Home arrow Spanje arrow Bevolking arrow Economie, infrastructuur, arbeid en sociale zekerheid
Economie, infrastructuur, arbeid en sociale zekerheid

 

Bestaansmiddelen en buitenlandse handel

In 2007 werkte landelijk volgens Eurostat (LFS 2007) naar EU maatstaven een gemiddeld aandeel van de Spanjaarden van 15plus in de dienstensector (66,1%: EU 66,7%); een tamelijk groot deel in de industrie (29,3 om 27.7%; waarvan de bouw 18%, ruim 2 keer het EU gemiddelde) en een relatief klein deel in de landbouw (4,5 om 5,6%). Tussen april 2008 en maart 2009 steeg het aandeel geregistreerde werklozen van 10,0 naar 17,4% (hoogste EU27 sinds april 2008, EU van 6,8 naar 8,3%). Vooral in de bouwsector en de automobielindustrie vielen vanaf najaar 2008 veel ontslagen. Belangrijke industrie: toerisme, textiel en schoeisel, voeding en dranken, metalen en metaalproducten, chemicaliën, farmaceutica, medische uitrusting, auto's, scheepsbouw, machinaal gereedschap, apparaten, keramiek. Belangrijke landbouwproducten: citrusfruit, groente, druiven, aardappelen, suikerbieten, granen, olijven, rundvlees, zuivel, varken, kip, vis. In 2007 voerde Spanje meer goederen in dan uit en het tekort op de handelsbalans lag rond €99,2 miljard; €7,6 miljard hoger dan in 2006 (+8%). Invoer van goederen 2007 (waarde volgens Eurostat: €284,1 miljard; +8% t.o.v 2006): machines/ transportmiddelen 36,4% (+5% in waarde), brandstof 15% (+3%), chemische producten 11,2% (+9%), voeding en genotsmiddelen 8,1% (+13%), grondstoffen 4,4% (+6%). Invoerpartners 2007: EU27 landen 63% (EU 64%; bron Eurostat). Duitsland 15,7%; Frankrijk 12,7%, Italië 8,4%, China 5,8%, VK 4,8%; NL 4,6% (bron CIA worldfactbook). Uitvoer goederen 2007 (waarde €184,8 miljard; +8,6%): machines/ transportmiddelen 32,7% (+6%), chemicaliën 12,5% (+11%), voeding en genotsmiddelen 12,2% (+8%), brandstof 5% (+14%), grondstoffen 3,2% (+10%). Uitvoerpartners 2007: EU27 landen 70.8% (EU 68,1%). Frankrijk 18,8%, Duitstand 10,8%; Portugal 8,6%, Italië 8,5%, VK 7,6%, VS 4,2%. 

 

Infrastructuur en vervoer

In 2006 kwam qua omzet in het vervoer 22% uit reizigers, 38% uit goederen, 34% uit aanverwante activiteiten en 6% uit de posterijen. De sector was goed voor 3% van de werkgelegenheid (740.000 banen; reizigers 25%, goederen 43%, verwante activiteiten 17%, post 15%), voor zo'n driekwart vaste banen. Goederenvervoer ging in 2006 voor 81,5% over de weg, voor 11,6% over water en voor 4,2% per spoor. De sector droeg in dat jaar 11,5% bij aan het BBP. Infrastructuur 2007: 96 vliegvelden met verharde landingsbanen. De Spaanse vliegvelden verwerkten 163,5 miljoen passagiers (+9%; 57% op internationale vluchten) en 511.000 ton vracht (+1%; bron Eurostat). Qua passagiers hadden de vliegvelden van Madrid (23,7%), Barcelona (13%), Palma de Mallorca (11,7%), de Canarische eilanden (7%) en Malaga (7%) het grootste aandeel. In 2006 beschikte Spanje over 14.975 km spoorweg (8847 km geëlektrificeerd) waarover 25 miljoen ton vracht werd vervoerd (voor 90% binnen Spanje). In 2007 lag volgens Eurostat (transport) het goederenvervoer op 24,6 miljard kilometerton (-1%) en werden er per spoor 22 miljard reizigerskilometers afgelegd (-1,5%). In 2006 telde Spanje 681.224 km verharde landweg (incl. 13.872 km snelweg). In 2007 werd daarover 241 miljard km ton vracht vervoerd (+1%). In 2004 reden per 100 inwoners 45 auto's rond met een Spaans kenteken (EU15 49; Spanje 36 in 1995). In 2008 beschikte men over 1000 km bevaarbare binnenlandse waterweg. In 2007 werden over zee 20,4 miljoen passagiers (ongeveer evenveel inschepingen als ontschepingen; 22% internationale en 20% cruisepassagiers) en 427 miljoen ton goederen vervoerd (+3%; 60% inschepingen waarvan 85% internationaal; 40% ontschepingen waarvan bijna 70% internationaal). De drukste havens qua goederen waren in 2006 Algeciras, Barcelona, Bilbao, Valencia, Tarragona,  Cartagena en Huelva en qua passagiers Algeciras, de Balearen, Tenerife, Ceuta, Barcelona en Almeria. Bij de cruisschepen scoorden Barcelona, de Balearen en Tenerife het best. In 2008 bestond de handelsvloot (meer dan 1000 ton BRT) volgens het CIA worldfactbook uit 158 eigen schepen onder eigen vlag, 26 buitenlandse schepen onder Spaanse vlag en 110 Spaanse schepen onder buitenlandse vlag. Mobiele tele­foondichtheid 2006: 106% (EU27 ook 106%). Internetdichtheid 2008 huishoudens 51% (EU27 60%), bedrijven met 10 of meer personeelsleden 95% (EU27 93%).

 

Economische achtergrond

Na de Spaanse burgeroorlog isoleerde Spanje zich onder het Franco regime van de rest van Europa en het bleef een arm en onderontwikkeld land met een kleine rijke bovenlaag en een centraal geleide economie. Vanaf 1959 zette men de grenzen open. Dit kwam de economie ten goede door meer buitenlandse investeringen, geld dat Spaanse gastar­bei­ders vanuit het buitenland naar hun familie stuurden en de opkomst van het toerisme. Doordat de economie nog niet was ingesteld op marktwerking verliep de groei echter niet evenwichtig. De welvaart bleef ongelijk verdeeld en de werkloosheid bleef hoog. Ten tijde van de beide oliecrisissen in de 70er jaren moest Spanje het vooral hebben van een ver­ouderde staalindustrie, scheepsbouw en textiel en schoeiselindustrie. In de eerste tak van industrie kwam de klad doordat de hoge olieprijzen de vraag drukten en de laatste 2 takken had steeds meer concurrentie te verduren van lage lonenlanden in zuidoost Azië. Eén en ander mondde uit in enorme overheidstekorten, inflatie, hoge werkloosheid en lage economische groei. Na 1982 slaagde de socialistische regering er in om dit tij tijdelijk te keren. Dit opende de weg naar het EU lidmaatschap dat in 1986 zijn beslag kreeg. Tussen 1986 en 1989 groeiden economie en welvaart. De buitenlandse investeringen bedroegen het dubbele van het Eu gemiddelde. Het BNP ging jaarlijks met bijna 5% om­hoog. Het kwam in 1989 uit op 76% van het EU gemiddelde en de werkloosheid daalde naar 16% in 1990. De economie raakte toen echter al oververhit. De productie kon de binnenlandse vraag niet bijhouden. Dit leidde tot een loon-prijsspiraal, inflatie, dalende buitenlandse investeringen en een toename van de werkloosheid tot 23% in 1995 (toen­malig Eu gemiddelde 10%).

