|
Tendensen in de breedtesport: individualisering en commercie
In 2005 sportte 42% van de Nederlanders 1 tot 4 uur per week en 16% langer (0-45 jarigen meer, 45plussers minder, bron CBS). De 12plussers waren gemiddeld 2u36m p/w aan het sporten. De sportdeelname steeg tussen 1987 en 2003 van 58 naar 69% van de 8 tot 80jarigen (SCP). In Nederland wordt veel gesport buiten georganiseerd verband. Het deel van de sportende bevolking dat lid was van een club bereikte in 1991 een piek van 60%, maar daarna daalde het tot 53% in 2003 (bron SCP). Mede omdat men zich minder aan anderen wil verplichten worden vrijblijvende individuele sportbeoefening en massale breedtesportevenementen (recreatielopen, fietstochten, wandelevenementen, schaatstochten) belangrijker ten koste van georganiseerde wedstrijdsport en teamsport (van 49 naar 42% van de sportbeoefenaren tussen 1991 en 2003). In de media is de belangstelling voor sport toegenomen en de invloed van commercie en private sector zijn gegroeid ten koste van die van overheden. Tussen 1990 en 2000 daalde bijv. het aandeel van gemeenten in de exploitatie van openlucht (van 85 naar 79%) en overdekte accommodaties (van 58 naar 44%) en de bijdrage van particulieren groeide navenant. Sportsponsoring door het bedrijfsleven neemt een steeds hogere vlucht. In 2005 bedroegen de overheidsuitgaven voor sport €1,2 miljoen bruto en €0,9 miljoen netto (zo'n 22% van het budget voor cultuur, recreatie en sport, voor ruim 80% besteed door de gemeenten).
Breedtesport: deelname en voorzieningen
Het aandeel Nederlanders dat 1 tot 4 keer per week sportte steeg tussen 2000 en 2003 van 40 naar 43% (EU 35% in 2003) en het gedeelte dat dit deed voor ontspanning (79%, Eu 48%) of juist voor het prettige van de inspanning (64%, Eu 43%) was het hoogste binnen de EU (in andere landen wegen motieven in de sfeer van gezondheid, teamgeest en verbroedering vaak zwaarder). In 1999 deed 27% van de bevolking aan zwemmen (het aantal geregistreerde zwembadbezoeken steeg tussen 1990 en 2003 van 82 naar 93 miljoen), 16% aan fietsen, 14% aan fitness/aerobics, 11% aan wandelen, 9% aan joggen, 8% aan tennis, 7% aan skeeleren en 6% aan veldvoetbal (de populairste teamsport). In 2006 telden de bij de overkoepelende sportorganisatie NOC/ NSF aangesloten 72 sportbonden 29.000 verenigingen met 4.7 miljoen leden op een bevolking van 16,3 miljoen (+1% t.o.v 2005; met de 16 buitengewone ledenbonden meegerekend 5,07 miljoen, +1,6%). In 2006 lagen de ledenaantallen bij de individuele sportbonden op 1,84 miljoen (+2%), bij de teamsportbonden op 1,81 miljoen (+1%) en bij de semi-individuele sportbonden (tennis, judo e.d) op 952.000 (-0,5%). De grootste bonden waren de voetbalbond (1,1 miljoen), de tennisbond (0,7 miljoen), de gymnastiekbond (284.000) en de golfbond (264.000). Bij de grote bonden steeg de belangstelling voor golf, paardensport en atletiek en die voor schaatsen, skiën en korfbal daalde. Het aantal sportvrijwilligers lag tussen 2003 en 2006 jaarlijks rond 1,2 miljoen.
Vroeger beschikte vrijwel elke school in Nederland over een gymnastieklokaal. Later werden dat sportzalen genoemd. Sport is (onder de naam gym) in het leerplichtonderwijs een verplicht schoolvak. Schoolkinderen krijgen ondermeer zwemles waarbij ze zwemdiploma's kunnen halen. Bijna alle gymlokalen en sportzalen worden tegenwoordig 's avonds verhuurd aan clubs en verenigingen, meestal om er recreatief balsporten te beoefenen. Op vergelijkbare wijze maken scholen in de zomer door de week gebruik van de sportvelden van allerlei sportverenigingen. Bij oudere leeftijdsgroepen zijn dammen, schaken, bridgen en klaverjassen geliefd. Zo doet van de 65plussers 1 op de 3 aan fysieke sport en de helft aan deze denksporten. De Nederlandse omstandigheden lenen zich ook uitstekend voor zeilen en windsurfen. Voorbeelden van jaarlijkse evenementen op dit vlak zijn de 100 km lange ronde om het waddeneiland Texel voor catamarans en windsurfers, het skûtsjesilen en de Sneekweek. In 2003 telde Nederland 770 zwembaden (340 overdekt), 2160 (andere) overdekte sportaccommodaties, 4000 openluchtaccommodaties en 20.400 sportvelden en banen. Tussen 1994 en 1997 voltrok zich een scherpe daling in de bezoekersaantallen van sportaccommodaties. Bij de openluchtaccommodaties was daarna sprake van enig herstel. In 2003 bezochten wekelijks 475.000 mensen een openluchtaccommodatie en 1,1 miljoen een overdekte voorziening.
