Toerisme

 

Economische betekenis

Volgens de verwachtingen van het WTTC draagt in 2008 het Nederlandse toerisme direct 2,8% bij aan het BBP (+2,1% ten opzichte van 2007; EU 3,6%; +1,7%) en met de uitstraling over de hele economie meegerekend 7,4% (+0,8%; EU 10,2%; +1,6%). Qua werkgelegenheid lagen deze cijfers op 2,8% (+0,6%, EU 3,9%, +0,7%) en 6,9% (-1%: EU 10,8%; +0,4%). Van het persoonlijk budget zal 9,9% (+0,9%; EU 10,4%, +2,4%);  van de overheidsuitgaven 2,1% (-1,6%; EU 3,2%, +0.7%) en van de kapitaalsinvesteringen 7,4% (-0,7%; EU 8,9%, +2,1%) in de sector worden besteed. Buitenlandse toeristen zullen €14,7 miljard in Nederland uitgeven aan goederen en diensten (3,3% van de waarde van de totale export, +3,4%; EU 6% exportwaarde, +0,9%). De verwachte waarde van dingen die ze kopen om mee terug te nemen of van zaken die Nederland aan het buitenland uitbesteedt voor toerisme was €11,5 miljard (2,6% exportwaarde, +3%; EU 5,7% exportwaarde, +3,4%). Daarmee zou het buitenland Nederland €26,2 miljard aan toeristische inkomsten opleveren. Nederlandse toeristen zullen in binnen en buitenland net iets meer uitgeven (€26,6 miljard). Nederlanders brengen naar EU maatstaven veel va­kanties door in het buitenland. Tussen 2002 en 2004 steeg het deel van de vakantie-uitgaven dat in eigen land werd be­steed iets (van 18 naar 19,5%), maar naar EU15 maatstaven (32% in 2000) bleef het klein. De verwachte groeicijfers t/m 2018 lagen (op uitgaven van buitenlandse toeristen in Nederland na) onder het EU gemiddelde.

 

Alle toerisme

Een belangrijke bron voor toerismestatistieken is de jaarlijkse CBS uitgave "Toerisme en recreatie in cijfers". Het aandeel Nederlanders dat met vakantie ging steeg tussen 1997 en 2003 van 78 naar 82%. Daarna zakte het naar 75% in 2005 en in 2006 lag het op 76%. In 2007 kregen de rond 7200 logiesvormen die Nederland telde 30,3 miljoen verblijfsgasten (+6% t.o.v 2006; bron CBS/ vrije tijd en cultuur/ gasten en overnachtingen naar logiesvorm). Voor 36% waren dit buitenlanders (11 miljoen, +2,5%; bijna 90% Europeanen). Van de 88,3 miljoen overnachtingen die werden geboekt (+5%) kwam 32% op naam van buitenlanders (EU 42% in 2000). De bijna 3200 hotels pensions en jeugdaccommodaties werden door 63% van de gasten gekozen als verblijfsplaats (Nederlanders ruim 50%, buitenlanders 80%) en daar werd 40% van de overnachtingen doorgebracht (NL 30%, +3%; BL 57%, -2%). Een flinke minderheid van de gasten (37%, NL 50%, BL 20%) verkoos een verblijf op kampeerterreinen (ruim 2400) en in huisjescomplexen (ruim 800) en groepsaccommodaties (rond 750). Doordat dat vaak langer duurde scoorden deze verblijfsrecreatieve logiesvormen 60% van de overnachtingen (NL 70%, BL 43%). Ze trekken het meest Nederlanders. Vooral stedelingen uit de randstad hebben bijv vaak een vaste caravanstandplaats op cam­pings in de buurt. Tot de 10 grootste  attractiepunten van 2006 behoren 4 die­rentuinen (5,2 miljoen bezoekers; -4%), de rondvaart van Amsterdam (3,15 miljoen; +11%), sprookjespark de Efteling (3,05 miljoen; -5%), De attractieparken Slagharen en Duinrell (samen 2,74 miljoen, -0%), het van Goghmuseum (1,68 miljoen: +18%), en het rijksmuseum (1,14 miljoen;+35%).