 

Ontwikkelingen vanaf 2000

De conservatieve regering onder Aznar slaagde er (tot in 2001 geholpen door een gunstige wereldconjunctuur) in om via een beleid van li­beralise­ring, deregulering, privatisering, modernisering en belastinghervorming de eco­nomie uit het slop te trekken. In 2003 lag het BNP op 80% van de leidende EU econo­mieën. De werkloosheid daalde tot 11% in 2002 (EU 8%) om daarna weer iets te stijgen tot 13% in 2003. Wel lag in 2003 de economische groei met 2,4% nog boven het EU ge­middelde en de inflatie kon met 3% beheerst worden genoemd. De in 2004 aangetreden regering van de socialist Zapatero wilde de overheidsbemoeienis met het zakenleven blijven terugdrin­gen maar de arbeidsmarktregulering van hogerhand herinvoeren. Ook wilde men innovatie en industriële ontwikkeling bevorderen (zo werd vanaf 2007 de vennootschapsbelasting verlaagd) en de fraude bestrijden. In 2005 bedroeg de totale waarde van het BBP €904 miljard en het BBP per hoofd zat op 98% van het EU gemiddelde. De banengroei (m.n laag betaalde banen) lag tussen 1995 en 2005 flink boven dat gemiddelde en het begrotingstekort en de overheidsschuld over 2005 kwamen daar onder. Per gewerkt uur bewoog de arbeidsproductiviteit tussen 2003 en 2005 rond 89% van de EU25 normaal. In 2005 daalden de buitenlandse investeringen met 10% ten opzichte van 2004. Het meeste werd geïnvesteerd in de ICT (44%), in Madrid (30%) en Catalonië (17%) en door het VK (19%), Mexico, de VS, Frankrijk, Portugal en Nederland (8%). In 2004 investeerde Spanje 53% meer in het buitenland dan in 2003; m.n in de banksector (18,5 miljard), telecommunicatie, onroerend goed, handel en cementindustrie. In 2005 groeide de negatieve handelsbalans, maar er kwam een begrotingsoverschot dat nadien werd uitgebouwd. In 2006 lagen economische groei en inflatie boven het EU ge­middelde. In maart 2008 werd Zapatero herkozen voor een 2e termijn.

 

Ontwikkelingen vanaf 2007

De waarde van het BBP tegen marktprijzen (met vereffening van koopkracht) lag in 2007 op €1051 miljard en in 2008 op €1095 miljard (+4,2%: bron Eurostat). In het 3e en 4e kwartaal van 2008 zakte het t.o.v het kwartaal ervoor, maar minder dan in de EU15 (respectievelijk -0,3% om -0,4% en -1 om -1,5%). De BBP groei over heel 2007 en 2008 lag iets boven de EU27 normaal (2007 3,7 om 2,9%; 2008 1,2 om 0,9%). In 2007 bedroeg het BBP per hoofd €26.200. In 2006 lag het 4% en in 2007 5,4% boven het EU27 gemiddelde. In 2007 bedroegen volgens Eurostat de inkomsten van de overheid 41% (EU27 45%) en de uitgaven 38,8% van het BBP (EU 45,8%) en huishoudens gaven  57,2% van het BBP uit (rond EU gemiddelde). In het 2e kwartaal van 2008 bleven de private consumptie uitgaven (huishoudens en stichtingen) gelijk en in het 3e en 4e kwartaal zakten ze sneller dan gemiddelde in de EU. In het 4e kwartaal waren ze 2,7% lager dan een jaar eerder (EU15 -0,9; EU27 -0,7%). De overheid gaf in dat kwartaal 5,6% meer uit dan een jaar tevoren; een sterkere stijging dan gemiddeld in de EU (Eurolanden +1,4%; EU27 +1,8%). Tussen 1997 en 2008 lag de inflatie ieder jaar boven het Eu gemiddelde (4,1 om 3,7% in 2008; Eurolanden 3,3%). Wel vertoont de inflatie een dalende tendens, bijv door de dalende olieprijzen. Tussen maart en juni 2008 stegen de consumentenprijzen (alle items) met 2,6%, maar daarna zakten ze t/m januari 2009 met 2,9% zodat ze in februari een fractie lager uitkwamen dan een jaar eerder (EU27 +0,5% over dezelfde periode). In 2007 kende Spanje een begrotingsoverschot van 2,2% (Eurozone: tekort 0,6%, EU27 -0,9%). Het overschot veranderde, conform de trend in de Eurolanden, in de loop van 2008 in een tekort. De overheidsschuld lag in 2007 met 36% van het BBP (-3,5% t.o.v 2006) flink onder het EU gemiddelde (EU27 59%, Eurozone 66%), maar ze zal vanaf 2009 sterk oplopen. Doordat in 2007 de export iets sterker groeide dan de import (8,6 om 8%), nam het tekort op de handelsbalans licht af.

 

De bruto binnenlandse investeringen (overheid +privaat) lagen in 2008 op 29,4% van het BBP (EU27 21,3%; Eurostat). Ook het zakelijk aandeel daarin was in 2007 groot naar EU27 maatstaven (27,4 om 18,7%). De directe buitenlandse investeringen in Spanje bedroegen in 2007 €37,5 miljard, waarvan 18,1 miljard vanuit Italië en €4,6 miljard vanuit NL (NL 3e investeerder; bron EVD http://www.evd.nl/home/landen/ Spanje). In Madrid werd veruit het meeste geïnvesteerd (77%), gevolgd door Catalonië (€2,5 miljard), Valencia en Baskenland (€1,3 miljard). Volgens de EVD lagen de investeringen in de eerste 3 kwartalen van 2008 al op €33 miljard en nam NL daarvan €9,2 miljard voor rekening. De investeringen van Spanje in het buitenland stegen sterk, in 2006 met 81% t.o.v 2005 en in 2007 met 44% t.o.v 2006 naar een record van €91 miljard bruto en €74 miljard netto. De koplopers waren Nederland (29% in 2006), het VK (24%) en de VS (11%). In 2007 versterkte NL de koploperspositie en Latijns Amerika steeg toen sterk in de belangstelling. In dat jaar groeide de werkgelegenheid in Spanje nog sterker dan in de Eurolanden (3 om 1,8%), maar tussen het 1e en het 3e kwartaal van 2008 zakte het aandeel vacatures van 0,7 naar 0,6% van het aantal bezette banen (EU15 en Eurolanden: van 2,2 naar 1,9%). De werkloosheid ging tussen april 2008 en maart 2009 flink omhoog (van 10 naar 17,8%; +7,8%; Eurolanden 8,9%; +1,6%: EU27 8,3%: +1,5% in maart 2009). De regiospreiding in werkloosheid was naar EU maatstaven relatief klein (7,5% in 2007 volgens Eurostat; EU27 11,1%: Eurozone 10,8%). Wellicht vielen Ceuta en Melilla buiten deze calculatie, want daar lag ze rond 20%. In de afgelegen plattelandsregio Extramadura bedroeg ze 13%, in Andalusië 12% en in Aragón en Rioja tussen 5 en 6%. In Spanje stijgen de arbeidskosten in de marktsector al jaren sneller dan gemiddeld in de EU. In het 3e kwartaal van 2008 ging het om een toename van 6,1% ten opzichte van een jaar eerder (Eurozone +4%; EU27 +4,1%). Per gewerkt uur steeg de arbeidsproductiviteit in 2007 t.o.v 2006 met 2,6% naar 94.1% van het Eu15 gemiddelde. De kostenbaten analyse van arbeid werd in 2007, net als in de Eurozone, iets ongunstiger (-0,2%; EU27 -0,8%).

 

Onder de crisismaatregelen van de regering vanaf het 4e kwartaal van 2008 vallen een investering van €11 miljard in publieke werken, een eenmalige belastingverlaging van €400 in voor alle werknemers, 24 maatregelen ter stimulering van MKB en huizenmarkt, een toezegging van €150 miljard (15% BBP) steun aan banken en 2 jaar uitstel van betaling voor de helft van hypotheekaflossingen voor werklozen. 

