Bestaansmiddelen, buitenlandse handel en infrastructuur
In 2007 was van de bevolking tussen 15 en 65 (de beroepsbevolking) 79% (8,7 miljoen zielen) actief op de arbeidsmarkt. Van de 76% (8,4 miljoen) die een baan had werkte 3,3% (EU 4,7%) in de landbouw, 20,2% (EU 27,6%) in industrie, bouw of energievoorziening en 76,5% (EU 76,7%) in de dienstensector. Geregistreerde werkloosheid maart 2007-maart 2008: rond 3%; regionaal en bij grote groepen allochtonen 2 tot 3 keer zo veel (EU27 rond 7%). Belangrijkste industrie: voeding en genotsmiddelen, metaal en technische producten, elektrische apparaten en machines, chemicaliën, aardolieverwerking, bouw (m.n waterbouw), micro-elektronica, visserij. Landbouwproducten: granen, aardappelen, suikerbieten, fruit, groente, snijbloemen, vee. Grootste invoer 2007 (waarde €307 miljard; +7,4% t.o.v. 2006): machines en transportmiddelen 33%, brandstoffen 16%, chemicaliën 14%, voeding en genotsmiddelen 9%. Grootste invoerpartners 2007: Duitsland 20%, België 11%, China 8,5%, VS 8%; VK 6%, Frankrijk 5%. Uitvoer 2007 (waarde €348 miljard; +9%; 4e EU): machines en transportmiddelen 32,6%, chemicaliën 17,3%, voeding en genotsmiddelen 13%, brandstoffen 12%. Met ingevoerde goederen in buitenlands bezit die direct weer worden uitgevoerd (doorvoer, bijv van computers uit China) bedroeg de waarde €402 miljard en was Nederland 3e uitvoerland van de EU vlak achter Frankrijk (€404 miljard). Gezien de verwachte groeicijfers (NL 9%, Frankrijk 2%) zal Nederland Frankrijk in 2008 inhalen. Grote uitvoerpartners 2007: Duitsland 21%, België 12%, VK 9%, Frankrijk 8%; VS 5%, Italië 5%; Spanje 3,5%.
Infrastructuur 2007 (bron CBS): 2801 km spoorweg (2039 km geëlektrificeerd) en 6215 km waterweg bevaarbaar voor schepen boven 50 ton; 135.270 km weg (2977 km snelweg). De handelsvloot aan schepen boven 1000 BRT telt 566 schepen onder eigen vlag, 220 Nederlandse schepen onder buitenlandse vlag en 172 buitenlandse schepen onder Nederlandse vlag. Internetdichtheid 2007: huishoudens 83% (hoogste EU25; EU 54%), bedrijven met 9+ personeelsleden 99% (hoogste EU met Finland; EU 93%); mobiele telefoondichtheid 2006: 113% (EU 106%). De afsluitdijk en de deltawerken zijn voorbeelden van belangrijke infrastructurele projecten. Tot de vele technische hoogstandjes bij de deltawerken behoren de stormvloedkeringen in de Oosterschelde en in de Nieuwe Waterweg (de toegang tot Rotterdam). Deze laten bij normaal weer de eb en vloedstroom door en kunnen bij te hoog water dicht. In 2003 is het deltaplan voltooid met de opening van de 6.6 km lange Westerscheldetunnel onder de zeearm die naar Antwerpen voert. Deze moest open blijven om de Belgen niet te ontrieven (het economische belang van hun havenstad Antwerpen). De Amerikaanse ingenieursbond rekent de Deltawerken tot de 7 moderne wereldwonderen.
Economie
Na de 2e wereldoorlog is de Nederlandse economie, onder meer door het verlies van koloniën en door een sterke bevolkingsaanwas, sterk veranderd. Het land heeft zich snel ontwikkeld van een agrarische naar een postindustriële diensten en handelsnatie met een goed ontwikkelde markteconomie en een hoge levensstandaard. De grote bevolkingsdichtheid en welvaart hebben ertoe bijgedragen dat Nederland veel regels kent en daarmee drukt de overheid een behoorlijk stempel op de economie. Vanaf 1980 is de overheidsinvloed echter geleidelijk aan teruggedrongen via privatisering van staatsbedrijven en liberalisering (bijv. van de winkelopeningstijden rond 1996). De Nederlandse economie is sterk gevoelig voor de wereldconjunctuur en voor internationale economische ontwikkelingen (m.n. in het achterland Duitsland). Nederland is bij uitstek een doorvoerland. Meer dan de helft van de handel betreft voedingsmiddelen, chemische producten en computers en computeronderdelen. De beide laatste items worden na invoer (vrijwel) zonder bewerking weer uitgevoerd. De meeste transportbedrijven zijn gevestigd rondom Rotterdam en Schiphol. Rotterdam is de grootste doorvoorhaven ter wereld waar de allergrootste schepen terecht kunnen. Schiphol is de 4e luchthaven van Europa qua vracht en personenvervoer samen. De nationale luchtvaartmaatschappij KLM fuseerde in 2003 met Air France, maar werkt wel onder eigen naam. Andere belangrijke vervoerders zijn Nedlloyd, Frans Maas en Smit international. In 2005 droegen in en uitvoer van goederen respectievelijk 48% (Eu 10,5%) en 55% (Eu 9,7%) bij aan het BBP en in en uitvoer van diensten respectievelijk 11,7 en 12,8% (EU3,2 en 3,8%). Een relatief groot deel van het BBP gaat op aan overheidsuitgaven (24,3%, Eu 20,7% in 2004) en een verhoudingsgewijs klein deel aan consumptieve bestedingen van huishoudens.
