|
Op het water gewonnen landsdelen
Geografisch bestaat Nederland vrijwel volledig uit laagland dat meestal zo plat is als een pannenkoek. Ruim een kwart van het Nederlandse grondoppervlak (vooral langs de kust en in het westen) is vanaf de middeleeuwen geleidelijk aan door inpoldering veroverd op het water. Het meeste van dit land ligt lager dan de zee. De oudste wijze van inpolderen, die in de noordelijke provincies Groningen en Friesland veel door monniken is toegepast omdat men wist dat het om vruchtbare grond ging, is het met een dijk afschermen van land dat dusdanig hoog was aangeslibd dat het alleen nog met de hoogste vloeden onderliep. Later werd land ingepolderd door een ondiepe binnenzee met een dijk te dichten en het water vervolgens via de met sluizen afsluitbare afvoergeulen met eb in zee te laten stromen. Dergelijke droogmakerijen liggen net boven de zeespiegel. Ook meren zijn omgevormd tot polders. In de 17e eeuw begon Jan Adriaanszoon Leeghwater hiermee. Men legde daartoe een cirkelvormige dijk in het meer en pompte het vervolgens leeg in een afvoerkanaal achter de dijk. Het wegpompen van water gebeurde aanvankelijk (vanaf de 17e eeuw) met molens en vanaf eind 18e eeuw met gemalen. Door deze inpoldering ligt bijna een kwart van het landoppervlak onder de zeespiegel (tot maximaal 7 meter). De noordwestelijke en noordelijke begrenzing van ‘s lands territoor bestaat uit een zestal eilanden (de Waddeneilanden) die een met eb deels droogvallende binnenzee (de Waddenzee) afschermen van de Noordzee. Vanwege dat droogvallen kan men met laagwater in principe over de bodem van de zee de soms meer dan 20 km lange oversteek maken tussen de eilanden en de wal. Dit wadlopen gebeurt veelal onder leiding van een gids. Een deel van de binnenzee, de rond 7000 km² grote Zuiderzee, werd in 1932 afgesloten met een 30 km lange dijk (de afsluitdijk) en heet sindsdien IJsselmeer. Na de aanleg van de afsluitdijk werd eerst de Wieringermeerpolder in de kop van Noord-Holland geschapen, tussen 1940 en 1980 gevolgd door de provincie Flevoland via inpoldering van delen van het IJsselmeer. Flevoland bestaat uit de Noordoost polder en Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. De grote man achter deze Zuiderzeewerken was Cornelis Lely.
|
Men spreekt in de winning van land op water van polders en droogmakerijen. Van een echte polder is pas sprake wanneer het ingepolderde land lager ligt dan het omringende water en tegen overstroming wordt beschermd door dijken.
|
Nederland boven de zeespiegel
De meeste Nederlandse regio's boven de zeespiegel liggen in het oosten en zuidoosten. Hier is vaak sprake van een afwisselend landschap van weilanden akkers en stukjes bos en hei (een zgn. coulisselandschap). In de provincie Gelderland ligt een min of meer aaneengesloten natuurgebied van ongeveer 60 bij 30 km met veel aangeplant naaldbos, heidevelden, zandverstuivingen en stukjes loofbos (de Veluwe). Door uitlopers van Duitse heuvelruggen en door stuwwallen uit de ijstijd is het landschap in het oosten soms glooiend. Door de meest zuidoostelijke punt van het land (Zuid-Limburg) lopen de uitlopers van de Ardennen; een laaggebergte dat zich voornamelijk over Oost-België uitstrekt. Vlakbij het z.g.n. drielandenpunt (het punt waar de grens van België, Duitsland en Nederland elkaar ontmoeten) ligt het hoogste punt van Nederland; de 322 meter hoge Vaalserberg. Het land wordt in de zuidelijke helft van oost naar west doorsneden door enkele traag stromende grotere rivieren; de Rijn (die zich splitst in de Lek, de Waal en de noordwaarts stromende IJssel) en de Maas. De z.g.n. Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden liggen in de delta van Maas, Waal en Schelde (een Belgische rivier) in het zuidwesten. Na een plotselinge overstroming door een combinatie van storm en springvloed in 1953 (de watersnoodramp), waarbij zo'n 1800 mensen verdronken; is hier besloten tot de aanleg van een stelsel van zeeweringen, sluizen en bruggen dat de zee buiten houdt en de eilanden met elkaar verbindt (de deltawerken, zie ook onder economie).
Landschap en grondgebruik
Een duinenrij vormt langs vrijwel de hele Noordzeekust (incl. de Waddeneilanden) een natuurlijke barrière tegen het water. Voor de rest fungeren aangelegde zee en rivierdijken als waterkering. De Waddenzee, de duinenrij, de daarvoor liggende zandstranden en de grote rivieren bevatten de laatste restanten oorspronkelijk natuurlijk landschap in Nederland. Achter de duinenrij bevinden zich polders (waarin vlak achter de duinen in het voorjaar vaak bollenvelden te zien zijn met ondermeer bloeiende tulpen), dorpen en steden. Temidden van de randstad ligt een qua omvang slinkend weidegebied (het z.g.n. groene hart). De rest van Nederland is dunner bevolkt dan de randstad. Achter de dijken waarop overal schapen grazen domineren hier zover het oog reikt groene weiden en akkers. Verder het binnenland in komen door het veranderen van de grondsoort in zand naast weilanden en akkers steeds meer boomwalletjes en bos en heidepercelen voor. Deze maken de wereld kleiner en het landschap knusser en afwisselender.
