Home arrow Letland arrow Bevolking arrow Bevolking, familie en emancipatiezaken en welzijnsaspecten
Bevolking, familie en emancipatiezaken en welzijnsaspecten
 

Bevolkingsstatistieken

Bevolking: op 1/7-2006 telde Letland 2,27 miljoen inwoners. Ruim 83% daarvan is in Letland geboren. Etnische opbouw 2006: Letten 59%, Russen 28,5%; Witrussen 4%, Oekraïners 2,5%; Polen 2,4%, Litouwers 1,4%; Roma 0,4%, Joden 0,4%. De rest (1,5%) bestaat uit ruim 100 etnische groepen. Rond begin oktober 2006 behoorde het contingent Letten dat de stelling onderschreef dat immigranten veel bijdragen aan hun land tot de 3 kleinste binnen de Eu25 (16%, EU 40%). De gemiddelde levensverwachting in 2006 was 71,3 jaar (mannen 66; vrouwen 77); 14% van de Letten was toen jonger dan 15 en 16% ouder dan 65 (ruim 2 keer zoveel vrouwen dan mannen). Een Letlandse vrouw krijgt tijdens haar leven gemiddeld 1.3 kind en de bevolking neemt door een sterfte en een vertrekoverschot af (-0,7% in 2006). Opbouw huishoudens volgens de volkstelling van 2000: 13% eenpersoonshuishoudens; 87% meerpersoonshuishoudens (32% éénoudergezinnen, 18% paren zonder kinderen, 46% paren met kinderen, 4% sa¬mengestelde huishoudens). Huwelijkse staat bevolking 1/1-2004: alleenstaand 42%, getrouwd 40%, gescheiden 11%, verweduwd 8%. Geboortecijfer 2004: 8,8 per 1000 inwoners (EU 10,5/1000); aandeel buitenechtelijke geboorten 2005: 45% (EU 32%); huwelijkscijfer 2005: 5,5/1000 (Eu 4,8/1000); echtscheidingscijfer 2005: 2,8/1000 (Eu 2/1000).

 

Oostblokachtergrond

Door de periode van communistische overheersing en planeconomie zijn in Letland een aantal maatschappelijke ontwikkelingen op het vlak van emancipatie anders gelopen dan in westerse landen. De Sovjetoverheid vond na 1945 het arbeiderscollectief erg belangrijk en traditionele gezinswaarden werden als bourgeois bestempeld. Er waren veel arbeidskrachten nodig en de vrouw werd van staatswege vooral gezien als werkende moeder. Stoere man­wijven op trekkers en dito fabrieksarbeidsters werden door de Sovjetoverheid gepresenteerd als rolmodellen voor vrouwen. De wetgeving werd geënt op deze visie en de maatschappij werd er op ingericht. Echtscheiding en abortus werden in de voormalige Sovjet-Unie in de 50er jaren wettelijk mogelijk gemaakt. Ook werd een vrij langdurig betaald zwangerschaps­verlof ingevoerd en er kwamen opvangfaciliteiten voor kinderen. Vrijwel alle vrouwen namen min of meer noodgedwongen een voltijdbaan waarin ze voor gelijksoortig werk vaak minder verdienden dan mannen. Naast hun werk moesten de vrouwen echter ook de huishoudelijke taken en de opvoeding van de kinderen op zich nemen; want mannen werden beschouwd als kostwinner en niet als werkende vader. Seksuele voorlichting en dito beleid pasten niet in de communistische visie en men kon zich weinig kinderen veroorloven. Daardoor werd aborteren tamelijk gewoon.

 

Ontwikkelingen in de 90er jaren van de 20e eeuw

Na het uiteenvallen van de Sovjetunie en het zelfstandig worden van Letland vielen aanvankelijk met de herwonnen vrijheid ook veel zekerheden weg. De werk­loosheid en het echtscheidingscijfer stegen explosief, het aantal huwelijken daalde enorm en een flink deel van de bevolking raakte op drift. Dit alles is m.n. onder laagopge­leide mannen gepaard gegaan met een proces van verloedering (overmatig drinken, roken en drugsgebruik in combinatie met slecht eten en ander risicogedrag) dat velen niet meer te boven kwamen. Net als in de andere Baltische staten beleefde Letland tussen 1990 en 1999 een losgeslagen en hectische periode. De Letten lazen bijna geen kranten, tijdschriften en boeken meer en ook de geïnstitutionaliseerde cultuurdeelname stortte in. Het aandeel echtscheidingen liep op tot 71% van het aantal huwelijken, het aantal abortussen kwam op 122% van het aantal geboorten, het aandeel geregistreerde geslachtsziekten was meer dan verdubbeld (jaarlijks meer dan 1 op de 500 inwoners, 20 keer zo hoog als in Nederland) en serieuze problemen door alcohol en drugs rezen de pan uit. Het verschil in levensverwachting tussen mannen en vrouwen nam toe van 10 jaar tot bijna 13 jaar met als gevolg een groeiend aantal weduwen.