Economische ontwikkelingen
Tijdens de economische bloeiperiode van 1995 tot 2001 lagen de groei van het BBP (3,4%, EU 2,5%) en de daling van de werkloosheid (-4%, EU -2,5%) boven het EU gemiddelde en Nederland werd alom geprezen vanwege de bijdrage van haar poldermodel (intensief overleg tussen overheid, bedrijfsleven en vakbonden) aan een stabiele staatshuishouding. De wereldrecessie vanaf 2001 greep echter ook sterker in dan elders. Reeds in 2002 dook de groei van het BBP met 0,2% onder het EU gemiddelde (0,8%) en in 2003 kromp de economie met 0,9% (het slechtste groeicijfer sinds begin jaren 80, EU 1% groei). De werkloosheid steeg sterker dan elders in de EU, maar ze bleef onder het EU25 gemiddelde. Ook gingen de arbeidskosten per eenheid product meer omhoog dan in de Eu. De zittende centrumrechtse regering probeerde de economie weer op de rails te krijgen en ‘s lands concurrentiepositie te verbeteren door een rigoureus beleid van bezuinigingen, loonmatiging, langer en meer werken, deregulering, privatisering en verbetering van de vervoersinfrastructuur. Kortzichtige angst voor verlies van zekerheden werkte daarbij belemmerend. In 2001 was het land nog 2e van de EU qua BBP aandeel aan risicodragende investeringen (durfkapitaal), maar in de loop van 2003 was het durfkapitaal met 95% gereduceerd. Tegelijk bleek bij het schaarse toekennen van gelden (bijv. voor infrastructuur, integratie en reïntegratietrajecten) goedkoop vaak duurkoop te zijn (prijs boven rendement) en de overvloed aan regelgeving en gesettelde ambtenarij vormde een verdere aanslag op de efficiëntie van de bestedingen. In 2004 had men de slechtste economische groeicijfers van de 12 Eurolanden en beleidsplannen resulteerden in massademonstraties en stakingen.
Recente ontwikkelingen
Na 2004 herstelde de economie zich doordat de wereldeconomie en de economie van Duitsland aantrokken. In 2007 groeide het BBP met 3,5% (EU25: 2,9%) en de inflatie lag met 1,6% onder het EU gemiddelde (2,3%). In 2008 begon de inflatie echter op te lopen. In 2007 was er een begrotingsoverschot van 0,4% (EU 0,9% tekort). De staatsschuld bedroeg 45% van het BBP (EU 57%). De orderportefeuille van de industrie nam in 2006 toe met 16% (EU 4%). In 2007 lag de arbeidsproductiviteit per inwoner 13%, de arbeidsproductiviteit per gewerkt uur 21% en het BBP per hoofd 32% boven het EU25 gemiddelde. De arbeidskosten per eenheid product stegen in 2007 met 0,1% (EU25 0,9% daling) en de werkgelegenheid ging in 2006 met 1,8% omhoog (Eu 1,5% groei). Tussen 2004 en 2006 is het consumentenvertrouwen in de economie flink gestegen, maar tussen maart 2007 en maart 2008 daalde het volksdeel dat optimistisch gestemd over de economie van 67 naar 54% (Eu van 46 naar 39%; bron Eurostat). Volgens het CBS zakte het volksdeel met vertrouwen in de economie tussen september 2007 en maart 2008 van 50 naar 40%. De export (+9% t.o.v. 2006) leverde in 2007 de belangrijkste bijdrage aan de economische groei (m.n. de doorvoer). Op de 2e plaats kwamen de investeringen. Er werd meer geld gestoken in computers, machines en transportmiddelen en ook de vraag naar nieuwe winkels en kantoren groeide. Ook trokken tussen de 2e helft van 2005 en 2007 de besteding van huishoudens weer aan (+2,7% in 2006; vooral aan consumentenelektronica, auto's, woninginrichting, kleding en schoeisel). In het 1e kwartaal van 2008 zakten de huishoudelijke bestedingen echter weer in.
|
In 2007 woonde in Nederland 3,3% van de bevolking van de EU27. De bijdrage van het Nederlandse BBP aan het EU27 BBP was groter en lag op 4,6%.
|
Economische sectoren
In 2007 droeg de landbouwsector 2,1% bij aan het BBP (EU 1,9%) en 3,3% aan de werkgelegenheid (EU27 5.9%). Het agrarische verleden van Nederland weerspiegelt zich nog steeds in het feit dat het land 3e exporteur van landbouwproducten ter wereld is (2e van de EU na Frankrijk) en in het verhoudingsgewijs grote belang van de voeding en genotsmiddelenindustrie (de 3e industriesector). Het exportaandeel van voedsel en dranken lag in 2007 rond 13% (EU 4% in 2004). Het aandeel van de tuinbouw in de totale landbouwproductie nam tussen 1995 en 2003 toe van 32 naar 40% ten koste van rundveehouderij, akkerbouw, intensieve veeteelt en gemengde bedrijven. Het Westland even ten noordwesten van Rotterdam is beroemd door zijn glastuinbouw en Aalsmeer heeft een belangrijke bloemenveiling. Veel boeren uit de andere landbouwsectoren klusten bij, stopten ermee of emigreerden. In 2006 bleef (mede doordat het weer niet meezat) de groei in de landbouwsector achter bij de groei van de economie als geheel. In 2007 stegen de inkomens in de sector echter door gunstige prijs en kostenontwikkelingen.
