Opleidingsniveau en talen
Van de Nederlanders boven de 14 is 1% analfabeet. Onder sommige groepen 1e generatie immigranten is vooral onder vrouwen de beheersing van het Nederland gebrekkig en het analfabetisme hoog. Kinderen tussen 6 en 16 zijn volledig leerplichtig en tussen 16 en 18 geldt een gedeeltelijke leerplicht. Per 1 augustus 2007 geldt tot 18 jaar een plicht om een diploma te halen. In 2007 had 73,2% van de 15-65 jarigen minimaal een secundair vervolgonderwijsdiploma op zak (EU 70,8%). Het aandeel 18 tot 25 jarigen zonder diploma (voortijdige schoolverlaters) lag op 12% (EU27 14,8%). Hoogste opleidingsniveau 15-65 jaar 2005: 9% basisschool, 26% lager secundair onderwijs, 40% secundair vervolgonderwijs, 25% HBO/ universiteit. In 2007 had van het deel van deze leeftijdsgroep dat geen opleiding meer volgt volgens het CBS 30% (-6% t.o.v 2006) een lager, 44% een middelbaar en 25% (+5%) een hoger opleidingsniveau. Bij 1% was het niveau onbekend. Onder Turken en Marokkanen lag het gedeelte met een lage opleiding op 52% (-2%) en het deel met een hoge opleiding op 9% (+2%). Het Nederlands is de voertaal en zo'n 400.000 Nederlanders in en buiten Friesland beheersen daarnaast het Fries (de 2e officiële taal in Nederland). In 2003 was naar eigen oordeel 88% van de Nederlanders (hoogste aandeel EU15 na het VK, Ierland en Zweden) enigszins tot uitstekend in staat tot het lezen van Engelse tekst. In het vervolgonderwijs kreeg een leerling in 2006 gemiddeld les in 2 vreemde talen (EU27: 1,4 taal).
Historische achtergrond van het onderwijsstelsel
De vrijheid van onderwijs werd in Nederland vastgelegd in de grondwet van 1848. Volgens deze wet mag iedere groepering eigen scholen stichten. In 1900 werd een 6 jarige leerplicht ingevoerd. Een liberale onderwijswet uit 1878, die erop gericht was om geloof uit het onderwijs te weren, vormde de aanleiding voor de oprichting van de eerste politieke partij van Nederland door Abraham Kuyper, de ARP (antirevolutionaire partij). Deze partij streed voor gelijke berechtiging van levensbeschouwelijk onderwijs. In 1917 werd de schoolstrijd beslecht in het voordeel van de confessionelen doordat openbare en bijzondere scholen (scholen op levensbeschouwelijke of methodische grondslag) gelijke financiële behandeling kregen.
De hedendaagse uitwerking
Er zijn bijzondere scholen op godsdienstige basis (bijv protestante scholen met de bijbel, roomse en islamitische scholen), op levensbeschouwelijke basis (bijv de vrije school van de antroposofen) en op basis van onderwijsmethode (bijv. Dalton, Jenaplan en Montessorischolen). Ook bestaan er mengvormen (bijv een christelijke Montessorischool).