 

Vertrouwen in de economie in 2008 en begin 2009

In maart 2008 was qua vertrouwen in de economie het aanvangsniveau in Spanje lager dan in de EU27, maar de daling was in het jaar nadien minder heftig, behalve onder consumenten. Op de door Eurostat gehanteerde ESI (Economic sentiment indicator); een uit de 5 indicatoren vertrouwen in de industrie, diensten, bouw en detailhandel en consumentenvertrouwen samengestelde index; zakte men tussen maart 2008 en februari 2009 met 21,7% (van 11,3% onder het gemiddelde niveau van 1990 t/m 2007 naar 33% daaronder), terwijl in de EU27 de daling groter was (42%; van 2,9% boven naar 39% onder dit normniveau). Onder de industriëlen van de Eu waren in maart 2008 een fractie meer optimisten dan pessimisten, maar in februari 2009 overtrof het pessimistisch gestemde contingent het optimistische met 37,3% (-37,6%). Onder Spaanse industriëlen groeide het surplus aan pessimisten van 9% naar 37 (-28%). In de bouwsector steeg het overwicht aan pessimisten in de EU van 8 naar 38% (-30%), maar in het Spanje ging het van 20 naar 35% (-15%). Binnen de Spaanse detailhandel steeg het surplus aan pessimisten tussen maart en september 2008 van 26 naar 33%, maar daarna zakte het weer terug naar 28,6% in februari 2009 (-4,4%). In de EU voltrok zich evenwel een daling van 1,4% meer optimisten naar 24,4% meer pessimisten (-26%). In de dienstensector veranderde in de Eu een overschot van 11% aan optimisten in een surplus aan pessimisten van 29% (-40%). In Spanje ging de daling van 11% naar 34% meer pessimisten (-23%). Qua consumenten vertrouwen ging in de EU het overschot aan pessimisten van 11 naar 32% (-21%). In Spanje was het aanvangsniveau hier echter lager en de daling groter (van 19 naar 48% meer pessimisten; -29%).

 

Rond begin 2009 was bij 2 van de 3 Spanjaarden, het vertrouwen in het bedrijfsleven gedaald (gemiddelde 9 EU landen: 66% minder vertrouwen). Het deel dat er op vertrouwde dat de zakenwereld doet wat juist is daalde t.o.v 2008 na Italië het meest in deze 9 EU landen (Spanje 40%; -9%), maar de groep met dit vertrouwen was in 5 van de 9 landen kleiner dan 40% (in NL steeg ze echter met 7% naar 62%). Ook het Spaanse volksdeel dat erop vertrouwde dat de overheid het juiste beleid voerde zakte wat (34%, -3%; NL 74%, +10%, NL hoogste + grootste stijging binnen de 9 EU landen). Hetzelfde gold voor het (wereldwijde) vertrouwen in Spaanse multinationals (50%, -4%; Nederlandse multinationals 65%, -3%; bron: Edelman trust barometer 2009).

 

Economische sectoren

Tussen 2005 en 2007 daalde de werkgelegenheid in de landbouw, bosbouw en visserij van 5,5 naar 4,5% van alle banen. De bijdrage aan het BBP zakte tussen 2005 en 2008 van 3,2 naar 2,8% (EU27 1,9% in deze periode). Rond 2007 was Spanje de grootste producent van olijfolie en de 3e wijnproducent ter wereld (bijv Sherry en Rioja) en de 4e producent van biologische voedingsmiddelen van Europa. Deze teelt wordt door de overheid gesubsidieerd en groeide in 2006 met 15%. In 2007 kwam daar nog eens 5% aan oppervlak bij zodat men eindigde op bijna een miljoen ha, verdeeld over zo'n 24.000 bedrijven (land en tuinbouw 18.250; m.n geconcentreerd in Catalonië, Aragon, Andalusië en Extramadura; veeteelt 3050, veelal in het noorden; verwerkende bedrijven 2400). Deze productie wordt voor 95% geëxporteerd. In, maar vooral ook naast de biologische landbouw vormt de glastuinbouw (tomaten en wintergroenten) een groeisector, mede door de goedkope arbeid. De groente en fruitteelt draagt thans zo'n 30% bij aan de opbrengst van de landbouw. De goedkope massaproductie van deze items (vaak met veel bestrijdingsmiddelen), die m.n in het zuidoosten van Spanje plaatsvindt, maakt de teelt concurrerend. Qua veeteelt zijn varkens (m.n in Catalonië) schapen (noorden) en kippen (m.n rond Madrid en in Extramadura) belangrijker geworden. Qua veestapel was men rond 2005 2e van de EU in aantallen varkens (na Duitsland, veel Nederlandse biggen gaan naar Spanje), schapen (na het VK) en geiten (na Griekenland). Men heeft mondiaal gezien de 2e vissersvloot na Japan en de grootste van de EU. De vloot met 14.000 bodems ving 16% van de vis binnen de EU; voor 70% diepzeevis. De meeste vissersboten hebben hun thuishaven in Galicië (m.n in Vigo). De Spanjaarden zijn (eveneens na de Japanners) met 40 kg per hoofd de 2e consument van zeevoedsel ter wereld. Ze eten er zoveel van dat de eigen vloot het niet kan vangen.

 

In 2007 leverden mijnbouw, bouw, industrie en nutsvoorzieningen 29,3% van de banen (-0,2% t.o.v 2005) op en in 2008 lag de bijdrage aan het BBP op 28,9% (-0,5% t.o.v 2005). De bijdrage van mijnbouw, industrie en energie aan het BBP daalde tussen 1997 en 2008 van 22,2 naar 17,3%. Die van de bouw steeg tussen 1997 en 2007 van 7 naar 12,3% van het BBP en de bouwsector werd de grootste van de EU. In 2006 lag in de industrie in engere zin de omzet op €417 miljard (+8,9%) en het aantal werknemers op 2,6 miljoen (-0,4%). Qua omzet (8% van het EU totaal) was Spanje 5e binnen de EU. De industriële werkgelegenheid was het grootst in Catalonië (meer dan 20%), gevolgd door Andalusië, Valencia en Madrid (15-20%). Qua omzet was de volgorde Catalonië 24%, Andalusië 11%, Valencia 10,5%; Baskenland 10,5% en Madrid 8%. Alle grote industrieën zijn in Catalonië vertegenwoordigd. In de tabel die nu komt staan de grootste takken van industrie met hun aandeel in de omzet van 2006 en in de werkgelegenheid in 2007, tezamen met de productiedaling tussen januari 2009 en januari 2008 (bron http://www.ine.es/welcoing.htm). Toelichting (*): de productiedaling in 2008 was bij voedingsmiddelen 13%, bij dranken 2% en bij tabak 18%. De daling bij de farmaceutische industrie was 3%. Bij reparatie van machines en uitrusting lag ze op 22%; verder textiel 38%, kleding 22% en schoeisel 21% daling. 