In 2007 leverden mijnbouw, industrie, bouw en energievoorziening samen 22,4% van het BBP (EU 26,5%) en 20,2% van de werkgelegenheid op (EU 27,7%). Qua verhouding tussen aantal arbeidsplaatsen (8000) en toegevoegde waarde (€10 miljard) was de delfstoffenwinning (voornamelijk aardgas door de gasunie) de meest lucratieve economische sector. De sector boerde in 2006 minder goed, maar in 2007 ging het door de stijgende olie en daaraan vastgekoppelde aardgasprijzen weer beter. In 2006 groeide de omzet van de industrie met 7%. In 2005 telde de industriële sector als geheel 46.000 bedrijven met 836.000 banen. De productiewaarde lag op €234 miljard en de toegevoegde waarde op 63 miljard. De belangrijkste Nederlandse industrietakken (op basis van de CBS cijfers over 2005) zijn metaal, elektrotechniek en transportmiddelen (40% bedrijven, 38% banen, 32% industrie BBP; 32% winst van de sector, bruto winstgroei 2007: 3,5%), chemie, rubber en kunststoffen (4% bedrijven, 12% banen, 32% industrie BBP; 24% winst, omzetgroei chemische industrie 2006: 5,7%, resultaten 2007 2,5% beter dan 2006), voeding en genotsmiddelen (10% bedrijven, 14% banen, 21% industrie BBP; 19% van de winst, brutowinstgroei 2007 1,5%) en papier en drukwerk (15% bedrijven, 12% banen, 8% omzet, 12% winst; omzetdaling 2005 ten opzichte van 2000: 4,4%; bruto winstgroei 2007: 1,5%). In de metaalindustrie daalde in 2006 het inkomen van de ijzer en staal industrie met 14%, maar die van de non-ferro metalen steeg door betere prijzen met 38%. De elektrotechnische industrie als totaal groeide in 2006 met 2,4%; maar op kantoormachines en audio, video en telecomapparatuur werd door de sterke buitenlandse concurrentie verlies geleden. De transportmiddelenindustrie (+2,2%) compenseerde het stopzetten van een productielijn voor personenauto's in 2005 met een stijgende verkoop van vrachtwagens en autobussen. De sector infrastructuur (bouw, energie, vervoer, opslag en communicatie) is een belangrijke gemengde industrie en dienstensector. In de bouwsector en infrastructuur steeg het productievolume met 5%.
In 2007 leverde de dienstensector 75,5% van het BBP (EU 71,6) en 76,5% van de werkgelegenheid op. De belangrijke takken van 2004 zijn financiële en zakelijke dienstverlening (27% BBP, 1,3 miljoen arbeidsjaren), handel, horeca, vervoer en communicatie (22% BBP, 1,2 miljoen arbeidsjaren), zorgsector (13% BB; 1,2 miljoen arbeidsjaren) en overheid (12% BBP; 0,8 miljoen arbeidsjaren). Door de vele deeltijdbanen ligt het aantal arbeidsplaatsen in de dienstensectoren flink hoger dan het aantal arbeidsjaren. In 2006 groeide de commerciële dienstverlening met 4,6%. Ze droeg 2,3% bij aan de totale economische groei van 3% van dat jaar. De omzet van de groothandel en de detailhandel ging met 4% omhoog terwijl er een jaar eerder nog sprake was van een lichte daling. Ook de uitzendbranche boerde goed. In vervoer, opslag en communicatie steeg het productievolume met 2,4% en de winst met 3%. Door de stijgende brandstofprijzen was de winst minder groot dan in 2005. In 2006 maakten de banken 6% winst (minder dan in 2005) en de financiële hulpverleners 10%.
|
Heineken is het meest verkochte biermerk in Europa. De 3 grootste Nederlandse handelsmaatschappijen zijn Ahold (levensmiddelen), SHV holdings en Hagemeyer en de belangrijkste multinationals Unilever, Philips (elektronica), AKZO Nobel (chemische industrie), Shell (aardolieproducten) en DSM. Baggeren is een Nederlandse specialiteit en Boskalis, Ballast HAM (vroeger Ballast Nedam) zijn over de heel wereld bekend. KPN speelt een belangrijke internationale rol in de telecomsector. De grootste internationaal opererende banken zijn ABN en ING. In 2007 werd ABN overgenomen door een consortium van Royal bank of Scotland, Santander en Fortis.
|
Sterktezwakte analyse Nederlandse economie
Als sterke punten van de Nederlandse economie worden wel de gunstige ligging en de internationale gerichtheid genoemd en als zwakke punten kleinschaligheid (veel Nederlandse bedrijven gaan op in multinationals), ruimtegebrek en milieulast. Ook leidt een te ver doorgevoerde cultuur van gelijkheid, rechten en inspraak zonder onderlinge betrokkenheid tot het afschuiven van verantwoordelijkheden en versnippering van belangen. Dit maakt regelgeving en besluitvorming ingewikkeld en onberekenbaar en werkt verlammend. Door de hoge arbeidskosten en opleidingsniveaus en een geavanceerde technologie moet Nederland het behalve van distributie en commerciële dienstverlening vooral hebben van gespecialiseerde hoogwaardige kapitaalsintensieve en arbeidsextensieve industrieën en technieken. Nederland is bijv ver op het gebied waterbeheersingtechnologie en het bouwen van machines voor de voedingsmiddelen en chemische industrie. Vier grote staalconstructiebedrijven ontwerpen en bouwen complete chemische fabrieken, olieraffinaderijen en offshore installaties.
Hollandse eenvoud en zuinigheid
Het Nederlandse spreekwoord "de kost gaat voor de baat uit" doet al eeuwenlang opgeld. Het uit zich onder meer in het sober omgaan met pecunia (waardoor Nederland maar moeilijk uit een economische malaise komt), in materialisme en in pogingen om overal geld uit te slaan. De z.g.n. Dutch treat (ieder voor zich betalen na een maaltijd) is een internationaal spreekwoordelijk voorbeeld geworden. De soms uit boerenslimheid voortkomende eenvoud waarmee dit alles gepaard kan gaan, kan echter ook de sleutel vormen tot succes. Zo maakte de persoonlijkheid van premier Drees ondersteund door een droog Mariakaakje bij de thee kort na de oorlog zo'n indruk op de Marshallhulpcommissie dat hij meer steun binnenhaalde dan wie ook. Naar verluidt is de Hollandse eenvoud en zuinigheid een voortvloeisel van de Calvinistische identiteit van het land. Het Calvinisme werd vanaf de 16e eeuw de dominante religie ten noorden van de grote rivieren.