|
Scholen naar levensbeschouwing in 2006/2007
|
|
Denominatie
|
Basisonderwijs
|
Vervolgonderwijs
|
|
Scholen %
|
Leerlingen%
|
Scholen%
|
Leerlingen%
|
|
Openbaar
|
33
|
31
|
26
|
25
|
|
Rooms
|
30
|
34
|
26
|
26
|
|
Protestant
|
30
|
28
|
23
|
23
|
|
Anders
|
7
|
8
|
26
|
26
|
Sinds 1985 bestaat leerplicht voor kinderen van 5 t/m 18 (tussen 16 en 18 een plicht om een diploma te halen, de kwalificatieplicht). Het onderwijs is voor volledig leerplichtige kinderen gratis met een vrijwillige ouderbijdrage voor buitenschoolse activiteiten. Sinds augustus 2005 geldt dit ook voor het voortgezette onderwijs. Wel moeten ouders na de basisschool de leermiddelen (boeken etc) betalen, maar vanaf 2008/2009 worden in het vervolgonderwijs lesboeken vergoed door de overheid. In 2007 was in het basis en vervolgonderwijs 1 computer beschikbaar per 7 leerlingen. De overheid (het ministerie van OC&W: onderwijs, cultuur en wetenschap) stelt minimumeisen aan niveau en voorzieningen voor alle scholen. Scholen hebben een grote vrijheid in de invulling daarvan en in de indeling van het schooljaar. Ze stellen 4 jarenplannen op met doelstellingen ter beoordeling. In 2005/ 06 werden in het leerplichtonderwijs 58 kerndoelen ingevoerd voor het eind van de opleiding die in 2009 van kracht zijn. De weg daar naartoe mogen scholen zelf invullen. De gemeenten brengen voorzieningen aan en de schoolraden zorgen voor administratie, personeelsbeleid en toelating.
De dagelijkse schoolleiding is in handen van leidinggevende teams met een schoolhoofd (basisonderwijs), directeur of rector aan het hoofd. Basisscholen kennen in Nederland ouderparticipatie en in het verplichte vervolgonderwijs hebben ook de leerlingen een stem in het kapittel. Per 1-1-2007 zijn scholen verplicht om een medezeggenschapsraad (MR) te hebben waarin personeel (50%) en ouders en leerlingen (50%) zijn vertegenwoordigd. Het schoolbestuur kan geen plannen invoeren zonder toestemming van deze raad en de raad kan het bestuur ook adviseren. Bij onenigheid tussen raad en bestuur komt een geschillencommissie in beeld. Leerplichtonderwijs wordt mede gegeven op speciale scholen voor kinderen met leer en ontwikkelingsachterstanden. Tussen 1995/ 96 en 2006/ 07 groeide het aantal leerlingen op deze scholen van 35.000 maar 62.000 (zo'n 60% op basisscholen; voor 70% jongens). Het speciale basisonderwijs richt zich op deelname aan het gewone vervolgonderwijs. Omdat de situatie per gemeente verschilt bepalen in het vervolgonderwijs gemeenten hoe ze achterstanden aanpakken. Sinds 1-1-2007 krijgen scholen met 30% of meer leerlingen uit achterstandswijken/ regio extra geld.
In 1996 zijn het middelbaar beroepsonderwijs en het volwassenenonderwijs geregeld binnen de wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). In beide vormen van onderwijs wordt sindsdien bijna volledig voorzien via Regionale Opleidingscentra (ROC's). Vanaf het 18e levensjaar moet voor secundair vervolgonderwijs, hoger onderwijs of volwassenenonderwijs cursusgeld (bij deeltijdopleidingen), lesgeld of collegegeld (hoger onderwijs) worden betaald In het onderwijsjaar 2006/ 2007 lag het cursusgeld bij opleidingen van minder dan 850 uur p/j tussen €100 en €500 en het lesgeld en collegegeld op respectievelijk €963 en €1519. Sinds 2005/06 hebben leerlingen/ studenten van 17+ aan MBO, HBO en universiteit recht op dezelfde studiefinanciering. Het hoger onderwijs kent sinds 1996 een basisbeurs, een lening die bij voldoende resultaat omgezet wordt in een beurs (prestatiebeurs) en in korting op openbaar vervoer. Voor studenten die langer dan 4 jaar over hun studie doen bestaan rentedragende leningen. Studenten vullen hun inkomen vaak aan met bijbaantjes of extra geld van hun ouders. De overheidsuitgaven voor onderwijs lagen in 2005 volgens Eurostat iets boven het EU25 gemiddelde (5,2 om 5,1% van het BBP) en die van huishoudens lagen er onder (0,4 om 0,7% BBP). Het Nederlandse onderwijs neigt naar antiautoritair. Zelfstandig kritisch denken wordt gestimuleerd en leerkrachten worden vaak bij de voornaam genoemd. Ordeproblemen komen veel voor, vooral in het vervolgonderwijs aan kinderen uit immigrantenlanden waar strengere gezagsverhoudingen gelden dan in Nederland.
