Home arrow Nederland arrow Cultuur arrow Tijdsbesteding, recreatie en huishoudelijke bezittingen
Tijdsbesteding, recreatie en huishoudelijke bezittingen

 

Uitgaven voor vrije tijd en belang van vrije tijd

In 2001 lagen in Nederland de overheidsuitgaven voor recreatie, cultuur en religie met 2,3% van het totale budget boven het Eu gemiddelde (1,8%) Het aandeel van de huishoudelijke uitgaven dat werd besteed aan recreatie en cultuur lag daar in 2006 met 10,4% ook boven (EU27: 9,4%). Van 1975 tot 2001 groeiden (los van de prijsstijgingen) de consumptieve bestedingen voor re­creatie met 79% en voor vrijetijdsoutillage binnenshuis (meestal elektronica) met 250%. Nederlanders besteden naar EU maatstaven veel aan elektronica. In 2006 gaven huishoudens 4,5% van hun budget uit aan communicatie (EU27 2,7%) en de ICT uitgaven lagen toen op 3,3% van het BBP (EU27 2,7%). In 2006 werd relatief weinig uitgegeven aan restaurants (5,3% huishoudbudget, EU27 9%). Wel steeg tussen 1980 en 1999 het aandeel van het voedingsbudget voor consumpties van buitenshuis (afhaalrestaurants, uitgaan, uit eten gaan etc.) van 15 naar 25%. Ondanks de reputatie van Nederland in veel buitenlanden als een losbandig land waar alles mag, is het deel van het huishoudbudget dat opgaat aan alcohol, tabak en narcotica eveneens klein naar EU27 maatstaven (2,9 om 3,5% in 2006). 

 

In 1993 vond de helft van de Nederlanders (EU 40%) vrije tijd erg belangrijk en in 1999 lag dit aandeel op 53%. In 1993 klaagde naar EU maatstaven het kleinste deel van de werkende bevolking (5 om 15%) over gebrek aan vrije tijd. De doorsnee tevredenheid met de hoeveelheid vrije tijd lag in 2000 rond het Eu gemiddelde (4,4 op een schaal van 1 t/m 6 met 6 als summum van tevredenheid). In 2003 was het volksdeel dat naar eigen bevinding te weinig tijd had voor hobby's het kleinste binnen de EU25 na dat in Luxemburg (34%; EU 43%). In 2002 beoordeelde men het belang van vrije tijd met het cijfer 8,2 (bij top5 EU15), maar rond begin oktober 2006 lag het contingent Nederlanders dat de stelling onderschreef dat vrije tijd belangrijker hoort te zijn dan werk onder het EU25 gemiddelde (40 om 48%). In 2004 was het deel van de Nederlanders dat meer tevreden dan ontevreden met hun sociale leven (95%) het grootste binnen de EU25 (85%).  

 