In 2003 werd 19% van het Nederlandse oppervlak in beslag genomen door waterpartijen (bij eb droogvallende gronden zijn licht oranje op het kaartje over grondgebruik). Daartoe behoren naast de binnenzeeën, het Flevomeer (de restanten van het IJsselmeer), de grote rivieren een keur aan meren, plassen, kanalen, vijvers en sloten die vrijwel allemaal resultaat zijn van menselijk ingrijpen. Veel van de huidige meren en plassen zijn bijv. voor 1900 tot stand gekomen door turfwinning. In 2003 was zo'n 56% van het grondoppervlak in gebruik als landbouwgrond. Dit bestaat uit weilanden (42,5% in 2006, lichtgroen), akkers (52%, okerkleurig) en tuinbouwgrond (5,5%, waarvan 1,5% glastuinbouw, bruinig). Bijna 12% was bosaanplant en moerasgebied e.d (donkergroen) en een even groot deel (+2%) werd ingenomen door menselijke bebouwing (wegen, gebouwen etc, donker oranje op het kaartje). Verder stond, 2,3% (+6%) te boek als recreatiegebied (duinen: lichtgeel). Het areaal aan menselijke bebouwing en aan bos, natuur en recreatiegebied neemt toe ten koste van landbouwgrond. In 2005 werd de Blauwe Stad opgeleverd, een in een meer omgezet landbouwgebied in Oost-Groningen. Bij het ingepolderde Zuid-Hollandse eilandje Tiengemeten werden rond die tijd de dijken doorgestoken om het gebied terug te geven aan de natuur en hetzelfde zal (tot verdriet en ergernis van de aanwezige boeren) gebeuren met een deel van de Wieringermeerpolder.
Natuur, natuurlijke hulpbronnen en risico's
Op de EPI (Environmental Performance Index) 2008, die de milieubeleidprestaties van 149 landen rangschikt op 25 indicatoren op de 6 beleidsterreinen milieugezondheid, luchtvervuiling, watervervuiling, biodiversiteit en leefmilieu, natuurlijke hulpbronnen en klimaatverandering stond Nederland 22e in de rangschikking van de 27 EU landen. Het meeste viel te verbeteren aan biodiversiteit en leefmilieu, de subcategorie visserijmethoden en de indicatoren landbouwsubsidies, effectief behoud, behoud natuurlijk landschap en beschermde zeegebieden. Het feit dat Nederland erg dichtbevolkt en welvarend is werkt op de EPI in het nadeel. Naar EU maatstaven was het grondoppervlak met bouwsels en wegen het grootst. Het bosareaal was na dat van Malta en Ierland en met dat van het VK en Denemarken het kleinst. In 2003 was 26% van het Nederlandse grondgebied beschermd natuurgebied. Doordat de Waddenzee (een groot getijdengebied) werd meegerekend kon men ver boven het Europese gemiddelde van 8% uitkomen. Andere bekende natuurgebieden zijn delen van de Waddeneilanden, de Biesbos in West Brabant (delen van de delta van de grote rivieren), de wildrijke Oostvaardersplassen in Flevoland, het Naardermeer bij Hilversum, de Ooijpolder bij Nijmegen, de Hoge Veluwe bij Arnhem en de Weerribben, een moerasgebied in noordwest Overijssel.
|
Bij 2 jaarlijkse verkiezingen werd In 2004 de Weerribben en in 2006 het waddeneiland Schiermonnikoog verkozen tot mooiste plek van Nederland.
|
In 2002/ 2003 leefden in Nederland 1221 hogere planten, 55 zoogdieren (10 bedreigd), 192 broedvogels (4 bedreigd), 67 vissoorten (2 bedreigd), 17 soorten amfibieën en 13 soorten reptielen. Tussen 1995 en 2005 gingen veel broedvogelsoorten (m.u.v soorten die van bosjes en moeras houden) en dagvlinders in aantallen achteruit en er kwamen meer reeën, vossen, wilde zwijnen (in 2007/ 2008 deels afgeschoten), zeehonden, marters, vleermuizen, reptielen en amfibieën. In het voorjaar van 2006 broedde voor het eerst sinds lange tijd een paartje zeearenden in Nederland (Oostvaardersplassen). Men streeft ernaar om de losse natuurgebieden op het vasteland met elkaar te verbinden, bijv door de bouw van wildviaducten over snelwegen (ecologische hoofdstructuur). Delfstoffen en natuurlijke hulpbronnen van Nederland zijn naast veel aardgas wat aardolie, zout (oost Nederland), grind en klei (steenfabrieken langs de grote rivieren en in het noorden). Zo'n 5% van de energie komt uit zon en wind. Belangrijke natuurlijke risico's zijn overstromingen en stormen. Vanwege dreigende dijkdoorbraken door overvloedige regenval werden in 1995 in het rivierengebied meer dan 200.000 mensen geëvacueerd.
|
In 2002 waren ten opzichte van 1989 zowel de bezorgdheid als de offer en actiebereidheid omtrent het milieu flink afgenomen onder de Nederlandse bevolking. De ledenaantallen van milieuorganisaties (en daarmee de passieve betrokkenheid) groeiden in 2004 echter weer.
|
|