|
In 2003 behaalden Nederlandse scholieren tot 15 in vergelijking met de EU15 landen een 2e plaats op wiskundig inzicht en natuurkunde, een 3e op probleemoplossend vermogen en een 4e op leesvaardigheid. Qua prijs-kwaliteitverhouding van het onderwijsstelsel zat Nederland bij de beste 3. Wel waren de verschillen in prestaties tussen de schooltypen groot. Net als in de meeste andere EU landen hadden allochtone kinderen en jongens een leesachterstand. De achterstand van meisjes op β vakken was in 2003 goeddeels ingehaald, maar de belangstelling voor deze vakken bleef klein.
|
Witte en zwarte scholen (scholen met in meerderheid autochtone/ allochtone leerlingen) werden na 2000 een steeds belangrijker thema in Nederland. Hoewel beide typen scholen qua prestatieniveau naar elkaar toe zijn gegroeid hebben witte scholen vaak een betere naam. Scholen zijn vrij om hun toelatingsbeleid te bepalen. In de grote steden wordt bij witte scholen nogal eens geloot om plaatsing van leerlingen. In 2006/07 kwam landelijk 8% van de scholen in het basis en vervolgonderwijs boven 50% allochtone leerlingen en 4% boven 80%; maar in de 4 grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den-Haag en Utrecht ging het op basisscholen om 51 en 33% en in het vervolgonderwijs om 46 en 25%. In 2006/ 07 viel in het leerplichtonderwijs volgens het CBS 14% van de leerlingen onder de "niet westerse allochtone" groepen (kinderen van ouders uit Afrika, Latijns Amerika of Azië buiten Japan en Indonesië), maar in de 4 grote steden ging het om 49%.
Kleuter en basisonderwijs
In 1985 ging de kleuterschool op in de basisschool. Sindsdien wordt niet meer gesproken van klassen, maar van groepen. De basisschool kent groep 1 t/m 8 voor leerlingen van 4 t/m 12. De groepen 1 t/m 4 voor leerlingen tussen 4 en 8 vormen de onderbouw en de groepen 5 t/m 8 voor leerlingen van 9 t/m 12 de bovenbouw. in 2005 lag het aandeel 4jarigen dat aan onderwijs deelnam onder het EU gemiddelde (73 om 86%). In 2006/ 07 bedroeg de gemiddelde groepsgrootte 21 leerlingen in de onderbouw en 23 in de bovenbouw. In 2005 telde het basisonderwijs 15,9 leerlingen per leerkracht (EU 14,8). Het aantal leerkrachten per school hangt af van het gewogen aantal leerlingen. Leerlingen uit achterstandsgroepen tellen voor meer dan 1, hetgeen er toe leidt dat de groepen in deze scholen (bijv op zwarte scholen) kleiner worden. In totaal moeten in 8 jaar 7520 lessen worden gegeven, wat neerkomt op 40 lesweken per jaar van 22 à 25 uur. Per dag mag maximaal 5½ uur onderwijs worden gegeven. De urenverdeling tussen onder en bovenbouw is flexibel. De scholen mogen via het schoolbestuur (met ouderinspraak) zelf hun tijd over de vakken verdelen (Engels wordt soms al in groep 1 gegeven en soms pas vanaf groep 6), maar ze moeten wel kerndoelen halen voor groep 8. Onder de verplichte vakken vallen naast de gebruikelijke vakken engels, gym, expressievakken, levensvaardigheden (bijv verkeersles) en gezondheidsleer. Om de communicatie met leerlingen in de onderbouw te vergemakkelijken mogen docenten zich naast het Nederlands ook van allochtone en regiotalen bedienen. In 2006/2007 telde het basisonderwijs 7108 vestigingen met gemiddeld 218 leerlingen (in grote steden meer).