 

Industrietak

Omzet 06

Banen 07

Productie 2008

Totalen

€417 miljard

2,6 miljoen

-23,6%

Voeding/ genotsmiddelen

15,4%

14,7%

-13%*

Metalen/ metaalproducten

13,1%

17,0%

-33%

Transportuitrusting

12,0%

8,0%

-54%

Nutsbedrijven

10,0%

2,6%

-4%

Chemische industrie

8,0%

5,3%

-15%*

Olieraffinaderij

7,8%

1,5%

-5%

Minerale producten

6,2%

7,5%

-46%

Elektrisch/optisch

5,4%

5,7%

-30%

Drukkerij/uitgeverij

5.2%

7,5%

-21%

Machines en uitrusting

5,1%

7,0%

-18%*

Textiel/ kleding/schoeisel

3,6%

7.5%

-37%*

 

De totale industrieproductie zakte tussen januari 2009 en januari 2008 met 23,6% (mijnbouw -29%, steenkool echter +20%; industrie -26%). In 2008 ging de industriële omzet met 2,5% naar beneden en de industrie kreeg 4% minder nieuwe orders. De neergang van de economie in 2008 manifesteerde zich in Spanje m.n in de bouw. Er werden na 1995 te veel huizen gebouwd (zo'n 700.000 p/j; meer dan in Frankrijk, Duitsland en het VK samen). De prijzen zijn te sterk gestegen waardoor de huizen zo'n 20% overgewaardeerd raakten en de verkoop van 2e huizen aan m.n buitenlanders daalde. Zo trad in het laatste kwartaal van 2008 een kentering op, waardoor de bijdrage van de bouw aan het BBP over heel 2008 iets zakte (11,6%; -0.7%). In 2008 is de productie in de Spaanse bouwsector met 15% gekrompen (EU15 -2%) en de aan de bouw verwante industrietakken leden daar ook onder. In juni 2008 werd bijv 16% minder gebouwd dan een jaar ervoor. Uiteraard zakt daardoor de werkgelegenheid in de bouw en aanverwanten sterk. Bij de belangrijke industrietakken geldt hetzelfde voor de auto en toeleveringsindustrie. In 2006 droeg deze bijna 5% bij aan het BBP en ruim 9% aan de werkgelegenheid. In 2007 was Spanje met bijna 3 miljoen exemplaren de 8e autoproducent ter wereld en de 3e van de EU. In 2008 zakte in Spanje de verkoop van nieuwe auto's echter flink naar EU maatstaven (EU15 -26% tussen 1-09 en 1-08, Spanje -42%; bron ACEA/MCT). Deze industrie zit vooral in Noord Spanje en de productie van personenauto's is grotendeels voor de export (in 2006 voor 82%). Volkswagen heeft bijv fabrieken in Mortarell in Catalonië (Seat) en in Pamplona (Polo) en Opel in Zaragosa. In Duitsland trok de autoverkoop weer aan doordat men bij aankoop van een nieuwe auto kortingen en milieubonussen en een slooppremie voor oude auto's invoerde. Spanje overwoog begin 2009 om het laatste ook te doen.

 

De Spaanse chemische en kunststofindustrie (veel verpakkingsmateriaal) is qua productie 5e van Europa. De grootste chemiespelers zijn Repsol Quimica, Dow Chemical Iberica en Bayer Hispaña. Qua kleding, schoeisel en textielproductie staat Spanje op de 5e plek in de EU met als grote bedrijven Tempe, Coflusa, Basf Curtex, Loewe en Colomar y Munmany. Topbedrijven in de machine industrie zijn Corporación Gestamp, Grupo Antolín Irausa en Grestamp Servicios. In 2007 was Spanje de 4e staalproducent van de EU en de metaalsector is de grootste industriële werkgever. Tot de concerns behoren Acerinox, Aceralia Corporación Siderúrgica en Celsa. Qua vervoersindustrie is naast de auto-industrie de lucht en ruimtevaartindustrie belangrijk (5e EU). Ze is geconcentreerd in Madrid en kent als belangrijke spelers EADS-CASA en ITP. Qua investeringen in de spoorwegen, met het ministerie van transport en de Spaanse spoorwegmaatschappij Renfe als belangrijkste opdrachtgevers, speelt de aanleg van HSL lijnen van Madrid en Barcelona naar Frankrijk een hoofdrol. Qua omzet is de voeding en genotsmiddelenindustrie de grootste van het land. In 2007 kwam de productie voor 44% op het conto van vlees  en melkproducten en alcoholische dranken. Spaanse huishoudens gaven 33% van hun uitgaven voor voeding en genotsmiddelen uit aan vlees. Verder steeg de consumptie van wijn, aardappeldiepvries, cacaoproducten en voorverpakte producten (ten koste van vers). Grote deelnemers bij de voedingsindustrie zijn Ebro Pulva, Nestlé España, SOS Cuétara, Pescanova en Danone en bij de drankenindustrie Heineken España, Cobega, Mahou, Casbega en Refrescos Envasados del Sur. Spanje is de 3e wijnproducent ter wereld en de 3e bierproducent  in de EU.  

 

In 2007 leverde de dienstensector 66,1% van de banen op (EU 66,7%) met een relatief groot aandeel van de commerciële dienstverlening (61,5%, Eu 55%). De sector was in 2008 goed voor 68,4% van het BBP (EU 71,8%). In 2008 bedroeg het aandeel daarin van handel, vervoer en communicatie 24,5% (in 1997 26,4%; -1,9%; EU 21%: -0,3%); dat van de zakelijk financiële dienstverlening lag op 22,6% (+4,3%; EU 28,5%; +3,7%) en dat van de overige dienstverlening op 21,3% (EU 22,3%). De tabel hieronder geeft info over de omzetten en toegevoegde waarden (Toe wa) in miljarden €, aantallen werknemers (in miljoenen) en veranderingen binnen de subsectoren groot en detailhandel en reparatie (GDR), hotels en restaurants (HORE), vervoer, opslag en communicatie (VOC) en onroerend goed, verhuur en zakenactiviteiten (OVZ). Daarbij staat +/- in % voor de verandering t.o.v 2005. 

 

 

EU27 2006

Spanje 2006

GDR

HORE

VOC

OVZ

GDR

HORE

VOC

OVZ

Omzet

820

434

1742

2397

72

58

150

234

+/- in %

+7

+8

+6

+4

+6

+9

+9

+12

Toe wa

110

182

653

1202

11

25

59

102

+/- in %

+8

+9

+4

+3

+6

+8

+8

+5

Banen

31,7

9,3

12

26

3,4

1,3

1,1

2,7

+/- in %

+2

+5

+0

+7

+2

+5

+2

+9

 

Qua omzetten en werkgelegenheid in de horeca behoort Spanje to de EU top (bron European Business, 2007 edition van Eurostat). De omzet van restaurants en hotels was in 2004 bijv de 3e na het VK en Frankrijk. De groei van de Spaanse detailhandel nam in 2006 af (2000 t/m 2005 +26%; in 2006 +3%; bron EVD landensite). Vooral in de voedingsbranche doen speciaalzaken het relatief goed (2e qua toegevoegde waarde en 1e qua banen in de EU in 2004), maar het aandeel van grootwinkelbedrijven groeit. De omzet van hyper en supermarktketens lag in 2006 op €74 miljard. De top5 waren El Corte Inglés (17%; grootste in food en non-food), Mercadona (12%), Carrefour (9%), Grupo Eroski (6%) en Al Campo (3,7%). Op de elektromarkt waren Fadesa van Expert, Tien van Electronic partner en Master Cadena van EDA de grootste en Mediamarkt was sterk in opkomst. Zara is een belangrijke Spaanse keten van modewinkels. De Spaanse reparatiesector behoorde reeds in 2004 qua omzet, toegevoegde waarde en banen bij de top5 van de EU en deelsectoren ervan zullen in 2009 en wellicht daarna flink kunnen profiteren van de economische crisis. Qua financiële dienstverlening domineren de bankgroepen BBVA en BSCA (Banco Santander). De grootste spaarbanken zijn La Caixa en Caja Madrid. De ICT sector produceerde in 2006 ter waarde van €60 miljard en in 2007 bedroeg de marktwaarde €46 miljard (+5%). Transport (11,5% BBP in 2006) en toerisme (12% BBP en 13% werkgelegenheid in 2006; zie ook onder toerisme op deze website) behoren in Spanje tot de belangrijkste dienstensectoren.  