 

Inkomend toerisme

De grootste contin­genten buitenlandse verblijfstoeristen kwamen in 2006 uit Duitsland 27,4% (betaalde over­nachtingen 40%), het VK 18% (14% overnachtingen), Amerika 12,4% (+3% t.o.v 2003, 9% overnachtingen), België 9% (overnach­tingen idem), Azië 6% (4% overnachtingen) en Frankrijk 5,5% (5% overnachtingen). De aandelen van de Duitsers zijn wisselend, die van de Britten vertoonden in 2003 een dal waar ze weer uitgeklommen zijn en die van de Belgen en Fransen zijn tamelijk constant. De grootste stijgers onder de landen waar meer dan 300.000 bezoekers vandaan kwamen waren Spanjaarden (3% van de gasten, +18% t.o.v 2005), Zwitsers (+30%) en Denen (+20%). In campings bungalows ed. vormen Duitsers (68% in 2006) en Belgen (17%) samen het leeuwendeel van de buitenlandse gasten. Van de hotelovernachtingen kwam 38% op naam van Duitsers gevolgd door Britten (19%), Belgen en Amerikanen (beide 9%).

 

De meeste buitenlanders kwamen in 2006 met het vliegtuig (44%) gevolgd door eigen gemotoriseerd vervoer (42%), trein 7%, bus 4% en overig vervoer 3% (het vaakst over het water). Van de buitenlandse gasten kwam 59% op vakantie (73% van de overnachtingen), 30% was op zaken­reis (19% overnachtingen) en 3% ging op be­zoek bij familie en vrienden (2% overnachtingen). De rest (8%) boekte 6% van de overnachtingen. Reserveren deed 34% bij de accommodatie, 28% via een instantie, 4% anders en 19% niet. Van de rest (15%) was de wijze van reserveren onbekend. Het leeuwendeel van de ruim 27 miljoen overnachtingen (44%) werd doorgebracht in Noord-Holland, gevolgd door Zuid-Holland (14%) en Noord-Brabant (12%) en verder in de 4 grote steden (34%, in 2003 32%; -2%), Noordzee badplaatsen (20%; -3% t.o.v 2003) en West en Midden Brabant (5,6%, +0,6% t.o.v 2003). Ten opzichte van 2004 nam het aandeel in hotelovernachtingen etc. van Zuid-Limburg (3,5%) met 30% toe. Tussen 1999 en 2003 daalde het aantal buitenlandse verblijfsgasten, maar in 2005 werd de 10 miljoen overschreden (evenaring record van 2000). In 2007 volgden records met 11 miljoen gasten uit het buitenland die 28,2 miljoen overnachtingen boekten (+5%, gemiddeld 2,5 per persoon).

 

Binnenlands toerisme

In 2006 brachten Nederlanders 17,8 miljoen vakanties door in eigen land (+3% t.o.v 2005). Ze gingen het vaakst met de auto (91%), gevolgd door trein (5%) en fiets (2%). In de meeste gevallen (70%) kwam de trip zonder bemiddeling van een reisorganisatie tot stand. De populairste bestemmingen waren Gelderland 19% (Veluwe; rijk van Nijmegen), Friesland en Drenthe 17% (waddeneilanden, meren, zandgronden), Limburg 12% (m.n Zuid-Limburg), Noord-Holland 11% (kust, Amsterdam) en Noord-Brabant 11%. Rond 2003 bereikte het aantal binnenlandse vakanties een piek vanwege de economische recessie (18,7 miljoen in 2002). Nadien was in de meeste provincies sprake van een terugval en een (veelal gedeeltelijk) herstel. De provincie Groningen vertoont de meest constante stijging (naar 2% van de vakanties van Nederlanders in 2006). De vakanties duurden in 2006 gemiddeld 6½ dag (2-4 dagen 50%, 5-8 dagen 34%, 9 of meer dagen 16%). Bij 13,5 miljoen vakanties (76%) boekte men betaalde logiesvormen (vakantiehuisjes/ bungalows 29%, hotels 16%, huurcaravans/ campers 11%, particuliere woning 7%, tent 5%, overige 8%) en de rest (24%) bracht men door in een eigen onderkomen (caravan 14%, 2e woning 6%, boot 4%). Van de 98 miljoen binnenlandse vakantieovernachtingen (+3% t.o.v 2005; -10% t.o.v 2002) werd 70% doorgebracht op een betaald adres. In 2006 gaven Nederlanders aan vakanties in eigen land €2,6 miljard uit aan vervoer (gemiddeld €22 per persoon p/d), €2,3 miljard aan betaald verblijf (€27 per persoon p/d) en €310 miljoen aan eigen vakantieverblijf (€9 per persoon p/d). Naast de grote attractiepunten die onder alle toerisme staan beschreven zijn overal in het land in de zomermaanden jaarlijks terugkerende en gevarieerde evenementen, festivals en feestdagen/weken met als veel voorkomende vaste ingrediënten braderieën en popgroepen. Deze trekken enorme aantallen bezoekers, veelal vakantiegangers uit eigen land.