Ontwikkelingen in het mediagebruik

Nederlanders steken steeds minder tijd in de traditionele nieuwsmedia. Hoewel ze naar EU maatstaven nog steeds veel lezen, daalde de tijd die werd gestoken in het lezen van kranten, tijdschriften en boeken tussen 1975 en 2005 van 6 uur naar 3u48 per week (kranten 1,5 uur p/w, tijdschriften 40min p/w). Het volksdeel dat kranten en tijdschriften las ging van 95 naar 81%. Tussen 2000 en 2005 daalde de TV kijktijd van 3 uur naar 3u21min p/d (EU25 3u27m,) en de radioluis­tertijd ging tussen 1975 en 2005 van 15 naar 9 uur p/w (bij ouderen langer, bij jongeren korter, bron ORTF Medienforschung). Volgens het jaarrapport 2007 van de SKO daalde de TV kijktijd p/d in 2007 met 10 minuten naar 3u6m p/d.   De daling werd deels opgevuld door de computer. Het gebruik daarvan behoort tot de EU top. Tussen 2002 en 2007 steeg het aandeel huishoudens met een internetaansluiting van 58 naar 83% (hoogste EU27, Eu 54% in 2007). In 2005 werd de computer thuis gemiddeld 3,8 uur p/w gebruikt (door 12-20 jarigen 8,5 uur p/w). Het volksdeel dat thuis vrijwel dagelijks internette was in 2007 met 81% het grootste binnen de Eu27 (EU 51%) en 20% internette wel mobiel (het vaakst met een laptop). Men was naar EU maatstaven lang "online". Ook de mobiele telefoondichtheid is hoog naar Eu maatstaven (NL 113%; EU 106% in 2006). Bij het veranderende mediagebruik spelen geslacht en leeftijd een rol. Ouderen hechten meer aan traditionele media en mannen gebruiken de computer vaker dan vrouwen. Jongeren houden de traditionele media steeds meer voor gezien en gebruiken vaker het internet voor informatie en uitwisseling. Chatten per computer is onder hen erg populair. Rond 5% (veel meisjes) stak hier in 2004 meer dan 30 uur per week in. Door een bredere leeftijdsgroep werd na 2000 steeds meer tijd besteedt aan mobiel bellen en binnen een luttel aantal jaren konden velen zich bijv. al niet meer voorstellen dat er zonder smsjes iets moois zou kunnen opbloeien. Tussen 1975 en 1995 groeide de vrijetijdsmobiliteit, maar door de opkomst van pc's en mobiele telefoons nam deze nadien wat af. Door de nieuwe communicatiemedia werd de vrijetijdsbesteding op korte termijn (binnen een week) éénzijdiger, maar men brak op lange termijn (binnen een jaar) vaker de sleur. Meer gedetailleerde info over mediagebruik is te vinden onder media/ algemeen/ mediaconsumptie.

 

Participatiegraad 

Men kan het zo gek niet bedenken, of er is in Nederland wel een vereniging of zelfhulpgroep voor. De participatiegraad (het lidmaatschap van clubs) was in 1998 na Zweden en Denemarken, het hoogst binnen de EU. Bijna de helft van de bevolking (47% om 24%) was lid van minimaal 2 organisaties. Bij het verenigingslidmaatschap van Nederlanders was in ver­gelijking met Zweden en Denen sterker sprake van bewuste keus en minder sterk van nood­zaak of gewoonte. Men was in Nederland vaker dan in enig ander EU land aangesloten bij een natuur en milieuorganisatie (25%), een kerkelijke organisatie (16%) of een club met een ideëel doel (16%) en het op één na vaakst bij een sportclub (37%), een consumentenorganisatie (19%) of een culturele vereni­ging (11%). Door mobiele telefoons en internet neemt het lidmaat­schap van verenigingen af. Rond 1995 bereikte het aantal lidmaatschappen van vrijetijds­clubs een piek (56 per 100 inwoners vanaf 12 jaar), maar daarna daalde het naar 46 per 100 in 2003. Geestverwanten worden steeds vaker via het internet opgezocht. Tussen 2000 en 2005 daalde onder 18plussers de deelname aan georganiseerd vrijwilligerswerk van 46 naar 43% onder mannen en van 44 naar 42% onder vrouwen. Bij wie onderwijs volgt en onder werklozen, ouderen en gepensioneerden is de deelname hoger. Vrijwilligerswerk bij sportverenigingen en informele hulp komen het meest voor. In 2003 lag het aandeel Nederlanders dat tijd stak in vrijwilligerswerk en politieke activiteiten boven het Eu25 gemiddelde (63 om 55%; bron Eurlife indicator).