Arbeidsmarkt en beroepssectoren
Volgens Eurostat (labour market 3rd quarter 2007/ EU LFS survey 2006) was medio 2007 van de 11,24 miljoen Nederlanders tussen 15 en 65 (de beroepsbevolking) rond 78% (8,66 miljoen) als werkende of werkzoekende actief op de arbeidsmarkt (EU27 rond 70,5%). De rest (22%; EU 29,5%) was inactief in die zin (scholier of student, huisvrouw, met pensioen, afgekeurd, rentenier). Zo'n 76% van de beroepsbevolking (8,4 miljoen) had betaald werk (los van het aantal uren per week; EU rond 65,5%). Daarbij werkten 7,3 miljoen mensen (66%) in loondienst en 1,1 miljoen (10%) zelfstandig. Volgens Eurostat lag het aandeel zelfstandigen (de financiële sector niet meegerekend) in 2005 op 11.7% van de werkenden (EU15: 16%). Het werkende volksdeel met een deeltijdbaan was in Nederland veruit het grootste binnen de EU (3,98 miljoen; rond 46,5% van degenen die betaald werk hadden; mannen 23,5%, vrouwen 75%; EU 18%, m 7,7%, v 31%). Dit haalde het gemiddelde aantal gewerkte uren per persoon p/w naar beneden (NL 32 uur; m 37,5u v 25,5u; EU 38u; m 41u, v 34u). In 2006 werkten in Nederland voltijdwerkers gemiddeld 39 uur en deeltijdwerkers 19,5u (EU 40,5 en 20 uur). Met 1,37 miljoen werknemers met een tijdelijk contract (stagiaires, uitzendbureaus) kwam in Nederland dit aandeel ook boven het EU gemiddelde (NL 18%; EU 15% van wie in loondienst werkte). Hetzelfde geldt voor het gedeelte met bijbaantjes. Tussen 2001 en 2006 steeg dit van 5,9 naar 6,5% (EU27 3,7%). Tussen april 2007 en maart 2008 daalde het aantal geregistreerde werkzoekenden in Nederland van 286.000 naar 227.000 en hun aandeel in de actieve beroepsbevolking ging van 3,3 naar 2,6%. Het was daarmee het kleinste binnen de EU (Eu; van 7,2 naar 6,7%). In 2006 lag het gedeelte langdurig werklozen (langer dan een jaar geregistreerd) op 1,7% van de actieve beroepsbevolking (EU25 3,7%). In 2007 stond 5,9% (-0,7%) van de 15-25 jarigen die actief waren op de arbeidsmarkt ingeschreven als werkloos (laagste jeugdwerkloosheid EU; EU 15,4%; -1,7%).
In 2006 werkte van de 55plussers onder de beroepsbevolking 47,7% nog (+1,6%; EU27 43,5%; +1,1%, EU streefdoel 50%). De gemiddelde leeftijd waarop men stopt met werken was 62,1 jaar (+0,6 jaar; EU 61,2 jaar). Het contingent hooggeschoolde hoofdwerkers is in Nederland het grootste binnen de EU (47,5%, EU27 38% in 2006). Daarnaast zijn er relatief veel laaggeschoolde hoofdwerkers (26,5 om 24,9%). Dit ging vooral ten kosten van het contingent goed geschoolde vakmensen (16,6%, kleinste EU; EU 27,7%). Die moeten dan ook vaak uit het buitenland worden gehaald. Het deel met eenvoudig laaggeschoold werk lag iets onder het EU gemiddelde (9,4 om 9,9%) evenals het aandeel van de commerciële dienstverleningsberoepen in de dienstensector (54,5 om 55,5%).
Arbeidsmoraal, arbeid en inkomensverhoudingen
In Nederland bestaat een overlegcultuur waarin zaken gemakkelijk worden gedelegeerd. Verantwoordelijkheden zijn niet zo duidelijke afgebakend. De opstelling/stijl tegenover superieuren is naar EU maatstaven vrijpostig en informeel. Naar dezelfde maatstaven vinden Nederlandse werknemers immateriële arbeidsfactoren (persoonlijke bevrediging, capaciteiten kunnen benutten) relatief belangrijk en betaling en arbeidsomstandigheden verhoudingsgewijs onbelangrijk. Bij degenen die daadwerkelijk van baan waren veranderd bleek in 2001 verbetering van arbeidsomstandigheden belangrijker te zijn (34%, EU 29%) dan bij wie eventueel van baan wilde veranderen (29%, EU 36%). Relatief velen (54%, EU 40%) volgen in Nederland trainingen via hun werk. Persoonlijke interesse of persoonlijke ontwikkeling (63%, EU 51%) kwamen verhoudingsgewijs sterk naar voren als motief om hieraan mee te doen. Beter kunnen voldoen aan de werkeisen (58%, EU 64%) scoorde relatief laag en nieuw werk kunnen vinden gemiddeld (14 om 15%).
|
Mogelijke redenen van werknemers om van baan te veranderen (onderzoek in 2001 van de European Opinion Researchgroup)
|
NL %
|
EU15 %
|
|
Meer persoonlijke bevrediging
|
59
|
53
|
|
Betere betaling
|
40
|
60
|
|
Beter kunnen benutten van capaciteiten en opleiding
|
39
|
32
|
|
Betere arbeidsomstandigheden
|
29
|
36
|
|
Meer erkenning
|
12
|
17
|
|
Betere bereikbaarheid werkplek
|
12
|
12
|
|
Overige redenen
|
22
|
9
|
In 2006 bleek dat mannen afwisselend en leuk werk honoreren en dat vrouwen flexibele werktijden belangrijk vinden opdat ze thuis kunnen zijn als de kinderen uit school komen.
