|
Demografische gegevens: inwoners en etniciteit
In april 2008 telde Nederland 16,4 miljoen inwoners. Op 1/1-2006 was 81% van de bevolking autochtoon en 19% had direct of indirect (kinderen van minstens één buitenlandse ouder) wortels elders. Deze wortels lagen in 2007 het vaakst in Indonesië 2,4%, Duitsland 2,3%; Turkije 2,3%, Suriname 2%, Marokko 2%, Aruba en de Nederlandse Antillen 0,8% en België 0,7%. Uit overige EU landen kwam 2,2% (m.n. het VK, Polen, Italië, Frankrijk, Spanje), uit overige Europese landen 0,9% (m.n. voormalig Joegoslavië, Rusland), overige Aziatische landen 2,6% (m.n. Irak, China, Afghanistan, Iran) en overige landen 2% (m.n. VS, Afrika buiten Marokko). Door beperkende maatregelen (inkomenseis, inburgeringexamen) is het aantal aanvragen uit niet-westerse landen om in Nederland te gaan wonen om te trouwen of voor gezinshereniging gedaald van 41.000 in 2004 naar 23.000 in 2006. In 2006 emigreerden er meer mensen (132.000) dan dat er immigreerden (101.000). Het aantal illegalen (naar schatting 25.000 in 2006) is naar Eu maatstaven klein in verhouding tot het aantal inwoners.
Najaar 2006 lag het aandeel Nederlanders dat de integratie van andere culturen in de eigen cultuur erg belangrijk vond met 45% boven het Eu25 gemiddelde (37%) evenals het contingent dat de stelling onderschreef dat immigranten veel bijdragen aan de eigen samenleving (53 om 40%). Wel rekende een relatief groot volksdeel de integratie van minderheden tot de 3 grootste punten van zorg (15%, EU25 7%). Eind 2007 tekende zich een polarisatie af in meningen over buitenlanders. In november was het volksdeel dat voor de eigen identiteit koos en weinig heil zag in interculturele dialoog weliswaar groter dan de Eu25 standaard (18 om 13%), maar het gedeelte dat koos voor opofferen van de eigen wortels ten bate van de diversiteit was het op 2 na grootste binnen de Eu (kosmopolieten: 47 om 25%). Het deel dat de middenweg prefereerde tussen eigen identiteit en dialoog lag flink onder het EU gemiddelde (22 om 55%). Angst voor vreemdelingen speelt in de randstad (waar de gesettelde landelijke media zitten en de TV programma's worden gemaakt) meer op dan in bijv Noord-Nederland.
Hoe immigrantvriendelijk is Nederland
In maart 2006 voerde Nederland als 1e EU land een inburgeringtoets in voor immigranten uit de meest landen buiten de Eu. Ze bestaat uit een inburgeringexamen buitenland, dat afgelegd kan worden in de Nederlandse ambassade in of in de buurt van het land van herkomst à raison van €350. Velen ontwijken dit inburgeringexamen door eerst enige tijd met de levenspartner in België of een ander Eu land (bijv Duitsland of Zweden) te gaan wonen. Sinds begin 2007 moeten ook veel buitenlanders in Nederland van buiten de Eu tussen 15 en 65 een inburgeringcursus volgen en binnen 5 jaar de nationale inburgeringtest afleggen. Het gaat om de groep die geen Nederlands paspoort heeft, minder dan 8 jaar van de leerplichtleeftijd in Nederland woonde en geen Nederlandse schooldiploma's bezit. De plicht geldt zelfs voor Arubaanse en Antilliaanse Nederlanders die binnen de omschrijving vallen. Bij de invoering werden 60 plussers eenmalig uitgezonderd en buiten dat waren soms ook uitzonderingen mogelijk (bijv voor erg gewenste buitenlanders die ergens in uitmunten). Bij de toets moeten deelnemers voldoende kennis tonen van de Nederlandse taal en samenleving. Het diploma geeft toegang tot Nederlanderschap en wordt met enig ceremonieel uitgereikt.
De 6 dimensies tellende Migrant Integration Policy Index (MIPI: zie op culturescope.ca onder citizenship & identity) meet de immigrantvriendelijkheid in 28 landen (de EU25 tezamen met Noorwegen, Zwitserland en Canada). Ondanks de invoering van de inburgeringexamens stond Nederland met een totaalscore van 68 4e op deze ranglijst, net boven Finland en immigrantenland Canada die ex-aequo 5e stonden. De tabel hieronder geeft nadere info over positie en/of scores bij de 6 dimensies van Nederland en de EU25 in 2007. Bij * betreft het een met meer landen gedeelde plek.
|
Dimensie
|
Nederland
|
Eu25
|
|
Score
|
Plek
|
Score
|
|
Toegang arbeidsmarkt
|
70
|
9*
|
56
|
|
Gezinshereniging
|
59
|
16
|
57
|
|
Langdurig verblijf
|
66
|
10
|
59
|
|
Politieke deelname
|
80
|
5
|
56
|
|
Naturalisatie
|
51
|
8
|
43
|
|
Antidiscriminatie
|
81
|
5*
|
58
|
Bij langdurig verblijf gaat het om de invloed van de lengte van het verblijf op de status van de vreemdeling. Onder naturalisatie valt naast voorwaarden voor ook de zekerheid over de status en het wel of niet toegestaan zijn van een dubbele nationaliteit.
