|
Het weer
Nederland heeft een gematigd zeeklimaat met koele zomers, zachte winters, overheersende westenwinden en een vrij geringe dagelijkse temperatuurschommeling. Het weer is wisselvallig door de vele Atlantische depressies en er kan het gehele jaar door neerslag vallen. Desondanks kent men een aantal seizoensgebonden weerspatronen. Zo zijn kerstdepressies er verantwoordelijk voor dat een witte kerst opvallend weinig voorkomt en een plakkerig hogedrukgebied ten westen van Ierland geeft in het voorjaar nogal eens een aanhoudende noorden of noordwestenwind waardoor het wekenlang koud en buiig kan blijven. Ook rond half juni brengt deze wind vaak koud en bewolkt weer (schaapscheerderkou). In de 2e helft van September en de eerste helft van oktober is het dikwijls mooi rustig herfstweer met een lekker zonnetje (oudewijvenzomer).
De gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid neerslag liep tussen 1971 en 2001 uiteen van 750 mm in Zuid-Limburg tot 825 mm in Utrecht. De neerslag viel verspreid over ruim 130 dagen in het jaar; het minst in het late voorjaar. In Nederland varieert de doorsnee temperatuur in de wintermaanden tussen 0 gr C s'nachts en 6 graden overdag en in de zomermaanden tussen 21 graden overdag en 12 gr. tegen de ochtend. De temperatuuruitersten door de jaren zijn +39 graden C en -29 graden C. Deze uitersten werden gemeten in het oosten van het land. Daar is de temperatuurvariatie het grootst vanwege de grotere afstand tot de zee. Het jaarlijkse aantal dagen met een maximumtemperatuur van meer dan 25 graden (zomerse dagen) varieerde tussen 1971 en 2001 van 5 op de waddeneilanden tot 28 in Zuid-Limburg. Wel zijn het waddengebied en de kust het meest zonnig. Het jaarlijkse aantal uren zon liep uiteen van gemiddeld 1470 in het noordoosten tot 1650 langs de westkust. Qua maandgemiddelde varieert dit aantal (mede door de noordelijke ligging en de grote verschillen in daglengte) van 44 in december naar 196 in juli. Het gemiddelde aantal ijsdagen (etmalen waarop de temperatuur niet boven het vriespunt uitkomt) liep uiteen van 6 in zuidwest Nederland tot 12 in het noordoosten van het land en het aantal dagen dat er (natte of droge) sneeuw viel van respectievelijk 20 tot 31. Na 1985 zijn de temperatuurnormalen en neerslaghoeveelheden omhooggegaan.
Van klomphoogte naar grashoogte
Bijna 90% van de Nederlanders woont tegenwoordig in een stedelijk gebied. Hoewel klompen daar vrijwel nooit worden gedragen, werd in Nederlandse weerberichten nog tot rond 2000 gesproken van temperaturen op normale waarnemingshoogte en op klomphoogte. Vlak aan de grond, op klomphoogte dus, vriest het eerder dan op ooghoogte en bij gladheid kan het nuttig zijn om daar rekening mee te houden. Tegenwoordig worden de minder achterhaalde termen grashoogte en "vorst aan de grond" gebezigd.
|