Het schoolbestuur bepaalt hoeveel lessen aan ieder vak wordt besteed, hoe lang lessen duren, wanneer een leerling naar een volgende groep mag (zittenblijven komt niet voor) en wanneer herfst, kerst, voorjaar en meivakanties zijn. Alleen de 6wekelijkse zomervakantie wordt vastgesteld door het ministerie volgens een regiospreiding. Ook mogen docenten zelf hun lesmethodes kiezen. Moderne trends zijn dat docenten worden gezien als procesbegeleiders in plaats van kennisoverdragers en dat leerlingen moeten kunnen doen wat ze leuk vinden (intrinsieke motivatie). Leerlingen leren om zelf dingen op te zoeken raakt meer in zwang en uit het hoofd leren raakt uit de mode. Wel komen sommigen op deze trends terug. Op basisscholen bestaan naast vaste leerkrachten onderwijsassistenten en vakleerkrachten voor gym, levensbeschouwelijke vorming en creatieve vakken. Het schoolbestuur bepaalt de onderlinge verhouding. De vorderingen van leerlingen worden aan het eind van de basisschool meestal (in 2006 bij ruim 80% van de scholen) gemeten aan de hand van CITO toetsen. Deze maken zowel het bepalen van het niveau van individuele leerlingen als het onderling vergelijken van scholen mogelijk. Mede op grond van deze toets geven de docenten via een onderwijskundig rapport aan het eind van de basisschool een advies voor vervolgonderwijs (er is dus geen basisschooldiploma).
|
In 2006 was 79% van de leerkrachten, 45% van de adjunct schoolhoofden, 25% van de schoolhoofden en 74% van het overige personeel vrouw.
|
Vervolgonderwijs
Tot 1968 werd vervolgonderwijs gegeven aan enkele los van elkaar staande schooltypen. De wet op het voortgezet onderwijs van 1968 (de z.g.n. mammoetwet) bood een infrastructuur die bedoeld was om de doorstroming binnen de diverse vormen te bevorderen. In 1993 kregen leerlingen die van de basisschool kwamen de keus tussen VBO (voorbereidend beroepsonderwijs) of MAVO (middelbaar algemeen vormend onderwijs) als voorbereiding op het MBO (middelbaar beroepsonderwijs), de 5 jarige HAVO (hoger algemeen vormend onderwijs) ter voorbereiding op het HBO (hoger beroepsonderwijs) en het 6 jarige VWO (voorbereidend wetenschappelijk onderwijs) ter voorbereiding op universitair onderwijs. In het VWO kent men het atheneum, het gymnasium (met Grieks en Latijn) en het lyceum (een combi van beide). In 1998 werd in de laatste fase van HAVO en VWO het studiehuis ingesteld om de leerlingen zelfstandig studeren aan te leren en in 1999 werden MAVO en VBO samengevoegd in het 4 jarige VMBO (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs). Met deze fusie werd het VMBO qua niveau een vergaarbak van leerlingen. De oorspronkelijke bedoeling was om extra hulp te bieden aan achterstandsleerlingen om ze buiten het speciale onderwijs te houden, maar de norm voor het minimaal vereiste aantal per klas werd dusdanig hoog gesteld dat hier in de praktijk niets van terechtkwam. Dit werkte onbehagen, onveiligheid, ziekteverzuim, spijbelen, voortijdig schoolverlaten en kostenverhogingen in de hand. Slechts wanneer het totaal uit de hand liep konden leerlingen via een enorme papierwinkel nog in het speciale onderwijs terechtkomen. In 2006/ 07 kregen zo'n 65.000 leerlingen binnen het VMBO aanvullend onderwijs. Het aandeel zittenblijvers in het hele vervolgonderwijs lag in 2005 op 4,9%. Het varieerde van 3,5% in de hele onderbouw naar 10,9% in de bovenbouw van de HAVO. De totale uitval lag op 11% (1e fase: 12%).