Schaatsen
Schaatsen op het bevroren buitenwater kan in Nederland niet zo vaak. Het is dusdanig populair, dat er aan het begin van iedere vorstperiode wel schaatsers met een nat pak thuis komen omdat het ijs nog niet betrouwbaar was. Ook krijgt ieder jaar de eerste schaatswedstrijd die op een ijsbaan van natuurijs kan worden verreden veel media-aandacht. Gedurende strenge winters worden er schaatstochten gehouden. De meest beroemde is de 200 km lange elfstedentocht in Friesland. Behalve tienduizenden deelnemers trekt deze tocht honderdduizenden toeschouwers langs de kant en vele miljoenen op tv. Omdat het maar zelden hard en lang genoeg vriest kan de elfstedentocht op de schaats gemiddeld eens in de 12 jaar worden verreden. Ze is echter zo'n inspiratiebron geworden voor organisatoren dat ze in de loop van een jaar hardlopend dan wel wandelend (in 5 dagen); steppend, fietsend; varend per boot, kano of roeiboot; op skeelers en per auto of motor kan worden afgelegd. Vooral door het gebrek aan schaatswinters verliezen de schaatsbonden en clubs intussen steeds meer leden.
Typisch Nederlands
Reeds voor de 2e wereldoorlog had het wandelen in groepsverband (z.g.n. wandelmarsen) in Nederland een hoge vlucht genomen en nadien nam de populariteit ervan alleen maar toe. Er kwamen overal wandelvierdaagsen (vaak avondvierdaagsen) waaraan naast typisch Hollandse marsliedjes zingende scholieren ook veel volwassenen meededen. De bekendste Nederlandse vierdaagse, die van Nijmegen, trekt ieder jaar in augustus vele tienduizenden deelnemers en honderdduizenden toeschouwers. In de 17e eeuw waren er al Nederlandse kinderen die een gevulde varkensblaas door een ring aan een muur gooiden. Mogelijk is hieruit het korfbal ontstaan. Later werd dit naast het hardrijden op de schaats één van de typisch Nederlandse sporten. Het eigenlijke korfbal is uitgevonden in 1902 door een Nederlandse gymleraar. Het is een spel met 2 teams, die ieder bestaan uit 6 mannen en 6 vrouwen. Men probeert de tegenstander te verslaan door het vaakst een bal door de aan een paal bevestigde mand van de tegenpartij te gooien. Thans is het een typische plattelandssport en de belangstelling ervoor daalt. Kaatsen, een soort teamtennis zonder rackets, is een overblijfsel uit de Romeinse tijd. Het wordt het meest in Friesland gespeeld en het is daar terecht gekomen vanuit Frankrijk. Naast het kaatsen kennen vooral noord en oost Nederland meer regionale sporten. Daartoe kan het uit het fierljeppen (zie folklore) ontstane polsstokverspringen worden gerekend. Hierin bestaat sinds kort zelfs een Europees kampioenschap. Het klootschieten is een regiosport van Oost-Nederland en het ringsteken met paarden wordt door het hele land beoefend. Nederlandse supporters maken van internatonale wedstrijden waaraan Nederlanders meedoen vaak complete freakshows met oranje attributen (de kleur van het vorstenhuis en tevens de nationale kleur). Dit is begonnen met schaatskampioenschappen en het heeft zich via het EK of WK voetbal uitgebreid naar andere sporten. Vooral tijdens zulke voetbalwedstrijden zijn de straten vrijwel uitgestorven en zitten bijna alle cafés stampvol tv kijkers.
Topsport
Tussen 2000 en 2007 bivakkeerde Nederland doorgaans in de top10 onder de ruim 200 landen op de wereldranglijst van de FIFA (de wereldvoetbalorganisatie). De belangrijkste voetbalclubs zijn Ajax Amsterdam, Feyenoord Rotterdam en PSV Eindhoven (alle 3 Europacupwinnaars) en de meest legendarische Nederlandse voetballers Faas Wilkes (1923-2006), Abe Lenstra, Dennis Bergkamp, Johan Cruyff (wellicht de bekendste Nederlander ter wereld) en keeper Edwin van der Sar. Faas Wilkes was één van de eersten die als prof in het buitenland speelde. In die tijd (vlak na de oorlog) werd dat door velen nog als verraad en teken van geldzucht gezien. Hij mocht als betaald voetballer een tijdlang niet voor het Nederlandse elftal uitkomen. In 1953 werd hij in Spanje gekozen tot beste voetballer van het jaar. Veel Nederlandse topvoetballers hebben Surinaamse wortels. Opvallend veel voetbaltrainers en veel voetballers uit Nederland (waaronder velen met Surinaamse wortels) behaalden internationaal grote successen. Tot en met 2006 won Nederland op de moderne Olympische spelen 308 keer een medaille. Daarmee bezette men een 17e plaats temidden van de ruim 150 landen die ooit medailles wonnen (17e bij alle zomerspelen; 13e van zo'n 50 landen bij de winterspelen). In 89 gevallen ging het om goud. Olympische medailles worden op zomerspelen het vaakst binnengehaald met zwemmen, judo, baanwielrennen, roeien, paardensport en veldhockey en op winterspelen vrijwel alleen met het hardrijden op de schaats (bij deze tak van sport behoort men al jaren tot de absolute wereldtop). Bij de Olympische winterspelen van 2006 in Turijn behaalde men met 9 schaatsmedailles een 10e plek in de landenrangschikking. Jaap Eden, Ard Schenk en Kees Verkerk zijn legendarische schaatsers. Voorbeelden van sporthelden met een vergelijkbare status zijn atlete Fanny Blankers-Koen (1918-2004), judoka Anton Geesink en Tourwinnaars Jan Jansen (in 1968) en Joop Zoetemelk (in 1980). Tot de succesvolle topsporters van na 2000 behoren wielrenster Leontien van Moorsel en zwemsterren Pieter van den Hoogenband en Inge de Bruijn.
|