 

Opinieonderzoek in de 90er jaren

In opinieonderzoek uit de periode waren tekenen terug te vinden van een schizofrene ethiek. Men stond in de Balti­sche staten sterk en in toenemende mate afwijzend tegenover echtscheiding. Het aandeel dat het acceptabel vond daalde van 17 naar 14% (Nederland 60%) en steeds meer Letten (vrouwen 90%; mannen 83%) vonden dat er weer meer nadruk moet komen op het gezinsleven. Meer mannen dan vrouwen (respectievelijk 53 en 46%) waren van mening dat ouders bereid moeten zijn om hun eigen belang op te offeren voor dat van hun kinderen en slechts weinigen (11% van de vrouwen, 8% van de mannen) vonden dat ouders in de 1e plaats voor hun eigen ontwikkeling moeten kiezen. Tegelijkertijd raakte het huwelijk echter sterk uit de gratie. Het percentage dat dit een achterhaald instituut vindt nam toe van 11 naar 24%. De acceptatie van alleenstaand ouderschap was in de Baltische staten hoger dan in de EU15 (60%) en bij vrouwen (79%) ho­ger dan bij mannen (67%). Het aandeel dat vindt dat een vrouw kinderen moet krijgen om ver­vulling te vinden daalde (van 92% naar 73%), maar was in Letland met 90% het hoogste binnen de EU25. In 1996 maakte 32% van de Letlandse vrouwen gebruik van een voorbehoedsmiddel (pil, spiraal, condoom etc.). Dit heeft de explosie van abortussen en geslachtsziekten echter niet kunnen voorkomen en vreemd gaan was in 1999 één van de oorzaken. In de Baltische staten vond ruim 5 keer zoveel mensen als in de EU15 (61 om 12%) dat dit door de beugel kan.

 

Ontwikkelingen na de millenniumwisseling

Door de toenemende welvaart daalde tussen 1996 en 2001 het percentage Letten dat de situatie van hun huishouding als slecht tot erg slecht beoordeelde van 58 naar 44%. In 2005 was ook de demografische situatie flink gestabiliseerd en rustiger dan in de nadagen van het Sovjetregime. In 2000 had het huwelijkscijfer een dieptepunt bereikt van 3,9 per 1000 inwoners (het laagste van de latere EU25), maar daarna steeg het weer tot 5,5 per 1000 in 2005. Net als in de meeste Europese landen is de leeftijd bij een eerste huwelijk omhooggegaan; van 24 jaar in 1992 naar 26,8 jaar in 2003. Omdat men in Letland toch al relatief jong trouwde ligt ze echter een paar jaar onder het Eu gemiddelde. Het echtscheidingscijfer bereikte in 2003 een laagtepunt van op 48% van de huwelijken, maar in 2005 kwam het weer op 51% daarvan. Het abortuscijfer was in 2003 nog maar 69% van het geboortecijfer, bij minder dan 1 op de 2000 Letten werd een geslachtsziekte ge­constateerd, ook de alcohol en drugsproblemen waren flink afgenomen en het verschil in le­vensverwachting tussen mannen en vrouwen was teruggegaan naar 11 jaar. Na 1997 steeg het geboor­tecijfer weer licht (8,8/1000 in 2004). De stijging van het aandeel buitenechtelijke geboorten ging na 1994 gestaag door tot 45% in 2005 (EU 32%). Letland kent na het VK het hoogste geboortecijfer onder tienermeisjes binnen de EU (21/1000).

 

Etnische kwesties: de Russen

Van de inwoners van Letland is zo'n 33% van Witrussische of Russische oorsprong. De be­volkingsgroep diende in de 90er jaren vaak als zondebok en is ook nu nog weinig geliefd. Vooral onder dit kansarme deel van de bevolking speelden de verloederingsverschijnselen sterk en tussen 1995 en 2001 is 10% ervan teruggekeerd naar het land van oorsprong. Tussen 1989 en 2006 daalde het totale aandeel Russen, Witrussen en Oekraïners onder de bevolking van 42 naar iets minder dan 35%. 