 

Spanje en Nederland

In 2007 was Nederland volgens de EVD de 6e importpartner (waarde €12,5 miljard; +10%) en de 7e exportpartner (waarde €5,9 miljard; +10%) van Spanje. De grootste items over en weer waren machines en transportmiddelen (import vanuit NL voor €4.9 miljard; +9%; export naar NL voor €1,7 miljard: +0%); landbouwproducten en voedingsmiddelen (import €1,8 miljard; +11%; export €1,3 miljard; +8%; hier nam m.n de invoer van groente en fruit en van vlees vanuit NL toe) en chemische producten (import €2,3 miljard: +10%: export €1.1 miljard: +10%). Tussen 2004 en 2007 verdubbelde de handel over en weer in aardolieproducten (import €0,44 miljard: export €1,24 miljard in 2007). In 2007 betroffen de buitenlandse investeringen in Spanje vooral de energiesector (63%) en verder financiële dienstverlening (5%), bouw (4,7%) en vastgoed en zakelijke dienstverlening (3,7%). NL was de 3e buitenlandse investeerder in Spanje (waarde €4,6 miljard), maar in de eerste 9 maanden van 2008 was dat al dubbel zoveel. In 2007 investeerde Spanje voor €23 miljard in NL; 10 keer zoveel als in 2006 en m.n in financiële dienstverlening. Daarmee haalde NL 29% van de Spaanse buitenlandse investeringen binnen; veruit het grootste aandeel. In maart 2009 werden (wellicht door de onzekere tijden) door de EVD (in overleg met de Nederlandse ambassade in Madrid) voor het Nederlandse bedrijfsleven geen kansrijke sectoren in Spanje aangegeven. Wel staat op de EVD landenwebsite (http://www.evd.nl/home/landen/ Spanje) onder economische sectoren bijv informatie over vakbeurzen in Spanje op allerlei terreinen.

 

Arbeidsmarkt en beroepssectoren

Volgens Eurostat (labour market latest trends 3rd quarter 2008 en EU LFS survey 2007) was in het 3e kwartaal van 2008 van de 31,1 inwoners van Spanje tussen 15 en 65 jaar (beroepsbevolking) 72,8% (22,8 miljoen) als werknemer of werkzoekende actief op de arbeidsmarkt (EU27 71,3%). De rest was scholier/ student, zelfstandig, huisvrouw, afgekeurd, pensionado of rentenier. Daarvan verrichten 20,2 miljoen (64,5%) betaald werk in loondienst (los van het aantal uren). Van het loondienstige volksdeel in Spanje had 11,4% (2,3 miljoen; EU 18,2%) een deeltijdbaan; 4,1% van de mannen en 21,5% van de vrouwen (EU m 7,7%, v 30,5%). Het gemiddelde aantal gewerkte uren per persoon p/w kwam daarmee op 38,9 uur (m 41,4u, v 35,3u; EU 38u; m 41,4u, v 34,1u). In 2007 werkten Spaanse voltijdwerkers gemiddeld 40,8 uur en deeltijdwerkers 19,4u (EU 40,5 en 20,2 uur). Spanje kende het grootste aandeel werknemers met een tijdelijk contract (uitzendbureaus, stagiaires etc) binnen de EU27 (3e kwartaal 2008: 29,5%; m 28%, v 32%; EU 14,2%, m 13,6%, v 15%). In 2007 had 2,6% van de werknemers een bijbaantje (525.000 in getal; +6.5%; Eu27 4,7%, +6,5%). Volgens Eurostat lag het aandeel zelfstandigen (financiële sector niet meegerekend) in 2005 op 19% (2,4 miljoen in getal; EU25: 16%). Voor 2007 kwam http://www.eurofound.europa.eu/ (eiro/annual reports) op 17,7% zelfstandigen (zzp, werkgever, familiebedrijf; EU27 16,9%). Dit was 0,2% minder dan in 2004 (EU gemiddelde qua trend).

 

In 2007 werkte van de 55plussers onder de beroepsbevolking 44.6% nog (+7,6% t.o.v 2000; EU27 44,7%; +5,8%; EU streefdoel 50%). In 2007 was de gemiddelde leeftijd waarop men stopt met werken 62,1 jaar (EU 61,2 jaar). Ze is tussen 2001 en 2007 met 0,8 jaar toegenomen (EU +1,3 jaar). Eind 2006 lag in Spanje het aandeel voorstanders van langer werken om het pensioenstelsel betaalbaar te houden boven het EU gemiddelde (26 om 22%). Het gedeelte dat pensioenleeftijd handhaven en sociale bijdragen verhogen of pensioenleeftijd handhaven en minder krijgen koos was relatief klein (respectievelijk 28 om 32% en 7 om 12%). Een gemiddeld aandeel koos voor de opties geen van de 3 (19%) of een combinatie van de 3 (6%) en het deel dat het niet wist hoorde met 14% bij de 3 grootste binnen de EU (EU25 8%).

 

Tussen april 2008 en maart 2009 steeg in Spanje het aantal geregistreerde werkzoekenden van 2,3 miljoen naar 4,1 miljoen en het aandeel in de actieve beroepsbevolking ging van 10 naar 17,4% (EU27 van 6,8 naar 8,3%). De werkloosheid onder vrouwen is in Spanje opvallend veel groter dan onder mannen. Tussen 2000 en 2007 zakte landelijk het gedeelte langdurig werklozen (langer dan een jaar) van 9,4 nar 1,7% grootste daling EU25; EU van 4 naar 3,1%). In 2007 stond van de 15-25 jarigen 18,2% (EU 15,3%) ingeschreven als werkloos, maar in 2008 lag dit op 24,6% (EU 15,5%). In 2007 telde Spanje naar EU maatstaven qua hoofdwerkers weinig hoog geschoolden (31,8 om 38,3%) en een gemiddeld aandeel laag geschoolden (24,8 om 24,4%). Qua handwerkers lag het aandeel goed geschoolden iets boven de Eu normaal (28,3 om 27,4%) en het aandeel laaggeschoolden behoorde tot de grootste binnen de EU (15,1 om 9,9%), m.n bij vrouwen (20 om 11%; bijv in horeca, detailhandel of glastuinbouw). In de dienstensector lag het gedeelte commerciële dienstverleningsberoepen boven de EU normaal (61 om 55%).

 

Arbeidsmoraal, arbeid en inkomensverhoudingen

Spanje kent grote regionale verschillen in mentaliteit en arbeidsmoraal. Grofweg is men in het noorden en op de hoogvlakte meer ingetogen, serieus en gedisciplineerd en in het zuiden meer informeel, vrolijk en toegankelijk en minder halsstarrig. Dit voorop gesteld is in Spanje als geheel het volksdeel relatief groot dat werk belangrijk vindt (87%; EU25 84%: NL 81% eind 2006) of dat de wat naïeve Amerikaanse droom onderschrijft van hard werken als manier om vooruit te komen (50%, EU 45%, NL 36%). Tegelijkertijd was het deel dat vond dat vrije tijd belangrijker gevonden hoort te worden dan werk ook groot (65%: 4e EU: EU 48%; NL 43%). In Spanje verbergt men persoonlijke tekortkomingen vaak achter een zekere trots en men uit zich het liefst in optimistische positieve zin. Meer dan in Nederland wil men de eigen plek kennen bin­nen een vaste rolverdeling. Men houdt van regelmaat, duidelijke regels en dito posities. Qua arbeidsverhoudingen worden nauwkeurige richtlijnen van superieuren gewaardeerd. Personeel hebben leidt in Spanje tot aanzien en binnen de traditie wordt personeel vaak met een zekere arrogantie behandeld. Van de weeromstuit namen ondergeschikten dan weinig eigen initiatief meer en neigden ze er toe om met minimale inspanning een acceptabel resultaat neer te zetten. Binnen de conservatieve hoge klasse en hogere middenklasse werd dit verband zelden gelegd en in Spanje wordt ook nu nog bijv veel gestaakt. Zaken en privé zijn dikwijls meer verweven dan in Nederland. Er is meer ruimte voor voorkeursbehandeling en in­vloedrijke vrienden kunnen belangrijk zijn. Men helpt bijv graag vrienden en bekenden aan een baantje. Ook benadrukt men zaken in eerste instantie vaak expres over­dreven om duidelijk te maken waar het om draait. Daarna is via nadere uitwisseling wellicht matiging en nuancering mogelijk, maar men kan zich ook laten weerhouden door persoonlijke trots. Vooral bij ouderen roept wat anders is dan ge­woon vaak wantrouwen op.