Nederland kent van overheidswege uitgebreide zorgvoorzieningen en minimale arbeidsvoorwaarden (de Arbo-wet van 1998) en er wordt veel bijgeregeld in CAO's (collectieve arbeidsovereenkomsten). Zo is in de meeste CAO's een 13e maand opgenomen. Wettelijk mogen de meeste werknemers maximaal 9 uur per dag en 45 uur per week werken. Bij CAO's geldt een werkweek van 36 uur als norm, maar sinds 2004 wil de overheid terug naar een 40urige werkweek. Werknemers hebben recht op minstens 4 weken betaalde vakantie per jaar. Daarnaast bestaan diverse betaalde en onbetaalde verlofregelingen. De overheid wil ter vervanging van bestaande prepensioenregelingen toe naar een levensloopregeling, waarin werknemers jaarlijks 10% van hun inkomen opsparen tot maximaal 2 jaarinkomens in ruil voor zelf te bepalen vrijetijdsperiodes of vervroegde uittreding. Deze regeling sloeg tussen 2006 en 2008 niet echt aan. Ook wil men vanwege dalende geboortecijfers langer doorwerken bevorderen en de pensioengerechtigde leeftijd verhogen. Ruim 25% van de werknemers (12e EU15) was in 2003 vakbondslid. Tussen 1991 en 2001 werd naar EU maatstaven weinig gestaakt (12e EU15), maar in 2003 en 2004 waren er estafettestakingen (stakingen die overslaan van regio naar regio) vanwege de bezuinigingplannen van de regering. Ook daarna waren er nu en dan stakingen en andere acties vanwege moeizame CAO onderhandelingen (in 2007 en 2008 ondermeer bij politie, openbaar vervoer en posterijen en in de distributiesector).
In 2008 lag het modale bruto jaarinkomen volgens het CPB op €30.975 (bij voltijdbanen tegen €40.000). Het bruto uurloon per 1/1-2007 varieerde bij werknemers met voltijdbanen van €12,56 in de horeca via €14,55 in de landbouwsector en €15,70 in de ambulante handel naar zo'n €18 in gezondheidszorg, welzijn en cultuur, bouw, industrie en zakelijke dienstverlening, €21,50 in onderwijs en openbaar bestuur, bouwvak of industrie en €24 bij financiële onstellingen en in de sector energie en waterleiding. Met de leeftijd liep het omhoog van €9,81 bij 15-25 jarigen (deels jeugdloon), via €16,31 bij 25-35 jarigen naar €22,45 bij 55-65 jarigen. De modale arbeidskosten per uur in 2005 bedroegen €27,41 (4 na hoogste EU; EU25 €21,18). Op 1/1-2008 lag het wettelijk bruto minimumloon op €1335 (met verrekening van EU prijsverschillen: €1290, want de consumentenprijzen lagen 3% boven het Eu gemiddelde). Dit was in 2006 echter het inkomen van slechts 2,1% van de werknemers. Wie als alleenstaande zonder kinderen van een bijstandsuitkering overging op een betaalde voltijdbaan hield gemiddeld maar 14% van de extra verdiensten over (EU 25%). Bij de lage inkomens ging toen 41% op aan belasting en premies (EU 40%). In 2006 verdiende de best betaalde 20% van de inkomens in Nederland 3,8 keer zoveel als de slechts betaalde 20% (EU 4,8 keer zoveel) en 10% moest toen rondkomen van minder dan 60% van modaal (EU25 16%).
Arbeidsomstandigheden
De werkorganisatie lag in 2000 in Nederland qua strakheid flink onder het EU gemiddelde. Bij mannen was in slechts 14% van de banen (laagste EU15; EU15 33%) en bij vrouwen in 25% ervan (laagste EU na Denemarken; EU 40%) sprake van weinig eigen inbreng en autonomie, veel controle en een opgelegd werktempo. In het 5jaarlijkse onderzoek naar arbeidsomstandigheden van Eurofound in 2005 viel qua werkplek op dat relatief weinig Nederlanders buitenshuis werken (64%, Eu 73%) maar dat naar verhouding velen onder hen van huis uit telewerk doen (14 om 8%). Het deel van de banen waarbij direct contact met klanten ed. de toon aangeeft was iets boven gemiddeld naar EU25 maatstaven (66 om 64%) en het werktempo hing wat vaker dan gemiddeld af van vragen van klanten etc (76 om 69%). Er waren veel banen met teamwerk (75 om 55%). Het werktempo hing daarbij tamelijk vaak af van collega's (47 om 42%), maar zelden van een baas (18 om 35%). Wel kon men bij relatief veel banen met succes hulp vragen van een baas (71% om 56%), van collega's (85 om 67%) of van buiten (51 om 32%). Ook kon men bij veel banen zelf werkpartners kiezen (38 om 24%), taken roteren (63 om 43%) of naar believen een pauze nemen (57 om 44%).
Banen waarbij men vaak taken moest onderbreken en moest omschakelen vanwege onvoorziene omstandigheden kwamen ook veel voor (53% om 33%) evenals banen die gekenmerkt werden door het regelmatig moeten oplossen van onvoorziene problemen (94 om 81%). Numerieke productiedoelen bepaalden bij relatief veel banen het werktempo (47 om 42%), maar dat tempo hing bij naar verhouding weinig banen af van automaten (16 om 19%). Men kon vaak zelf de volgorde van taken (79 om 64%), de manier van werken (74 om 67%) of het werktempo (75 om 69%) bepalen of eigen ideeën toepassen (71 om 58%). Banen met genoeg tijd om klussen te klaren kwamen relatief weinig voor (64 om 69%). Naar verhouding weinig werkenden vonden hun baan eentonig (23 om 43%), een iets meer dan gemiddeld deel vond hem complex (65 om 60%), maar het gedeelte dat hem te moeilijk vond en bijscholing behoefde was weer relatief klein (10 om 13%). Wel vonden verhoudingsgewijs velen dat ze via hun werk nieuwe dingen leren (84 om 70%) en de groep die in het jaar voor de vraagstelling bijgeschoold was op kosten van de baas lag qua grootteaandeel boven het EU gemiddelde (32 om 27%). Ook was naar EU maatstaven bij veel banen (53 om 39%) sprake van regelmatige formele beoordeling van verrichtingen van werknemers (bijv via een functioneringsgesprek). Erg veel werknemers in Nederland (83 om 47%; hoogste EU) vonden dat ze voldoende werden geraadpleegd over veranderingen in de werkorganisatie ed.