 

De verhouding tussen Rusland en Letland is behoorlijk verziekt. Met discriminatie van de Rus­sische minderheid in Letland als officiële reden heeft Rusland rond 2000 de invoertarieven verdubbeld (waardoor de uitvoer van Letland naar Rusland is gekelderd) en de invoer van olie via de terminal van Ventspils stopgezet. In 2003 vermoedden de Letten dat de Russen zelf de terminal in handen wilden krijgen. Om de verhoudingen te verbeteren besloot presidente Vike-Freiberga om in te gaan op de uitnodiging van de Russen om  in mei 2005 de viering van het einde van de 2e wereldoorlog in Moskou bij te wonen. E.e.a. werd wel zo gepland dat "grote broer" president Bush van de VS kort tevoren in Letland op bezoek kwam en dat ze samen met hem richting Poetin reisde.

 

Leefsituatie van jong volwassenen

In 2003 woonde naar EU10 maatstaven van de 18 tot 35 jarigen een relatief klein deel zonder partner of kinderen bij de ouders in. Het betrof hier 30% van de mannen (EU10 44%, Eu15 33%) en 16% van de vrouwen (laagste EU10, EU10 33%; EU15 25%). Zowel onder mannen als vrouwen leefde 8% al dan niet met partner maar wel met kinderen in een samengestelde familie. Naar EU15 begrippen is dat veel, maar in de Eu10 is het heel gewoon. Hetzelfde gold voor het gedeelte met een gezinnetje met kinderen en een eigen woning (m 21%, v 24%) en het gedeelte voordeurdelers met lot of leeftijdgenoten (m en v beide 13%). Het deel dat zonder partner op zichzelf woonde (m 14%, v 13%) was klein naar Eu15 maatstaven, maar binnen de EU10 was het groot. Onder de mannen leefde 2% (EU10 0%, EU15 1%) en onder de vrouwen 6% (EU 4%) als alleenstaande ouder.

 

Vrouwen en kinderen

Het aandeel werkende vrouwen in Letland daalde tussen 1990 en 2000 met 24% tot 50%; eerst omdat er veel banen wegvielen en later om meer tijd te hebben voor de kinderen. Van dagopvangmogelijkheden voor kinderen tot 3 jaar werd minder gebruik gemaakt omdat het niet meer gratis was. Grootmoeders of oudtantes namen deze taak vaker op zich. Het aantal uren dat vrouwen per dag in zorg voor de kinderen staken (werkende vrouwen 3, niet werkende vrouwen 5; EU respectievelijk 4 en 8) behoorde met dat van Cyprus en Malta tot de laagste binnen de Eu. Tot 2003 kende Letland alleen voor voltijd werkende vrouwen 16 weken volledig betaald zwanger­schapsverlof. Hierdoor kon in 2000 slechts 47% van de moeders een beroep doen op deze voorziening. In 2003 werd de regeling versoepeld en het aandeel werkende vrouwen lag in 2005 weer op 59%.

 

Emancipatie

In veel voormalige Oostbloklanden ligt het aandeel hoogopge­leide vrouwen boven het EU15 gemiddelde. Het aandeel vrouwelijke hoger onderwijsstudenten was in 2005 in Letland zelfs het grootste binnen de EU (62 om 55%) evenals het gedeelte vrouwen in hoge leidinggevende posities (44 om 32%) en het vrouwelijke hoogleraren (27 om 15%). Het aandeel vrouwelijke parlementariërs lag echter iets onder dat gemiddelde (22 om 23%) en het verschil in betaling tussen mannen en vrouwen voor gelijksoortig werk was naar EU maatstaven wat aan de hoge kant (17 om 15%). In Letland en Litouwen staat men erg negatief tegenover homofilie. Het deel van de bevolking dat dit acceptabel vindt is tussen 1990 e 1999 weliswaar iets gestegen (van 2 naar 5%; het gemiddelde aandeel homo­fielen onder de mensheid), maar deze acceptatiegraad was in vergelijking met de Eu15 (45%, NL 77%) zo laag dat veel homoseksuelen en pubers in hun homo-erotische ontwikkelingsfase wellicht grote problemen ervoeren. In 2006 werd een homoparade door de straten van Riga afgelast omdat de autoriteiten niet voor de veiligheid konden instaan. In het gebouw waar de manifestatie vervolgens plaatsvond werden de homo's door Letse nationalisten en door aanhangers van evangelische groepen bekogeld met eieren (een Lets vruchtbaarheidsymbool) en stront (de zwaarst mogelijke vernedering op zijn Lets). In 2006 was het volksdeel dat voorstander was van het Europees toestaan van het homohuwelijk het laagste binnen de EU  (12%, EU 44%, NL hoogste met 82%) en het gedeelte dat voor het Europees toestaan van kinderadoptie door homoparen was, was het op 3 na laagste (8%, EU 32%, NL hoogste met 62%).    

