Home arrow Nederland arrow Cultuur arrow Feestdagen en folklore
Feestdagen en folklore

 

Nationale feestdagen

Koninginnedag op 30 april is in Nederland uitgegroeid tot de belangrijkste nationale feestdag. In feite gaat het hier om de verjaardag van de vorige koningin Juliana, maar de huidige koningin Beatrix heeft de traditie voortgezet ter ere van haar moeder. Een grote publiekstrekker op deze dag zijn de vrijmarkten; straatmarkten waarbij geen ventvergun­ning nodig is en waar honderdduizenden bezoekers op af komen. Ook zijn er overal op­tochten, popconcerten, braderieën en allerlei andere festiviteiten. De centra van veel ste­den zitten barstensvol mensen, vaak tot diep in de nacht. Overal is het rood wit blauw van de Nederlandse vlag te zien en ook de nationale kleur, die van het Nederlandse vorsten­huis van de Oranjes, is overvloedig aanwezig. Koninginnedag wordt zeer algemeen ge­vierd en is bijv. ook populair bij diverse immigrantengroepen (m.n. uit de West). Het is, naast de belangrijkste christelijke feestdagen, tevens één van de dagen waarop traditio­nele Nederlandse klederdrachten nog wel eens uit de mottenballen worden gehaald. Kort hierna vindt op 4 mei om 8 uur s'avonds de nationale dodenherdenking plaats ter ere van de slachtoffers van de 2e wereldoorlog. Na een korte officiële plechtigheid wordt er op dit tijdstip 2 minuten stilte in acht genomen. De volgende dag (5 mei) is het bevrijdingsdag; de viering van het einde van de Duitse bezetting tijdens de 2e wereldoorlog. Dit is de officiële nationale feestdag. De festiviteiten zijn vergelijkbaar met die van koninginnedag, zij het dat er wat minder wijdverbreid en uitbundig wordt gefeest. 

 

Sint maarten en Sinterklaas

Op 11 november wordt in Noord-Nederland St. Maarten gevierd ter herdenking van de sterfdag van de heilige St. Martinus die het goed voor had met armen en kinderen en dus vooral met arme kinderen. Kinderen gaan dan met lampions (vroeger vaak met een uitgeholde biet of raap met een kaarsje) bij de deuren langs en krijgen snoepgoed in ruil voor het zingen van een liedje. Het sinterklaasfeest op 5 de­cember is een kinderfeest dat landelijk populariteit geniet. Sint-Nicolaas (sinterklaas) is oorspronkelijk de patroonheilige van zeelui, kooplieden en kinde­ren. Peuters en kleuters wordt voorgehouden dat deze Goedheiligman onsterfelijk is en ieder jaar vanuit Spanje naar Nederland komt. Reeds weken voor 5 december houdt hij zijn jaarlijkse intocht per (stoom)boot in het gezelschap van zijn knechten, de zwarte pieten. De landelijke in­tocht is op tv te zien, maar ze wordt in iedere stad herhaald. Tussen deze intocht en de werkelijke viering mogen kinderen hun schoen zetten. Vroeger gebeurde dat bij de kachel, want toen er nog geen centrale verwarming was werd verteld dat de Goedheiligman en zijn knecht s'nachts met paard en jutezakken over de daken van de huizen rijden en dat de knecht via de schoorsteen lekkers uit zo'n zak in de schoen van het kind stopt (hetgeen verklaart waarom hij zwart als roet is). Kinderen werd verteld dat wat hooi of een wortel voor het paard in de schoen de volgende ochtend een extra beloning kon opleveren. Op sinterklaasavond zelf komt de Goedheiligman; compleet met een rode mijter en tabbard en een witte baard; langs met zwarte piet. De knecht strooit eerst pe­pernoten (kleine gekruide koekjes) en daarna komt hij naar binnen met de Sint om vanuit de zak cadeautjes uit te delen. Daarbij komt via het grote boek van de Sint het gedrag van het kind in het afgelopen jaar ter sprake. Vroeger werd er in de sinterklaasperiode wel mee gedreigd dat stoute kinderen niets kregen en in de zak mee terug moesten naar Spanje om daar tot pepernoten te worden verwerkt, maar tegenwoordig wordt dit scenario be­schouwd als barbaars en schadelijk voor de kinderziel. Ook in gezinnen zonder kleine kinderen wordt Sinterklaas veel gevierd. Men ziet het dan als een gelegenheid om, via cadeautjes die vergezeld gaan van cryptische gedichten, elkaar aan het blozen en aan het lachen te krijgen.