 

Toerisme en watersport

De watersport speelt een belangrijke rol in de toeristische sector. Uniek is de authentieke "bruine vloot". Deze vloot bestaat uit ca. 900 traditionele zeilschepen die omgebouwd zijn tot groepsaccommodaties die vooral geschikt zijn voor korte vakanties (midweek en weekendarrangementen), bijv. schoolreizen. Het grootste deel van de boekingen wordt gedaan door Duitsers (>90%). De Duitsers waarderen Nederland sowieso als waterland. De meeste jachthavens en bijbehorende recreatieparken worden voor meer dan de helft bevolkt door onze Oosterburen die hun 2e woning hier hebben met bijbehorende vaste ligplaats voor motorboot en/of zeilboot. De populairste vaargebieden zijn het IJsselmeer, het Wad en de Zeeuwse wateren. Ook massaal bezochte veelal jaarlijkse vaarevenementen als vlootdagen (bijv Sail Amsterdam en vlootdagen in Den Helder en Delfzijl) en het skûtsjesilen en de Sneekweek in Friesland kunnen hier niet onvermeld blijven.

 

Uitgaand toerisme

In 2006 brachten Nederlanders 16,8 miljoen vakanties door in het buitenland (-2% t.o.v 2005) die gemiddeld 11 dagen duurden (2-4 dagen 19%, 5-8 dagen 31%, 9 of meer dagen 50%). Men reisde het vaakst per auto (56%, korte vakanties 70%, lange vakanties 52%), gevolgd door vliegtuig (32%, kort 14,5%; lang 39%, na 1999 steeg het aandeel vliegvakanties ten koste van andere transportmiddelen), touringcar 5% en trein 3%. Bij korte vakanties (2-4 dagen) kwam 57% (VK, Frankrijk en relatief verre landen meer) en bij de langere vakanties 66% (buurlanden minder; verre bestemmingen 90 à 100%) tot stand via bemiddeling van een reisorganisatie. Bij de 3,2 miljoen korte vakanties waren de buurlanden België (32%, zomer 35%) en Duitsland (29%) favoriet met daarna Frankrijk 16% (winter 18%), het VK 8% en Luxemburg 3% (zomer 4%). De 13,5 miljoen langere vakanties gingen het vaakst naar Frankrijk 16%, Duitsland 12% en Spanje 11% (zomer 20%), gevolgd door Oostenrijk 8% (winter 14%), België 7%, Italië 6%, Turkije en Griekenland (beide 5%) en het VK (3%). Bij de wintervakanties stonden de VS 6e met 4%. Bij de lange wintersportvakanties zat Tsjechië tussen 1999 en 2005 sterk in de lift (van 3 naar 7% van de vakanties), maar in 2006 was sprake van een lichte teruggang.  Rond 2002 beleefden de landen dichtbij Nederland een piek vanwege de economische recessie, gevolgd door een dal in 2005 en een licht herstel in 2006. Bij Duitsland was echter minder sprake van een teruggang na 2002. Bij bestemmingen verder weg was het patroon vaak omgekeerd. Turkije was na 1999 sterk in opkomst. Men bereikte een piek in 2005, in 2006 gevolgd door een vrije val van zo'n 30% qua vakanties/ overnachtingen. 

 

Van de 166,5 miljoen vakantieovernachtingen over de grens (-3%; 30% in het winterhalfjaar) werd veruit het grootste deel (19%, zomer 23%, winter 9%) doorgebracht in Frankrijk, op afstand gevolgd door Spanje (10%, z 10% w 12%), Duitsland (10%), Oostenrijk 7% (z 5%, w 11%), Italië 7% (z 8, w 3%), België 6%, Griekenland 4% (z 5, w 2%), Turkije 4%; Verre Oosten 3% (z 2, w 6%) en de VS 3% (z 3, w 5%). In 4% van de gevallen diende een eigen onderkomen als verblijfplaats. Voor het overige scoorden hotels veruit het hoogst met 39% (31% van de overnachtingen), gevolg door een appartement 12%, vakantiehuis 11%, caravan of camper 10% (overnachtingen 16%), woning van familie, vrienden of kennissen 9%, tent 6% (overnachtingen 8%), particulier gehuurde woning 4%, pension/B&B 3% en overige 2% (overnachtingen 4%). In 2006 gaven Nederlanders aan buitenlandse vakanties €10,4 miljard uit. Aan vervoer werd gemiddeld €57 per persoon p/d besteed (in buurlanden, Frankrijk en Italië en bij autoreizen minder, in het VK en in verre landen en bij andere transportmiddelen meer) en aan toeristische logiesvormen gemiddeld €58 pp p/d (variërend van €42 in een eigen verblijf of verblijf in een woning van een ander tot €86 bij hotels).

 
< Vorige
Internet Solutions by IT Elements