 

In 2001 vormden voor relatief weinig Spanjaarden betere werkomstandigheden (25%, Eu15 40% bron EB 54.2) of beter gebruik kunnen maken van training en vaardigheden (18%, EU 32%) een motief om van baan te willen veranderen. De groep die bijscholing belangrijk vond was naar verhouding dan ook klein. De groep die van baan verandert of van plan was dit te doen was qua grootte gemiddeld naar EU maatstaven (zo'n 30%), maar binnen die groep werd opvallend veel van baan veranderd (binnen 5 jaar 2 van de 3 vaker dan 1 keer, EU de helft). Wel deed men dan vaak vergelijkbaar werk. Ook nu nog worden in Spanje veel tijdelijke arbeidscontracten afgesloten en velen wisselen korte periodes van werkloosheid af met tijdelijke baantjes. De groep die niet van baan verandert kende in 2005 opvallend vaak vaste werktijden. In Spanje zakte tussen 1995/96 en 2005/06 het vakbond lidmaatschap naar EU maatstaven sterk (van 40 naar 20%; EU15: 40 naar 35%; bron http://www.eurofound.europa.eu/ eiro/annual reports/). Het aantal jaarlijkse stakingen e.d varieerde tussen 2003 en 2007 tussen 600 en 800 (bij 4 hoogste EU27) en het aantal verloren werkdagen per 1000 werknemers p/j tussen 40 (in 2005) en 249 (2004). Daarmee kwam men op een gemiddelde van 87 p/j (2 na hoogste EU27; EU 31 p/j. In Spanje speelden arbeidsconflicten zich het vaakst af in bouw, landbouw (2004), onderwijs, metaal, vervoer en auto-industrie. Vaak vormden CAO's onderhandelingen de aanleiding met verdiensten als belangrijk issue; maar recentelijk ook mogelijk ontslag door fusies. Het aantal werknemers dat onder een CAO viel steeg tussen 2000 en 2006 van 9,2 miljoen naar 10,5 miljoen. In de Spaanse CAO's (convenios) is ondermeer opgenomen welke contracten in een bedrijfstak mogen, hoeveel betalingen er per jaar zijn (meestal 14) en de hoogste van minimumlonen. In 2006 stegen (met inflatiecorrectie) de Spaanse CAO lonen met 1,1% (EU15 0,9%) maar in 2007 zakten ze met 1,4% (2 na grootste daling EU27; EU15 +0,4%, EU27 +2,3%).

 

In 2006 lagen de brutolonen in voltijd p/j gemiddeld iets onder €20.000. Voor laaggeschoold handwerk in de dienstverlening bedroegen ze €11.435, in kleinhandel, catering en bediening ruim €13.000 en in de agrarische sector, bouw en transport ruim €14.000. Bij geschoolde vakmensen varieerden deze lonen van ruim €15.000 (grafisch, voeding, agrarische sector, ambachten) via €17.500 (bouwvak) tot ruim €20.000 (machinebouw). Iemand met een administratief baantje verdiende ruim €17.000, een bewaker ruim €19.000 en technisch ondersteunend personeel €25.000. Een HBOer kwam net iets hoger uit (rond €26.000) en een universitair opgeleide verdiende €32.000. Een leidinggevende bij de overheid of bij een bedrijf met meer dan 10 personeelsleden kwam op ruim €60.000 (bron http://www.ine.es/jaxi/tabla.do). In Madrid, Navarra en Cataluña waren de lonen het hoogst (Madrid hoog €35.000, midden €17.500, laag €15.000) en in Extramadura, Rioja en Castilla y Leon het laagst (Extramadura €25.400, €13.600 en €11.900). De arbeidskosten per uur lagen in 2007 landelijk op €16,39 (EU15 €25,79 in 2006; NL €27,41 in 2005). Naar EU15 maatstaven stegen ze weinig; tussen 1996 en 2006 met 11% (EU15 38%; NL rond 35%). Het consumenten prijsniveau lag in 2007 op 92% van het EU27 gemiddelde (NL 103%). In 2008 bedroeg het bruto minimumloon €700 (+5% t.o.v 2007: NL €1335: +3%). Wie als alleenstaande overging van een uitkering op een laag betaald baantje hield in 2007 van de extra verdiensten gemiddeld 18% over (EU 25%, NL 19%). De inkomensverschillen zijn naar EU maatstaven groot. In 2007 verdienden de 20% hoogste inkomens 5,3 x zoveel dan de 20% laagste (EU 4,8 x zoveel; NL 4x) en 20% moest rondkomen met minder dan 60% van modaal (EU 16%; NL 10%). De inkomensverschillen waren in 2003 ook al groot. Dat vertaalde zich toen naar EU15 maatstaven bij een modale groep in armrijk spanningen (32 om 31%) en in een groot aandeel huishoudens dat moeite had om de eindjes aan elkaar te knopen (18%, hoogste EU15 na Griekenland; EU15 10%).

 

Arbeidsomstandigheden

In 2000 lag in Spanje de werkorga­nisatie qua strakheid flink boven het EU15 gemiddelde. Onder mannen was toen bij 48% van de banen (EU 35%, NL 14%) en onder vrouwen bij 47% daarvan (EU 40%, NL 25%) sprake van weinig eigen in­breng en autonomie, veel controle en een op­gelegd werktempo. In het onderzoek naar arbeidsomstandigheden van Eurofound in 2005 werd dit beeld deels bevestigd. Zo kon men bij minder banen dan gemiddeld in de Eu zelf de volgorde van taken (60 om 63%), de manier van werken (55 om 67%) of het werktempo bepalen (62 om 69%) of zelf pauzemomenten kiezen (40 om 44%). Ook kon men bij relatief weinig banen zelf de kwaliteit van het eigen werk beoordelen (64 om 73%) of taken roteren (30 om 43%) en het deel dat vond dat het voldoende werd betrokken in plannen om de werkorganisatie te veranderen was naar verhouding klein (39 om 47%). Qua werkplek viel bij deze enquête op dat minder Spanjaarden dan gemiddeld buitenshuis werken (64%, Eu 73%). Het aandeel banen waarin computers (36 om 47%) of het internet (30 om 38%) toonaangevend zijn lag ook onder het EU gemiddelde. In Spanje had men naar EU maatstaven ook niet zo vaak te maken met een direct vragende partij (klanten, leerlingen ed. 61 om 64%) en er werd naar die maatstaven erg weinig in een team gewerkt (40%, laagste EU25; EU 55%). Het werktempo hing dan ook wat minder vaak dan gemiddeld af van collega's (37 om 42%), maar wel iets vaker van een directe superieur (38 om 35%). Men kon bij wat meer banen dan gemiddeld met succes hulp vragen van collega's (70 om 67%) of een superieur (62 om 56%) of van buiten (34 om 32%). Numerieke productiedoelen bepaalden bij erg weinig banen het werktempo (25% laagste EU na Slovenië; EU 42%). Bij wat meer banen dan gemiddeld had men genoeg tijd om klussen te klaren (73 om 69%) en er waren relatief weinig banen met veel strikte deadlines (55 om 62%). Men hoefde in relatief weinig banen taken te onderbreken omdat er plotseling wat anders moest (22 om 33%). Erg weinigen vonden naar EU maatstaven hun baan complex (40%, laagste EU, EU 69%). Het gedeelte werknemers dat vond dat ze via hun werk nieuwe dingen leren lag onder het EU gemiddelde (60 om 69%) en ook het deel dat bijscholing nodig achtte was klein (8 om 13%). Relatief weinigen waren in het jaar voor de vraagstelling bijgeschoold op kosten van de baas (19 om 27%).