 

Verdeling van de vrije tijd

In 2003 hadden Nederlandse 12plussers gemiddeld per etmaal 6u9min vrije tijd. In 2002 luisterden relatief veel van hen dagelijks op enigerlei wijze naar muziek (Eu 61%, NL 75%) en ook foto's maken (EU15 29%; NL 47%, het hoogst na Zweden) is populair. In 2005 deed 11% aan tekenen en schilderen. Sociale contacten met familieleden had 86% minstens eens per week, 7% rond 2 keer per maand en de rest (ook 7%) minder vaak. Qua contacten met vrienden en kennissen lagen deze getallen op respectievelijk 80, 9 en 11%. Tussen 1990 en 2000 bleef de tijd die men wekelijks besteedde aan uitgaan (2½ uur) en sport en bewegen (2 uur) ongeveer gelijk. Er werd minder tijd gestoken in contacten met huisgenoten (van 3,2 naar 2,4u), huiselijk sociaal contact met derden (van 8,4 naar 7,8u), maatschappelijke participatie (van 2,2 naar 1,8u) en overige liefhebberijen (van 7,7 naar 6,8u) en meer in elektronische media (van 13,7 naar 14,8u) en telefoneren (van 0,6 naar 0,7u). Tussen 1985 en 2000 nam de wekelijkse tijdsbe­steding aan verplichte activiteiten toe van 41 tot 44 uur en aan persoonlijke zorg (eten, slapen, hygiëne etc.) van 75 naar 77 uur. Tegelijkertijd daalde het aandeel voor vrije tijd van 49 naar 45 uur, maar in 2003 was het weer wat groter. Qua vrijetijdsbesteding van 12 plussers daalde tussen 1975 en 2005 volgens het CPB het aantal uren p/w dat werd gestoken in directe sociale contacten (van 13 naar 9 uur), lezen en gedrukte media (van 6 naar 4 uur) en niet nader gespecificeerde liefhebberijen (van 8 naar 6 uur). De tijd die men besteedde aan uitgaan (2,5u) en maatschappelijke participatie (2 uur) bleef ongeveer gelijk en men ging meer tijd steken in sport en beweging (van 1,5 naar 2,5u) en audio, tv, pc en/of internet (van 12,5 naar 15 uur, maar na 2000 wel een daling bij radio en tv).

 

In 2004 verwachtte het grootste contingent (42%) dat in de toekomst vrije tijd opgeofferd zou moeten worden voor werktijd. Men wilde meer tijd kunnen investeren in kinderen, internetten, reizen, vakanties, vrienden, hobby's, muziek of lezen en minder in vrijwilligerswerk, luieren of nietsdoen en museum of theaterbezoek. Keu­zevrijheid zonder druk, samen met anderen leuke en nuttige dingen doen en jezelf ont­wikkelen in iets waar je goed in bent (vooral bij jongeren) waren belangrijke keuzecriteria.

 

Activiteiten buitenshuis

Volgens het CBS begint een Nederlander die de eigen huisdeur achter zich dicht doet met een recreatief doel voor ogen (huis­bezoek bij vrienden en familie niet meegerekend) aan een dagtocht (een uitstapje in meer alledaags Nederlands). Het aantal uitstapjes daalde tussen 2001/02 en 2006/07 met 8% van 982 miljoen naar 904 miljoen. De da­ling was het sterkst onder 25-45 jarigen (van 311 naar 238 miljoen keer). Onder 65 plussers was sprake van een stijging (van 100 naar 117 miljoen). Het favoriete ver­voersmiddel bij uitstapjes was de auto (58% in 06/07), gevolgd door de fiets (23,5%), de benenwagen (10%) en het openbaar vervoer (8%). Voor alle denkbare andere vervoermid­delen bleef 0,5% over. Het doel van de exercitie lag het vaakst in de sfeer van actieve sportieve recreatie (27,5% in 06/07; 31% in 01/ 02; -3,5%), gevolgd door horecabezoek (23%; +0,7%), recreatief winkelen (14,7%; +3,2%), het bezoeken van een attractie of evenement (13%; +2%), zonnen, zwemmen en kamperen (7,5%; -3,5%) en toeschouwer of begeleider bij sport (6%, +0%). In 2006 ging volgens het CBS 76% (+1%) van de Nederlanders met vakantie. Verder deed 15% (+!%) aan museumbezoek (zie onder cultuurdeelname), 27% (15-40 jarigen meer, +2%) aan cafébezoek (minstens eens p/m) en 59% (+1%) aan sport (zie verder onder sport). In 2005 wandelde 54% en fietste 50% regelmatig (in beide gevallen 1 tot 4 keer p/w of vaker). In 2004 maakte 68% vaker dan 3 keer per jaar uitstapjes in de vrije natuur, 9% bezocht met dezelfde frequentie een grote speel­tuin, 5% een pretpark en 5% een grote dierentuin. Bij de laatste 3 groepen springen de 35-44 jarigen (met kinderen) er uit. Het aandeel wandelaars, fietsers en natuurliefheb­bers loopt tussen 12 en 65 jaar op om daarna te dalen.