 

Kerst en jaarwisseling

De kerstdatum (vlak na de kortste dag) is gebaseerd op de voorchristelijke midwinter­feesten. In de periode voor de kerstening van Europa werd in noordelijke landen het eerste lengen der dagen gevierd. De roomse kerk vond dat het beeld van het onder nederige omstandigheden geboren Christuskindje goed bij deze symboliek aansloot (één van de betekenissen van het woord Christus is licht). Het kerstfeest is tegenwoordig in Neder­land een echt familiefeest. Vaak houden basisscholen en studentenverenigingen kort voor de kerst echter een kerstdiner. In het zuiden van het land organiseren scholen dan levende kerststallen. De groene kerstboom met lichtjes symboliseert wellicht dat de natuur door het lengen der dagen weer groen zal worden. Roomsen gaan op kerstavond naar de nachtmis en veel protestanten bezoeken een kerkdienst op 1e kerstdag. Kerstdiners zijn een hoogtepunt van de viering. In protestante gezinnen wordt daarbij het kerstevangelie voorgelezen. In sommige families geeft men elkaar op 2e kerstdag cadeautjes. De kerstman is in Nederland in opkomst, maar laat zich in de sinterklaastijd nog niet zien. Bij de viering van oud en nieuw behoort het eten van in hete olie gefrituurde meelballen, vaak gevuld met appel of rozijnen en bestrooid met poedersuiker (oliebollen en appel­flappen). Na het middernachtelijk uur ontkurkt men de champagnefles en gaat men naar buiten om vuurwerk af te steken en elkaar een gelukkig nieuwjaar toe te wensen (veelal door elkaar om de hals te vliegen). Bij de traditie van kerst en nieuwjaar hoort ook het sturen van ansichtkaarten.

 

Carnaval en Pasen

In roomse streken, m.n. in zuid Nederland, wordt  in  de week voor het begin van de roomse vastentijd carnaval gevierd met optochten, dansen, drinken en loltrappen als ingrediën­ten. Vooraf wordt een prins carnaval gekozen en plaatsen veranderen tijdelijk van naam. Meestal valt het carnaval ergens in februari en in de regel ligt het zuiden van Neder­land dan plat. Een oeroud voorchristelijk gebruik tijdens de paasdagen is in Noord en Oost-Nederland het ontsteken van paasvuren. De paasdatum is gekoppeld aan het begin van de lente en daarmee aan het feit dat de dagen voor het eerst weer langer zijn dan de nachten. Als symboliek voegt de opstanding van Christus (het licht) uit de dood hier bij aan. Het ontsteken van Paasvuren was oorspronkelijk bedoeld als eerbetoon en smeek­bede aan Keltische en Germaanse goden om de lente terug te brengen. Ook werden in de voorchristelijke tijd eieren opgeschilderd (vaak in rood en in goud, de kleuren van de opkomende zon) en dat gebeurt nu hier en daar nog. De eveneens in Nederland bekende Paashaas was een voorchristelijk voorjaarssymbool van vruchtbaarheid.

 

Nederlandse folklore

Tot de typisch Nederlandse folkloristische activiteiten die nog tamelijk veel voorkomen behoort het over sloten springen met behulp van een lange stok (polsstokspringen), een voorjaarsactiviteit die in Friesland het meest wordt beoefend en daar fierljeppen heet. Het wordt wel in wedstrijdverband beoefend, maar vooral vroeger werd het vaak gecombineerd met het zoeken van kievitseieren: ljipaaisykje op zijn Fries). Andere voorbeelden zijn priksleeën (het zich op een sleetje voortbewegen over het ijs met behulp van 2 puntige stokken) en sjoelen; een spel met houten schijfjes die via een snelle polsbeweging door een gepolijste houten bak heen in kleine openingen moeten worden geschoven. Nog een Friese traditie is het skûtsjesilen; een jaarlijks terugkerende zeilwedstrijd van een week met oude vrachtschepen. Tot de Nederlandse culturele folklore worden ook klompen, tulpen, molens en draaiorgels gerekend. Vroeger werden klompen op het platteland veel gedragen. Tegenwoordig is 70% van de wereldomzet ervan (zo'n 3 miljoen paar per jaar) afkomstig van de firma Nijhuis uit Beltrum. Meer dan 95% van deze klompen wordt in souvenirwinkels verkocht aan buitenlandse toeristen. Tulpen komen oorspronkelijk uit Turkije en omgeving en het aantal klassieke Hollandse molens is in 100 jaar tijd gereduceerd van zo'n 10.000 tot rond 1100. Wel ziet men steeds meer moderne wind­molens (vaak uit Denemar­ken). Het draaiorgel is meer Italiaans dan Nederlands. De uitvinder van het type dat in Nederland is te zien en te horen is de 19e eeuwse in Parijs levende Italiaan Ludovic Gavioli. Hij en zijn land­genoot Gasparini bouwden daar de eerste draaiorgels van deze soort. Later werden ze ook wel in België gemaakt. Draaiorgels komen in meerdere Europese landen voor en worden tegenwoordig mechanisch aangedreven. In Engeland heten ze straator­gels. Zelfs een (voor velen dubieus) ei­gentijds Nederlands cultuurgoed als de koffieshop is op zijn retour. Tussen 1997 en 2003 liep het aantal ervan terug van 1200 naar 750 en men controleert streng op de minimum­leeftijd voor toelating (18 jaar), overlast en harddruggebruik. De overheden zijn er nog niet uit of en wanneer eventuele laatst overgebleven koffieshops onder monumentenzorg moeten gaan vallen. Wel bestaat sinds 1985 in Amsterdam een cannabismuseum.

 
< Vorige   Volgende >
Internet Solutions by IT Elements