 

Qua werktijden is de 5 daagse werkweek modaal ingeburgerd (65%, EU25 66%) en het doorsnee aantal werkuren lag in 2005 boven het EU gemiddelde (40,3 om 38,2 uur). Er waren niet zoveel werknemers met regelmatig werkdagen van meer dan 10 uur (14 om 16%) maar wel veel banen met ploegendiensten (22 om 17%). Het routineaspect in de werktijden is opvallend aanwezig. Banen met vaste begin en eindtijden (69 om 61%), elke dag evenveel uren (71 om 58%) of elke week evenveel werkdagen (83 om 74%) en banen met minder flexibele tijdsschalen (77 om 65%) kwamen erg veel voor. Spaanse werknemers hebben minimaal recht op 30 kalenderdagen vakantie p/j. Vakantieperiodes zijn per bedrijfstak vastgelegd via CAO's. Bij vormen van betaald verlof die naast de wettelijk verplichte vakantieperiode bestaan hoort ondermeer een huwelijksverlof van 15 kalenderdagen. Ook worden maximaal 14 publieke feestdagen doorbetaald waarvan er 2 lokaal mogen zijn. Met ingang van 2007 is door de socialistische regering de wettelijke erkenning van de siësta ingetrokken om de inter­nationale concurrentiepositie te verbeteren. Hierdoor kunnen ambtenaren geen siësta meer houden.

 

Van de 24 fysiek en psychisch moeilijke werkomstandigheden die in het Eurofound onderzoek de revue passeerden kwamen er 8 naar EU maatstaven minder vaak voor dan gemiddeld. De vermeldingwaardige afwijkingen in gunstige zin werden gevormd door de 6 onderzochte manieren waarop mensen elkaar op de werkvloer het leven zuur kunnen maken (dreigen met fysiek geweld 4,7 om 6,1%; fysiek geweld van collega's 1 om 1,9% of van anderen 3,7 om 4,4%; pesten en lastig vallen 2,8 om 5,1%; ongewenste intimiteit 0.7 om 1,8% en leeftijdsdiscriminatie 0,4 om 2,7%). Onder de 16 bovenscores vormden klachten over trillingen (27 om 24%), hitte (32 om 24%); kou 29 om 21%; kwalijke dampen (15 om 11%), straling (5,7 om 4,6%), tillen en slepen met mensen (12 om 8%) of met zware lasten (41 om 35%) de noemenswaardige afwijkingen in ongunstige zin.

 

Het aandeel Spanjaarden dat de voorlichting op het werk over gezondheid en veiligheidsrisico's voldoende acht lag iets onder de Eu normaal (77 om 83%) en het contingent dat de bevinding deelt dat men via het eigen werk de gezondheid of veiligheid in de waagschaal stelt (37 om 28%) of dat het werk de gezondheid negatief beïnvloedt lag daar (iets) boven qua grootte (36 om 34%). Iets minder Spanjaarden dan EU Europeanen schatten in dat ze hun baan van nu tot hun 60e zouden kunnen volhouden (80 om 83%). De Spanjaarden scoorden op 5 van 16 door Eurofound onderzochte werkgerelateerde gezondheidsklachten onder de EU standaard. De vermeldenswaardige afwijkingen in gunstige zin zaten bij maagklachten (5,5 om 3,9%), hartklachten (1,7 om 2,1%) en slaapproblemen 7,6 om 8,3%.  Onder de 11 bovenscores vormden klachten m.b.t. het gehoor 9,5 om 7,1%, huidproblemen 7,7 om 6,3%, rugklachten 29 om 24%, spierpijn 27 om 22%, kwetsuren 12 om 10% en algehele vermoeidheid 25 om 21% de noemenswaardige afwijkingen in ongunstige zin. Bij het Spaanse waardepatroon hoort dat men fysieke klachten uitdrukt in plaats van onderdrukt.

 

Het gedeelte dat tevreden tot erg tevreden was met de werkomstandigheden (79 om 83%) of carrièreperspectieven (29 om 32) lag iets onder de Eu normaal en het deel dat tevreden was over de verdiensten (48 om 44%) lag daar wat boven. Het aandeel dat zich in het jaar voor de vraagstelling ziek had gemeld was onder gemiddeld (14 om 20%), maar het doorsnee aantal ziektedagen was aan de hoge kant (25 om 20 dagen). In 2005 lag ook het deel dat qua werkprivé de werkuren goed in te passen vond in het privé-leven iets onder het EU gemiddelde (75 om 80). Het gedeelte dat vond dat werk hen genoeg tijd overliet voor de kinderen was het kleinste binnen de EU (15% om 28%) en er waren ook relatief weinigen die vonden dat ze voldoende tijd overhielden voor koken en huishouden (38 om 46%). In 2003 was het aandeel Spaanse werknemers dat zich te moe voelde voor huishoudelijke plichten (39 om 22%) of dat moeite had met het vervullen van familieplichten (17 om 9%) het grootste binnen de EU15. Ook eind 2006 scoorde men qua tevredenheid met werk iets onder het Eu gemiddelde (3,47 om 3,6 op een schaal van 1 tot 5; Eurobarometer 273/ wave 66.3). Van de Spanjaarden gaf toen 62% (EU 71%) aan dat hun baan het leren van nieuwe vaardigheden vereiste. Het deel dat hun werk te stressvol en veeleisend vond lag op de Eu standaard (41%). Het deel dat vertrouwen had in baanbehoud lag daar iets boven (89 om 85%) en de kans op het vinden van een nieuwe baan die vergelijkbare vaardigheden en ervaring vereist werd relatief hoog ingeschat (6,4 op een schaal van 1 tot 10; Eu 5,9).

 

Uitgavenpatroon voor sociale zekerheid

In 2006 droegen volgens Eurostat (living conditions/ social protection) naar EU25 maatstaven werkgevers (48,5 om 38,2%) veel en overheid (33,9 om 37,6%), de beschermde persoon (15,4 om 20,6%) en andere bronnen (2,2 om 3,5%) relatief weinig bij aan de sociale zekerheid. In dat jaar lagen de totale uitgaven aan het sociale stelsel op 20,9% van het BBP (EU25 27%). Gelijkgetrokken voor inkomensverschillen was dit per inwoner 82% van het EU27 gemiddelde en 71% van de EU normaal (laagste aandeel EU15). Er ging relatief weinig naar uitkeringen voor arbeidsongeschikt en pensioenen (8,8; EU25 12% BBP) en naar bejaardenvoorzieningen (0,34%, Eu27 0,48%). Van de sociale uitgaven ging 31,2% (Eu 29,2%) naar ziektekosten, 7,3% (EU 7,5%) naar arbeidsongeschikten, 38,7% (Eu 40%) naar pensioenen, 2,8% (Eu 6,2%) naar nabestaanden, 5,7% (EU 8%) naar gezinnen, 12,5% (hoogste EU; EU25 5,6%) naar werklozen, 0.8% (EU25 2,3%) naar huisvesting en 1,2% (EU 1,3%) naar bestrijding van sociale uitsluiting.

 

Sociale stelsel

Veel informatie over sociale stelsels op culturescope.nl komt van de site van de Amerikaanse overheid http://www.ssa.gov/policy/docs/progdesc/ssptw/. De eerste sociale zekerheidswet van Spanje kwam er in 1919 en de basiswetten van het huidige sociale stelsel dateren van 1994. Nadien volgden aanvullingen. Werknemers in industrie handel en diensten zijn ingedeeld in 11 beroepsklassen en voor andere groepen (incl. enkele categorieën van zelfstandigen) bestaan ook speciale stelsels. Men kent een ondergrens voor het afdragen van premies. Deze lag in 2008 op €700 p/m of €23,33 p/d, maar bij bepaalde beroepsgroepen kon ze hoger uitvallen. Het recht op uitkeringen uit de publieke so­ciale voorzieningen kent een hoogste inkomensgrens; in 2008: €3074 p/m of €102 p/d. Wie boven deze grens zit moet zich volledig particulier verzekeren. Verder zijn de meeste uitkeringen gebonden aan een minimum en een maximum. Uitkeringen worden met ingang van ieder nieuw jaar aangepast aan de prijsindex.