|
De 5 daagse werkweek is in Nederland naar EU maatstaven niet zo sterk ingeburgerd (53 om 66%) en het gemiddelde aantal werkuren lag er door de vele deeltijdbanen flink onder het Eu gemiddelde (33 om 38,2). Er waren relatief veel mensen met bijbaantjes (10 om 6%), maar banen met regelmatig werkdagen van meer dan 10 uur (13 om 16%) en banen met ploegendiensten (12 om 17%) kwamen naar verhouding weinig voor. Hetzelfde geldt voor banen met een vast aantal dagelijkse werkuren (49 om 59%), vaste begin en eindtijden (51 om 61%) en elke week eenzelfde aantal werkdagen (72 om 74%). Buiten de feestdagen hadden Nederlandse werknemers in 2005 wettelijk recht op minimaal 4 werkweken betaalde vakantie per jaar.
|
Van de 24 fysiek en psychisch moeilijke werkomstandigheden die in 2005 in het Eurofound onderzoek de revue passeerden kwamen er 6 naar EU maatstaven vaker voor dan gemiddeld. Met uitzondering van contact met besmettelijk materiaal (10 om 9%) lagen deze allemaal in de sfeer van minder plezierige vormen van menselijke omgang. Het aandeel werknemers dat klaagde over fysiek geweld van collega's (6,3 om 1,9%) was het hoogste binnen de EU en het gedeelte met klachten over dreigen met fysiek geweld (12 om 6%) of pesten en lastig vallen (12 om 5%) was het hoogste na Finland. Ook waren er relatief veel banen waarin men geconfronteerd werd met fysiek geweld van anderen dan collega's (6,6 om 4,4%) of met leeftijdsdiscriminatie (3,6 om 2,7%). Al met al kan worden geconcludeerd dat hufterigheid op de Nederlandse werkvloer het meest wijdverbreid is binnen de EU. Ontevredenheid met de fysieke werkomstandigheden was er naar EU maatstaven echter weinig. Wat dit betreft scoorde men op 15 van de 16 onderzochte factoren onder gemiddeld. Klachten over herrie (20 om 30%), pijnlijke of vermoeiende posities (25 om 45%), tillen en slepen met zware dingen (22 om 35%) en veel staan en lopen (59 om 73%) kwamen het minst voor naar EU maatstaven en klachten over trillingen (16 om 25%) het minst na Slovenië. Andere opvallende onderscores zaten bij kou (17 om 21%), rook, poeier of stof (14 om 19%), kwalijke dampen (7 om 11%), chemische stoffen (8 om 14%), tabaksrook van anderen (16 om 20%, op bijna alle werkvloeren geldt een rookverbod), tillen of slepen met mensen (6,6 om 8,1%) en ongewenste intimiteiten (1,4 om 1,8%).
|
Het aandeel Nederlandse werknemers met klachten in de burnout sfeer bleef tussen 1997 en 2002 rond 10% fluctueren, maar het gedeelte met klachten over tijdsdruk daalde van 35 naar 29%.
|
Het aandeel Nederlanders dat de voorlichting op het werk over gezondheid en veiligheidsrisico's voldoende achtte lag iets onder het Eu gemiddelde (78 om 83%). Hetzelfde geldt evenwel voor het contingent dat de bevinding deelt dat men via het eigen werk de gezondheid of veiligheid in de waagschaal stelt (23 om 28%) of dat vond dat het werk de gezondheid negatief beïnvloedt (25 om 34%). Het deel van de Nederlanders dat dacht dat ze de baan van nu wel tot het 60e zou kunnen lag qua grootte dan ook boven het EU gemiddelde (95%, hoogste EU; EU 83%). Op alle 16 door Eurofound onderzochte werkgerelateerde gezondheidsklachten scoorde men onder dat gemiddelde; op 12 van de 16 zelfs het laagste of op één laagste van de 25 EU landen. Deze positie deelde men het vaakst met het VK of Ierland, maar soms ook met Denemarken of Oostenrijk; allemaal landen waar het relativeren of bagatelliseren van emoties en fysieke klachten hoog staat aangeschreven. De opvallende onderscores zaten bij klachten op het vlak van gehoor 4 om 7%, zien 2 om 7%, huid 3 om 6%, rug 14 om 24%, hoofd 9 om 15%, maag 3 om 6%, spieren 16 om 22%, hart 1 om 2%, kwetsuren 5 om 10%; stress 16 om 22%, algehele vermoeidheid 15 om 21%, slaapstoornissen (6,9 om 8,3%), allergieën (2,5 om 3,8%) en angsten 3 om 8%. Desondanks was het deel dat zich in het jaar voor de vraagstelling ziek had gemeld (34 om 23%) het grootste na dat van Finland. Ook het doorsnee aantal ziektedagen (26 om 20) lag flink boven het EU gemiddelde evenals het gedeelte werknemers dat bang was om binnen een half jaar de baan te verliezen (18 om 13%).
Het gedeelte Nederlanders dat tevreden tot erg tevreden was met hun werkomstandigheden (89 om 83%) of carrièreperspectieven (35 om 32%) lag boven het Eu gemiddelde en de tevredenheid over de arbeidsinkomsten (58 om 44%) was na Duitsland het meest wijdverbreid binnen de EU. In 2005 lag het aandeel dat de werkuren goed in te passen vond in het privé-leven (85 om 81%) iets boven het EU gemiddelde en het deel dat in hun vrije tijd vanuit het werk werd benaderd lag daar flink boven (39%, hoogste Eu na Finland; EU 23%). Ook de groep die vond dat het werk hen genoeg tijd overliet om aandacht te besteden aan eigen kinderen (45 om 28%) of aan koken en huishouden behoorde echter (wederom met het VK en Ierland) tot de EU top (56 om 46%).
