbomen en op vruchtbare gronden zijn beuken en eikenbossen. In het noorden van Götaland liggen 2 grote meren; het Vänern (het op 2 na grootste meer van Europa) en het Vättern.
Landschap
Het grootste deel van het Zweedse landoppervlak (52% in 2000) is bedekt met bos, 12% bestaat uit bergen en rotsen, 11% uit moeras of toendra, 9% uit meren en rivieren, 7% is landbouwgrond; op 7% groeien struiken, wilde grassen en kruiden en 2% wordt ingenomen door wegen, bebouwing, privé-terreintjes en tuinen. In 2003 viel 7,3% van het landoppervlak (Europa 8,4%) onder beschermde natuurgebieden. De Zweedse oostkust is op veel plaatsen rotsachtig met inhammen en eilandjes en de zuidwestkust is wat vaker vlak met hier en daar zandstranden. Vanaf Göteborg in de richting van Noorwegen bestaat echter een erg rotsachtige kust met veel eilandjes en diep het land ingaande inhammen. De eilanden Gotland en Öland hebben een kalkrijke bodem die de warmte goed vasthoudt. Hierdoor kunnen er plantensoorten groeien die eigenlijk in warmere streken thuishoren zoals moerbei, walnoot en perzik. Ook zijn deze eilanden erg rijk aan orchideeën. Hier en in de rest van Zweden is gedurende de (voor)zomer de grond op veel plaatsen kleurig bezaaid met veldbloemen. Er zijn in het land veel moerassen en rivieren. Van de meer dan 100.000 meren en meertjes zijn er maar 22 groter zijn dan 100 km². Op de toendra groeien lage planten als mossen (bijv. rendiermos), kruipwilgen, dwergberken en bessenstruiken. In de (na)zomer is Zweden een luilekkerland voor liefhebbers van bosvruchten en paddestoelen. Struiken met veel soorten kleinfruit komen dan op de toendra en in de bossen veelvuldig voor en tijdens regenrijke periodes komen in het bos talloze cantharellen en boleten op.
Dierenwereld en natuurlijke hulpbronnen
Opvallende diersoorten in het uiterste noorden zijn de rendieren die door de Lappen worden gehoed, sneeuwhoenders, poolvossen en lemmingen en wat meer naar het zuiden toe de zeldzamere veelvraten, wolven, beren en lynxen. Elanden (bij moerassige meren) en marterachtigen (in bossen) zijn vrij algemeen. In het land leven zo'n 300 vogelsoorten, waaronder veel roofvogelsoorten, uilen, hoenderachtigen, waadvogels, ganzen, zwanen en eenden. Zweden is rijk aan delfstoffen. De belangrijkste natuurlijke hulpbronnen zijn ijzererts (in het noorden bij Kiruna; 88% van de EU opbrengsten in 2002), uranium (Götaland 80% Eu opbrengst; dit is echter maar een heel klein deel van de wereldproductie), goud (29% EU), lood (25% EU opbrengst), zink (19% EU), zilver (18% EU), koper (11% EU opbrengst), hout en waterkracht (40% landelijke energiebehoefte in 2005: 2e EU). Zweden was in 2003 de grootste producent van ijzererts, zilver, goud, lood en koper van de EU. Het ijzererts uit Kiruna heeft een erg hoog ijzergehalte. De eigen uraniumvoorraad wordt ondermeer gebruikt in kerncentrales (49% elektriciteitsproductie).
|
Het Latijnse classificatiesysteem van planten, dieren en mineralen dat wereldwijd wordt gebruikt is afkomstig van de Zweed Linnaeus. Zijn eigenlijke naam was Carl von Linné en hij leefde tussen 1707 en 1778.
|
|