Via fusies daalde het aantal middelbare scholen tussen 1992 en 2006 van 1454 naar 664, verdeeld over ruim 1100 vestigingen. De scholengemeenschappen van VMBO, Havo en/of VWO worden steeds groter. Tussen 1995 en 2006 liep de gemiddelde schoolgrootte in het voortgezet onderwijs op van 1080 naar 1420 leerlingen. In grote vestigingen komt zittenblijven minder voor dan in kleine (daar ontbreekt vaker een VMBO afdeling). In het vervolgonderwijs kent men klassikaal onderwijs en vakdocenten. Scholen kiezen zelf leerboeken en lesmateriaal en leerlingen worden op hun vakkennis getoetst. De beoordeling loopt hierbij van 1 (gering) naar 10 (uitmuntend), met een 6 als laagste voldoende. In de eerste fase van alle typen van voortgezet onderwijs (de onderbouw) wordt in 2 tot 3 jaar een gemeenschappelijke kernleergang van 15 vakken onderwezen. In de onderbouw moet van de minimaal 1040 klokuren p/j die les wordt gegeven 80% over dit kerncurriculum gaan. Tweederde van de 1425 lesuren moet aan de 58 kerndoelen worden besteed. Binnen het kerncurriculum komen bij het VMBO 2 en bij HAVO en VWO minstens 3 vreemde talen aan bod (25% van de tijd, Eu 15%). Engels is overal verplicht. Op het gymnasium geldt hetzelfde voor Grieks en Latijn. Bij andere talen bestaat keuze uit 5 tot 7 talen. Het taalonderwijs wordt op VMBO en Havo gegeven met mascottes die de leerlingen gedurende het lesprogramma begeleiden.
VMBO scholieren kiezen na het 2e jaar en HAVO/ VWO leerlingen na het 3e jaar een meer gespecialiseerd vakkenpakket (een leergang in de bovenbouw). De bovenbouw van VMBO en HAVO telt 2 leerjaren en die van het VWO 3. In de bovenbouw moet minimaal 1000 uur p/j les worden gegeven (in het examenjaar 700 uur). De in meerdere vaksectoren verdeelde 4 leergangen binnen het VMBO (techniek 49% van de leerlingen in 06/07, zorg en welzijn 10%, handel 30% en landbouw 18%) kennen 3 z.g.n. leerwegen; een basisberoepsgerichte (15% van de leerlingen), een kaderberoepsgerichte (26%) een theoretische (met 48% veruit de populairste) en een gemengde (11%). Ze leiden op voor een beroepsopleiding, maar via de theoretische leergang kan men ook doorstromen naar het 4e jaar van de HAVO. Binnen de 2 jaar van de basisberoepsgerichte leerweg bestaan leer-werktrajecten met een buitenschools praktijkgedeelte van 80 tot 160 dagen. Deze zijn bedoeld om een startkwalificatie te halen voor een basisberoepsopleiding. Leerlingen die hiervoor kiezen hoeven alleen examen te doen in hun vak en in Nederlands. Mede doordat het de laagste vorm van voortgezet onderwijs is halen in het VMBO meer leerlingen zonder zittenblijven hun einddiploma dan in Havo/ VWO en het slagingspercentage is hoger. In 2005/ 06 slaagde 95% van de VMBO leerlingen voor het eindexamen. Driekwart stroomde door naar het MBO, 7% naar de HAVO en 15% hield het onderwijs voor kortere of langer tijd voor gezien.
|
Volgens de onderwijsinspectie daalde tussen 2003 en 2007 het aandeel scholen in het voortgezet onderwijs dat effectief omging met de geplande onderwijstijd van 97 naar 83% en het aandeel met een instructiekwaliteit die aan de basiseisen voldeed zakte van 99 naar 87%. Het deel van de scholen waarvan het onderwijspakket aansloot op de exameneisen steeg ven 90 naar 100%.