 

Voorzieningen in verband met ouderdom, invaliditeit en overlijden

Bij pensioenen en arbeidsongeschikt­heidsuitkeringen worden een 13e en een 14e maand uitbetaald. De pensioengerechtigde leeftijd is 65 jaar. In 2008 lag het minimum p/m bij staatspensioen/ arbeidsongeschiktheid voor een alleenstaande op €529 en voor een paar op €659. Wie dat kreeg mocht in deeltijd bijverdienen tot een maximum (€6761 p/j voor een alleenstaande en €7887 bij een afhankelijke partner). Na het 65e doorwerken leverde daarnaast 2% extra pensioen op voor ieder gewerkt jaar (tot het maximum pensioen van €2385 p/m). Afgekeurden konden tevens aanspraak maken op een zorgvergoeding tot de helft van het pensioen. Spanje kent een flexibele pensioenregeling. De hoogte hangt af van het aantal premiejaren; minimaal 15 (waarvan 2 in de 15 jaar voor de aanvraag) voor een minimumpensioen. Voor een invaliditeitspensioen moest wie onder de 31 jaar was op het moment van intreden vanaf het 17e levensjaar eenderde van de tijd en wie ouder was vanaf het 20e een kwart van de tijd (met een minimum) premies hebben afgedragen. VUT is mogelijk vanaf 61 jaar met een aftrek van 6 tot 8% per jaar (afhankelijk van het aantal premiejaren) voor werklozen die minimaal 30 jaar premies hebben betaald, afgekeurden vanaf 65% en beoefenaars van zware beroepen. Wel kende ook de VUT een minimum (€493: €616 voor een paar). Voor VUTTERS die in deeltijd verder willen werken bestaat een aanvullend pensioen. Afgekeurd worden voor 33 tot 65% werd afgekocht met een bedrag ineens.

 

Het volledige staatspensioen geldt alleen voor wie een arbeidsverleden heeft. Voor nabestaanden gelden andere regelingen. Weduwen die altijd huisvrouw zijn ge­weest hebben slechts recht op een weduwepensioen dat een flink stuk onder het staats­pensioen ligt (€393 voor een alleenstaande onder de 60, €492 voor 60 tot 65 jarigen, €528 voor afgekeurde 65 plussers en €616 bij kostwinners). Voor wezen tot 22 die minder dan de bijstand verdienen bestaat een we­zen­pensioen van 20% met een minimum van €170 per maand (€393 bij 2 of meer wezen en €335 bij een invalide wees onder de 18). Nabestaandenuitkeringen mogen de basisverdiensten van de overledene niet overstijgen. In 2008 kende men een begrafenisvergoeding van €30. Bij arbeidsongeschiktheid wordt onderscheid gemaakt tussen volledige ongeschiktheid voor alle werk en volledige ongeschiktheid voor het beroep dat men heeft uitgeoefend. In het eerste geval krijgt men het volledige laatstverdiende loon uitbetaald en in laatste geval kan men aanspraak maken op 70% van het minimumpensioen.

 

Voorzieningen voor werkloosheid,  ziekte en kinderen

Voorwaarde voor een werkloosheidsuitkering is dat men in de 6 jaar vooraf minimaal 1 jaar premies heeft betaald. De hoogte bedraagt 70% van het laatstverdiende loon voor het 1e halve jaar en daarna 60% tot 2 jaar. De laagste werkloosheidsuitkering is gelijk aan het bestaansminimum (€408 p/m in 2008) en de hoogst mogelijke €1146 p/m. In 2008 bedroeg het bestaansminimum voor een alleenstaande €408 en voor een 45plusser die ook voor anderen kostwinner was maximaal €687. Deze uitkering is geen bijstand, want ze kent een langste limiet (5,5 jaar), maar 52plussers konden haar tot hun pensioen houden. Om in aanmerking te kunnen komen voor ziektegeld of een moederschapuitkering moet men in de 5 jaar vooraf minstens een half jaar premies hebben betaald. Voor moeders onder de 21 geldt geen premieperiode. De eerste 4 dagen ziekte zijn voor eigen risico, op de 5e tot de 20e dag krijgt men 60% van het loon, te betalen door de werkgever en daarna bedraagt de uitkering 75% voor maximaal 1½ jaar. Bij arbeidsletsel of beroepsziekten geldt geen premietermijn en dan komt de uitkering van 75% volledig op rekening van de werkgever. Men kent 16 weken (met 2 extra weken per kind meer bij meerlingen) volledig betaald zwangerschap of adoptieverlof. Daarnaast bestaat 13 dagen volledig betaald vaderschapsverlof. Wanneer de moeder niet in aanmerking komt kan via de vader 10 weken volledig worden betaald. Ook kan het verlof worden verdeeld. Verder kan de moeder bij noodzaak tijdens de zwangerschap tegen 75% en in de 1e 9 maanden na de bevalling volledig betaald vrij nemen. Ouders met lage inkomens kunnen bij een geboorte eenmalig belastingaftrek claimen van €2500. Ook komen die, net als ouders met een gehandicapt kind, in aanmerking voor kinderbijslag (criteria 2008: inkomens onder €11.000 p/j bij 1 kind en onder €17.000 bij 3 kinderen; bij elk volgend kind kwam daar €2511 bij). In 2008 was de kinderbijslag p/j €500 voor een kind tot 3, €291 voor een gezond kind tot 18 en €1000 voor een gehandicapt kind. Bij een gehandicapt kind vanaf 18 jaar werd dat €3914 (65-85% afgekeurd) of €5912 (meer dan 85%).

 

Beoordeling en gebruik van het sociale stelsel

In Spanje lag het volksdeel met weinig tot geen ver­trouwen in het staatspensioenstelsel  in 2003 boven het EU25 gemiddelde (61 om 54%) en het deel dat dezelfde bevinding deelde met betrekking tot het sociale zekerheidsstelsel lag daar vrijwel op (44 om 45%). Het deel dat vond dat het sociale stelsel voldoende dekking biedt lag eind 2006 met 61% boven het Eu25 gemiddelde (51%) evenals het segment dat vond dat het Spaanse stelsel andere landen tot voorbeeld zou kunnen dienen (47 om 42%). Het gedeelte dat het stelsel te duur vond was kleiner dan gemiddeld in de Eu (36 om 53%).

 

In 2005 vielen 18,7 miljoen werknemers tussen 15 en 65 onder de verplichte verzekering. Daarvan kregen 1,5 miljoen een uitkering als werkloze (gemiddeld €21,52 p/d). Men telde in de marktsector 8 miljoen gepensioneerde werknemers met onder hen 0,8 miljoen afgekeurden (€700 p/m), 4,7 miljoen ouderdomspensioenen (€687 p/m), 2,2 miljoen weduwepensioenen (€455 p/m) en 260.000 wezenpensioenen (€268 p/m). Onder de 510.000 gepensioneerde ambtenaren kregen de 260.000 met een ouderdomspensioen beduidend meer (gemiddeld €1539) en de resterende 250.000 kwamen op gemiddeld €527. Er werden 484.000 uitkeringen verdeeld onder degenen die niet voldeden aan premie voorwaarden; 279.000 vanwege ouderdom en 205.000 vanwege invaliditeit (bron: het Spaanse CBS http://www.ine.es/welcoing.htm onder INE base, statistical compilation, social indicators 2005 (wel in het Spaans).

 
< Vorige   Volgende >
Internet Solutions by IT Elements