Uitgavenpatroon voor sociale zekerheid
De overheidsuitgaven voor sociale zekerheid stegen tussen 2000 en 2005 van 26 naar 28,2% van het BBP (EU 27,2% in 2005). Gelijkgetrokken voor inkomensverschillen was dit per inwoner ruim 36% meer dan het EU gemiddelde. Aan pensioenen en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gaf men 12,6% van het BBP uit (Eu 12,2%). Van de sociale uitgaven ging 31% (Eu 29%) naar ziektekosten; 10% (EU 8%) naar arbeidsongeschiktheid, 37% (EU 41%) naar oudedagsvoorzieningen; 5,4% (EU 4,4%) naar nabestaanden, 5% (EU 8%) naar gezinnen; 5,9% (EU 6,1%) naar werklozen; 1,3% (EU 2,2%) naar huisvesting en 4,9% (hoogste EU; EU 1,3%) naar bestrijding van sociale uitsluiting. Het volksdeel dat in 2003 weinig vertrouwen had in het staatspensioenstelsel (21%; EU25 54%) en het sociale zekerheidsstelsel (18%; EU25 45%) was na dat van Finland en Luxemburg het kleinste binnen de EU.
Ontwikkeling van het sociale stelsel
In de 19e eeuw was er voor de armen liefdadigheid via kerken en particulieren. De 1e sociale wet, het kinderwetje van van Houten, dat betaalde arbeid door kinderen onder de 12 verbood, dateert van 1874. In 1901 volgde een wet op arbeidsongevallen, in 1912 een armenwet en in 1913 een ziekte en invaliditeitswet. In 1939 kwam de 1e wet op de kinderbijslag tot stand. Toen in de loop van de 20e eeuw de vakbonden meer invloed kregen konden ze een belangrijke bijdrage leveren aan het tot stand komen van een sociaal stelsel dat voor de hele bevolking gold. Na de 2e wereldoorlog kreeg dit stelsel echt gestalte. De invoering van de algemene ouderdomswet (AOW) van minister-president Willem Drees in 1956, de algemene bijstandswet in 1963, de ziekenfondswet in 1964 en de wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO) in 1966 waren daarbij belangrijke mijlpalen.
Tegenwoordig is iedere Nederlander (ook indien zonder betaald werk) verzekerd tegen algemene en bijzondere ziektekosten en werkloosheid. De verzekeringen worden betaald door de verzekerde zelf, de werkgever en de overheid (voor uitkeringsgerechtigden die nooit betaald werk hebben gehad treedt de overheid op als werkgever). Er bestaat een ondergrens (jaarinkomen €13.160 in 2006) voor het afdragen van premies en een bovengrens voor opname in het staatsstelsel (jaarinkomen boven €29.543 in 2006). Het land kent naast een wettelijk gegarandeerd minimumloon voor 23plussers (€1335 bruto p/m en €1143 netto op 1/1-2008), een minimumjeugdloon voor 15 t/m 22 jarigen dat oploopt van 30 naar 85% daarvan, een dito pensioen (de AOW) en een bestaansminimum. Deze bijstand bedraagt 70% van het minimumloon voor een alleenstaande (50%+20% toeslag van de gemeente; €840 p/m netto in 2008, excl. vakantiegeld). Iedere volwassene die geen andere bestaansbronnen aan kan boren heeft er recht op. De uitvoering van de bijstandswet is in handen van gemeentelijke sociale diensten (formeel: dienst SZW: sociale zaken en werkverschaffing). Voor de meeste uitkeringen geldt ook een maximum (€168 per dag in 2006). De sociale verzekeringsbank geeft onder regelingen informatie over de actuele stand van zaken met betrekking tot uitkeringen.
Recente wijzigingen in het sociale stelsel
Tussen 2003 en 2006 is er veel aan het stelsel veranderd. Als Scandinavische elementen bleven regelingen die voor iedereen gelden zoals bijstand, AOW, WAO voor meer dan 80% arbeidsongeschikten (70% van het laatstverdiende loon) en kinderbijslag in principe gehandhaafd. Daarbij werd in WAO en bijstand activering via sollicitatie en reïntegratieplicht steeds belangrijker. Financiële prikkels hanteren, uitkeringen afbouwen tot het minimumniveau (bijstand) en zaken afschuiven op de betrokkenen zelf (Angelsaksische aanpak) kregen na 2003 meer nadruk ten koste van opgebouwde rechten handhaven (Duits, Frans, Belgische systeem; invloed van vakbonden). In de geest van het nieuwe beleid werd de naam WAO veranderd in WIA (Wet werk en inkomen naar Arbeidsvermogen). Vanaf 2004 zijn de gemeenten zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van de bijstandswet. Daardoor zijn de beleidsverschillen tussen de diverse gemeenten veel groter geworden. Extraatjes voor de armste groepen als bijzondere bijstand en eindejaarsuitkeringen verdwenen, de huursubsidies werden afgebouwd, de woonlasten en ziekteverzekeringspremies gingen omhoog en de kinderbijslag voor studerende kinderen vanaf 16 viel weg. Deze kinderen moeten werk zoeken of een beroep doen op studiefinanciering. Het vervroegd uittreden werd beperkt en belastingvoordelen die dit aanmoedigen zijn afgeschaft. Verlofperiodes of eerder stoppen met werken worden meer overgelaten aan de eigen (financiële) verantwoordelijkheid van de werknemer (levensloopregeling). Het ziekenfonds is met ingang van 2006 afgeschaft en vervangen door een verplichte particuliere basisverzekering met een vrijwillig aanvullend pakket dat uiteraard wel extra premie kost. Daarvoor moeten verzekeraars tegen elkaar op concurreren om klanten.