|
Secundair vervolgonderwijs
Voor leerlingen van 16 tot 18 bestaat de keus tussen beroepsonderwijs en algemeen vormend onderwijs. Sinds 1998 zijn MBO opleidingen (ook voor volwassenen) op 13 specifieke opleidingen na (voornamelijk agrarische vakscholen of AOC's) bijeen gebracht in regionale opleidingscentra (ROC's; 44 in getal in 2006). Ze heten nu BOL (beroeps-opleidende leerweg met 20-60% praktijk) of BBL (beroepsbegeleidende leerweg met meer dan 60% praktijk; een betaalde baan met lesdagen). Het MBO kent de 4 sectoren economie, techniek, dienstverlening en gezondheidszorg. Binnen dit alles bestaan 4 niveaus. De beide laagste zijn een assistentenopleiding van ½ tot 1 jaar en een basis-beroepsopleiding van 2 à 3 jaar. Een VMBO diploma of de onderbouw van HAVO of VWO geeft toegang tot een 2 tot 3 jarige vak of een 2 tot 4 jarige middenkaderopleiding. Na de vak of middenkaderopleiding kan nog een specialistenopleiding van 1 of 2 jaar volgen. Een BOL of BBL wordt via deelcertificaten afgesloten met een einddiploma. Het eind-diploma van middenkader en specialistenopleiding geeft toegang tot het hoger onderwijs. De diverse instellingen bepalen hun eigen methode en maken zelf examens, maar deze moeten goedgekeurd zijn door het ministerie. Het aandeel allochtone leerlingen liep in 2003 landelijk uiteen van 13% op het VMBO naar 5% op het VWO; maar in de randstad ligt het vaak aanzienlijk hoger. In 2005 deed 70% van de leerlingen in het secundair vervolgonderwijs een beroepsopleiding (EU 58%).
Net als het VMBO kennen HAVO en VWO in hun bovenbouw 4 vakkencombinaties; cultuur & maatschappij, economie en maatschappij, wetenschap & gezondheid en wetenschap & technologie. Naast verplichte vakken en specialisaties zijn er keuzevakken, hetgeen allerlei combinaties mogelijk maakt. In de bovenbouw van HAVO en VWO is na de millenniumwisseling het studiehuis ingevoerd om de zelfstandigheid van de leerlingen te bevorderen. Voor de HAVO bovenbouw (2 jaar) ligt de norm voor studielast op 1480 uren voor het gemeenschappelijke verplichte deel, 1160 uur voor het gekozen profiel en 560 uren voor een specialisatie binnen dat profiel. Bij het VWO ligt de respectievelijke verdeling op 1960, 1840 en 1000 uur. Beide schooltypes worden afgesloten met een landelijk examen en een schoolexamen. Leerlingen met een HAVO diploma kunnen, behalve naar het HBO, doorstromen naar het 5e jaar van het VWO. Het VWO diploma geeft recht op doorstuderen aan HBO en universiteit. In 2005/06 slaagde bij het VWO 93% en bij de HAVO 89% voor het eindexamen. Van de Havisten ging 83% naar het HBO, 4% naar het 5e jaar van het VWO en 3% naar het MBO en van de Vwo'ers ging driekwart studeren aan het WO en 15% aan het HBO. Een groot deel van de Havisten en Vwo'ers die niet doorleren trekt een jaar uit om te experimenteren.