 

Tussen 1998 en 2000 daalde het aandeel volwassen Nederlanders dat de horeca had bezocht om iets te drinken van 94 naar 92% en om uit eten te gaan van 91 naar 88%. Wel steeg bij degenen die wel uit gingen het jaarlijkse aantal bezoeken aan drinkgelegenhe­den van 66 naar 72 en aan eetgelegenheden van 27 naar 30. Voor 1 op de 4 volwassenen (doe-het-zelvers) is klussen in of rond het huis belangrijk als vrijetijdsbesteding. Op zondag gaan velen naar familie en vrienden, rommelmarkten, kunstgalerieën en musea of men gaat wandelen, fietsen of een autoritje maken. Hoewel de fietsdichtheid achteruit gaat, wordt vooral in de steden de fiets veel gebruikt als alledaags vervoersmiddel en overal in het land zijn fietspaden en fietsroutes. Nederland heeft de grootste fietsdichtheid ter wereld, in 2003 meer dan 1 exemplaar per inwoner. Ieder jaar worden er zo'n 1,5 miljoen verkocht en 750.000 gestolen! In het warme seizoen zoeken opvallend veel stedelingen met een stacaravan of bungalowtent op een camping gezelligheid bij elkaar (kletsen, bier drinken, kaarten etc). Op stranden langs de kust of bij recreatieplassen houden op warme zomerweekenden miljoenen zich onledig met zonnebaden, luie­ren, zeilen, zwemmen of spel en sport en overal langs de waterkant wordt dan gevist. 

 

Huishoudelijke bezittingen

Bezit duurzame gebruiksgoederen in procenten onder Nederlandse huishoudens onder of rond het sociaal minimum en boven het sociaal minimum in 1991 en 2001 en in de EG in 2001

Gebruiksgoed

1991

2001

EU15 2001

Koelkasten per 100 huishoudens

98-99

99-100

106

Vrieskisten per 100 huishoudens

43-58

65-74

51

Magnetron

10-20

75-80

 

Vaatwasser

4-13

29-44

37

Wasmachine

83-93

94-97

84

Kleuren tv

94-97

99-99

97

Video

33-58

79-81

76

CD speler

26-53

85-89

 

DVD

-

10

9

PC

8-28

57-69

45 (2003)

Auto

37-74

52-77

47 (2000)

Sta of vouwcaravan

5-13

9-14

2

 

 

In 2004 had van alle Nederlandse huishoudens 79% een vrieskist, 84% een magnetron, 47% een vaatwasser, 96% een wasmachine, 98% kleuren tv (23% breedbeeld), 75% een auto en 11% een toer (9%, -3% t.o.v 2001) of stacaravan (2%). In 2006 was 66% in het bezit van een DVD speler (EU25 52%) en video begon uit te raken (NL 70%; EU 65%). In 2007 beschikte volgens SKO 82% van de huishoudens over een computer daalde het gedeelte huishoudens met op de TV aangesloten video tussen 2006 en 2007 van 62 naar 43%. Het gedeelte met DVD steeg van 74 naar 78%. Het naar de TV kijken via de PC nam m.n door het toenemend gebruik van de mediaspeler toe van 12 naar 17%.

 
< Vorige   Volgende >
Internet Solutions by IT Elements