Regelingen in verband met ouderdom, arbeidsongeschiktheid en overlijden
De pensioengerechtigde leeftijd ligt op 65 jaar en het recht op vol pensioen wordt vanaf het 16e levensjaar in 50 jaar opgebouwd (2% per jaar dat men in Nederland woont). De netto AOW, het staatspensioen waar iedereen recht op heeft na de 65e verjaardag, lag in 2008 op €927 p/m voor een alleenstaande en €1172 p/m voor een paar. De arbeidsongeschiktheidsuitkering volgens de WIA ligt gedurende een half jaar tot 5 jaar (afhankelijk van de lengte van het dienstverband) op 70% van het laatstverdiende loon en daarna op bijstandsniveau. Wie voor minder dan 80% arbeidsongeschikt is krijgt 15 tot 51% van het laatstverdiende loon en kan dit deels aanvullen met een parttime baantje. Sinds 1998 is speciaal voor afgekeurden zonder arbeidsverleden de Wet Arbeidsongeschiktheidsvoorziening Jonggehandicapten (WAJONG) in werking. Deze geeft recht op een uitkering iets boven bijstandsniveau (75% minimumloon), tot in 2008 zonder de plichten van een bijstandsuitkering. Bij overlijden van een gezinshoofd krijgen nabestaanden een extra maandinkomen van de overledene ter beschikking (wanneer het gezinshoofd bijv in de bijstand zat een minimummaandloon). Voor het overige lag de nabestaandenuitkering in 2008 op €851 p/m netto onder aftrek van inkomsten van de directe nabestaande. Wie in echter minder dan een bepaald bedrag verdiende (€2129 p/m in 2006) mocht een deel houden. Het wezenpensioen (voor een volle wees) varieerde in 2008 van €348 (onder 10 jaar ) tot €610 (vanaf 16 tot 18, indien studerend tot 21 jaar) De nabestaandenuitkering eindigt bij het beginnen van een huishouding met een nieuwe partner. Verder worden inkomsten uit arbeid van een partner verrekend vanaf een bepaald bedrag (€191 in 2006). Bij pensioenen gebeurt dit alleen bij een partner onder 65 jaar.
Regelingen in verband met ziekte, kinderen en werkloosheid
Het ziektegeld bedraagt 70% van het laatstverdiende loon voor maximaal 2 of 3 jaar en de zwangerschapsuitkering lag op 100% daarvan gedurende 16 weken. Voor een minimale werkloosheidsuitkering (WW: 70% laatstverdiende loon gedurende een half jaar) moet langer zijn gewerkt dan voor 2004 (26 van de 39 weken voorafgaand). Het recht op WW duurt thans langer naarmate men langer heeft gewerkt en kan oplopen tot 5 jaar. Wie uit de WW komt moet de bijstand in. Werknemerverzekeringen worden sinds 2002 uitgevoerd door het UWV (uitvoering werknemersverzekeringen). Naar verluidt raken daar dossiers weg en is er sprake van wancommunicatie zodat het recht voor velen uiterst moeizaam zijn loop krijgt. Voor alle werkzoekenden met een uitkering is inschrijving bij het CWI (centrum werk en inkomen) verplicht. Werkgevers die langdurig werklozen en arbeidsongeschikten in dienst nemen worden beloond. Ook blijven werkgevers langer (niet 1, maar 2 tot 3 jaar) verantwoordelijk voor het doorbetalen (70% laatstverdiende loon) van zieke werknemers. Om de instroom van arbeidsongeschikten (WIA) te verkleinen moeten bij langdurige ziekte werkgevers, werknemers en arbo-artsen kunnen aantonen dat al het mogelijke hebben gedaan om de werknemer te reïntegreren (wet verbetering poortwachter van 1-4-02). De kinderbijslag per kwartaal varieerde in 2008 van €190 voor een kind tot 5 tot €272 voor een kind van 12 of 13. Bij kinderen die voor 1/1-1995 zijn geboren hangen de bedragen nog af van de grootte van het gezin. Te hoge bijverdiensten van het kind kunnen de kinderbijslag in gevaar brengen.
Ontwikkelingen in het gebruik van voorzieningen
Het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen daalde tussen 2001 en 2007 van 957.000 naar 844.000 en het aantal ontslagen wegens arbeidsongeschiktheid volgens de WIA zakte tussen 2003 en 2007 van 18.700 naar 5700. Wel werd de WAJONG tegelijkertijd populairder. Sinds de nieuwe bijstandswet in 2004 in werking trad is men de drempel voor opname in deze regeling gaan verlagen en jongeren met vormen van autisme of met ADHD verdwijnen er steeds vaker in. Jongeren met deze diagnose wilden dat zelf vaak ook wel graag, want de voorziening gaf een leven lang recht op een uitkering iets boven bijstandsniveau zonder lastig gevallen te worden met sollicitatieplicht en reïntegratietrajecten. Van daaruit kwamen er meer WAJONG gerechtigden die bijstandsgerechtigden als losers zien. In 2008 is besloten dat Wajongers moeten meewerken aan aangeboden trajecten voor deeltijd of vrijwilligersbaantjes op straffe van verwijdering uit de regeling. Eind 2007 telde men 164.000 WAJONG uitkeringen en voor 2008 verwacht men een stijging van 8% tot rond 180.000. Het aantal nabestaandenuitkeringen zakte tussen 2001 en 2007 van 168.000 naar 131.000. Het aantal gevallen van kinderbijslag steeg van 1,84 naar 1,94 miljoen en het aantal AOW uitkeringen ging door de vergrijzing omhoog van 2,33 naar 2,61 miljoen. Tussen 1-1-2006 en 1-1-2007 zakte het aantal WW uitkeringen van 305.000 naar 249.000 en het aantal bijstandsuitkeringen van 355.000 naar 329.000. In 2005 lag het ziekteverzuim op 4% van de arbeidstijd.
|