 

Welzijnsaspecten in de voormalige Oostbloklanden en in Letland

De 8 voormalige Oostbloklanden onder de EU25 (de EU8) hebben na hun herwonnen vrij­heid een soort shocktherapie ondergaan. Men moest plotseling zelf initiatief en verantwoor­delijkheid nemen en alles van de grond af aan opbouwen terwijl men passief ver­zet tegen het opgedrongen Sovjetregime was gewend. Nadat men EU kandidaat-lid werd raakte de ontwikkeling in een stroomversnelling. Bestaanszekerheid, leefomstandigheden en wel­vaartsniveau liggen echter nog achter bij de oude EU en er heerst nog steeds veel ach­ter­docht. Relatief veel werknemers vonden de werkomstandigheden gevaarlijk of ongezond (EU10 30%, EU15 14%) en hun werk saai en vervelend (18 om 10%) en slechts weinigen vonden dat ze genoeg verdienen (21 om 43%) of dat de carrièreperspectieven goed zijn (26 om 36%). Ook de woonomstandigheden zijn slechter dan in de EU15 (kleinere behuizing, slechtere staat van onderhoud). Door armoede, woningnood en hoge huren blijven volwassen kinderen (inclusief ongehuwde moeders en pas getrouwden) naar EU15 maatstaven vaak noodgedwongen bij hun ou­ders inwo­nen, dikwijls om te sparen voor een eigen onderkomen. In 2003 had 39% van de huishoudens (Letland 44%, hoogste na Polen; EU15 10%) moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Tamelijk basale zaken als huisverwarming, een dagelijks stukje vlees, een week vakantie per jaar, versleten meubilair vervangen, nieuwe in plaats van 2e handskleren kopen en minstens eens per maand gasten voorzien van een maaltijd of drank leverden ruim 3 keer zo vaak problemen op als in de oude EU en relatief velen vonden hun gezondheid slecht (16%, EU15 6%, Letland 21%, hoogste EU25). Vooral onder gepen­sioneerden, gehandicapten, allochtonen, grote gezinnen en eenoudergezinnen is de nood hoog.

 

De sociale stelsels zijn volstrekt onvoldoende om te voorzien in een bestaansmini­mum. Het vertrouwen daarin was dan ook laag (38%, EU15 58%, Letland 37%) en men is creatief geworden in de basale overlevingskunst. Dit maakt het aandeel huishoudens dat er een moestuin of (pluim)vee op nahoudt groot (steden 22%, platteland 65%, EU15: 5 en 18%); stropen, vissen en verzamelen populair en de informele economie (ruilhandel, dienst en wederdienst, zwart klussen, smokkelen, omkopen) belangrijk. Ondanks de vaak hoge werkloosheid komen meer banen per huishouden (50 om 43%, Letland 43%) en bijbaantjes (8 om 5%, Letland 14%) relatief veel voor. Door de situatie is naar westerse rijke landen­maatstaven de maatschappij weinig transparant en de corruptie-index hoog (op 3 na hoogste EU25 in 2006). Spanningen tussen arm en rijk (51 om 31%, Letland 44%) en tussen leidinggevenden en werknemers (47 om 34%) worden in de EU10 vaker ervaren dan in de EU15 (Letland 26% behoort bij het laatste met Estland tot de uitzonderingen) en etnische (34 om 46%, Letland 19%) en man­vrouw spanningen (8 om 12%, Letland 4%) minder vaak. De belangrijkste etnische minder­heden in de EU8 zijn voormalige Sovjetburgers en zigeuners. In de 10 nieuwe landen is het aandeel werkende vrouwen vrij hoog, maar het systeem is nog niet ingesteld op deeltijdwerk. Dit komt dan ook veel minder voor dan in de EU15 (EU25 31% van de werkende vrouwen in 2003, EU8 10%, Letland 12%). Doordat de manvrouw taakverdeling traditioneel is draaien vrouwen naast hun voltijdbaan meestal ook nog volledig op voor huishouden en kinderzorg.

 

Beoordeling levenskwaliteit in de EU in 2003: schaal 1 (minimaal) tot10 (perfect)

 

EU15

EU10

Letland

Gezondheidszorg

6,4

5,0

5,2

Sociale dienstverlening

6,2

4,5

5,1

Staatspensioenstelsel

5,3

4,5

4.0

Onderwijsstelsel

6,3

5,8

5,9

Vertrouwen in de medemens

5,8

4,8

4.9

Tevredenheid met het leven

7,3

6,1

5.5

Geluksgevoel

7,6

6.9

6,4

 
Volgende >
Internet Solutions by IT Elements