Hoger en volwassenenonderwijs
Vanaf 21 jarige leeftijd is zonder vereiste diploma's toegang mogelijk tot het hoger onderwijs via een toelatingsexamen of via de in 1984 gestichte open universiteit. Sommige studies kennen een beperkte toelating (numerus fixus), sinds 1999 deels op basis van examencijfers. Voor de meeste medische studies staat 6 jaar en voor andere studies meestal 5 jaar. Het 1e jaar werd afgesloten met een propedeuse. Na 1 à 2 jaar volgde daarop het kandidaats en na een specialisatiefase van opnieuw 1 of 2 jaar de graad van doctorandus (drs.). Vervolgens kon men een postdoctorale beroeps of lerarenopleiding doen of via een promotieonderzoek binnen 2 of 3 jaar de doctorsgraad (dr.) behalen. Bestaande universitaire titels (naast die van drs. en dr.) zijn mr. (meester in de rechten), ir. (ingenieur) en kand. (kandidaats). In het HBO kent men de titels van Ing. (ingenieur) en BC (baccalaureus). In 2002/2003 is in het hele hoger onderwijs overgegaan op de Angelsaksische graden van Bachelor (na 3 of 4 jaar) en Master (na 5 of 6 jaar), respectievelijk aangegeven met een B en een M achter de naam. Alle titels zijn wettelijk beschermd. Het academisch jaar duurt 42 weken. Bij universitaire studies wordt met een studiepuntensysteem gewerkt (1 punt voor 28 werkuren; bachelorfase meestal 180 punten, Masterfase meestal 60 punten; lerarenopleidingen 60-120 punten). Onder de 14 publieke universiteiten in 2002 waren 6 algemene, 4 technische en 1 economische, landbouwkundige, theologische en open universiteit. Ruim 60 HBO en 8 universitaire instellingen kregen geen overheidsfondsen. Tussen 1995 en 2005 steeg het aantal HBO studenten met 32% en het aantal WO studenten met 15%. Deze stijging komt vooral op het conto van studenten ven vrouwelijke kunne.
|
Types onderwijs in 2006/2007
|
Aantal instel-lingen
|
Leerlingen/ studenten x 1000
|
Personeels-plaatsen FTE 2006
|
Leerlingen per docent
|
|
Basisscholen
|
7108
|
1.549
|
131.500
|
21
|
|
Speciaal onderwijs
|
643
|
63
|
17.600
|
10
|
|
Voortgezet onderwijs
|
652
|
938
|
82.000
|
15
|
|
Onderbouw
|
324
|
|
VMBO bovenbouw
|
167
|
|
HAVO/VWO boven
|
218
|
|
MBO
|
61
|
466
|
61.000
|
12
|
|
BOL
|
323
|
|
BLL
|
129
|
|
HBO
|
41
|
357
|
24.500
|
24
|
|
Universitair
|
12
|
206
|
36.900
|
8
|
In 1999 verzorgde 88% van de bedrijven (2e EU15 na DK, EU 62%) scholing. Volwasseneneducatie wordt veelal gegeven via ROC's. Daar vallen ondermeer de 95 volksuniversiteiten, het VAVO (voortgezet algemeen volwassenenonderwijs), talencursussen en cursussen maatschappelijk functioneren en sociale redzaamheid onder (142.000 deelnemers in 2006). Ook bedrijven werken vaak samen met ROC's. Het VAVO verzorgt opleidingen tot een regulier schooldiploma (VMBO, MBO, HAVO of VWO, 60.000 deelnemers). Volgens de in 2007 ingevoerde inburgeringwet moeten immigranten met weinig scholing verplicht inburgeringexamen doen. Daar vallen taalcursussen voor Nederlanders met een allochtone achtergrond onder (het NT2 onderwijs: 80.000 deelnemers in 2006; alfabetiseringscursussen voor autochtone Nederlanders vallen onder het NT1 onderwijs). Veel volwassenenonderwijs wordt verzorgd door instellingen voor afstandsonderwijs als de open universiteit en het LOI, het NIVON (natuur en milieueducatie), levensbeschouwelijke groepen en de educatieve omroep. Daarnaast leveren kunst, vakbond, gezondheid, vrouwen en oudereneducatie een grote bijdrage. De deelname van 25 tot 65 jarigen aan onderwijs lag in 2006 op 15,6% (5e EU25; EU25 9,6%; EU streefdoel 2010: 20%).
|