Overige demografische gegevens
In 2007 was de gemiddelde levensverwachting 80 jaar (mannen 78; vrouwen 82); 17,6% van de Nederlanders was jonger dan 15 en 14,6% ouder dan 65. Een Nederlandse vrouw kreeg tijdens haar leven gemiddeld 1,67 kind en de bevolking groeide met 0.45%. Opbouw huishoudens 2005 (Eurostat): geen kinderen 69% (EU25: 67%), eenoudergezinnen 13% (EU 13%). Gegevens CBS per 1/1-2007 (7,19 miljoen huishoudens): 35% alleenstaanden; 6,5% éénoudergezinnen; 22% gehuwd zonder kinderen; 7% samenwonend zonder kinderen, 25% gehuwd met kinderen; 4% samenwonend met kinderen; 0,5% overige huishoudens. Geboortecijfer 2007 (Eurostat): 11,1 per 1000 inwoners (EU 10,6/1000); aandeel buitenechtelijke geboorten 2006: 37% (EU 33%), huwelijkscijfer 2006: 4,35/1000 (EU 4,9/1000), echtscheidingscijfer: 1,9/1000 (rond EU gemiddelde).
Situatieschets
Het feit dat de Nederlandse taal het onderscheid kent tussen gezin en familie is een veelzeggend gegeven. Vroeger waren in Nederland de familiebanden sterk. Mede door de verstedelijking en de individualisering van de samenleving is dit thans minder het geval, maar wel hecht de Nederlander sterk aan het eigen gezinnetje of het eigen vertrouwde groepje. Relatief velen in het land houden van knus en gezellig samenzijn in bekend gezelschap en een beschermde omgeving en bemoeien zich maar liever niet teveel met vreemden. In 1990 lag het aandeel van de bevolking dat het gezinsleven erg belangrijk vond met 82% vrijwel op het Eu gemiddelde maar het gedeelte voor wie hetzelfde gold m.b.t. vrienden en bekenden lag daar flink boven (61 om 47%). In 1999 waren deze percentages voor Nederlanders nog hetzelfde. Nederlanders begonnen eerder dan andere Europeanen met kleine gezinnen omdat ze het gevoel hadden dat ze de kinderen dan meer aandacht konden geven. Door de toegenomen individualisering komt het weinig meer voor dat meerdere generaties onder één dak wonen. Bejaarden wonen veelal op zichzelf en de zorg voor ouderen is meer en meer overgedragen aan publieke voorzieningen (de zorgsamenleving) of omwonenden (al dan niet familie; de zgn. mantelzorg). Doordat steeds meer vrouwen gaan studeren of werken wordt, net als elders in de EU, trouwen en kinderen krijgen langer uitgesteld en getrouwde paren met kinderen zijn minder toonaangevend en normbepalend geworden. De Nederlandse bevolking en overheid staan tolerant tegenover alternatieve samenlevingsvormen en het land kent een liberale emancipatiewetgeving. Het aandeel tijdelijke (echtscheiding, vergrijzing) of permanente alleenstaanden (huwelijksaversieven) is flink gegroeid. Na 1990 is onder gehuwden en samenwonenden het aandeel tweeverdieners sterk gestegen. Deeltijdarbeid werd aangemoedigd en er kwam meer kinderopvang.
Opinieonderzoek
Het liberale aspect van de Nederlandse cultuur komt bijv naar voren uit een 1994 gedaan opinieonderzoek m.b.t. emancipatiezaken. Zo onderschreef slechts 33% van de Nederlanders (EU15: 51%) de stelling dat we beter af zouden zijn wanneer we weer op de traditionele manier gingen leven en 19% (EU15: 25%) vond toen dat de vrouw achter het aanrecht thuis hoort. M.b.t. acceptatie van homoseksualiteit (72 om 45%) en echtscheiding (74 om 60%) scoorde men het hoogste van de 9 EU landen waar dit is onderzocht en het gedeelte dat gelooft dat gehuwden gelukkiger zijn dan niet gehuwden lag het laagst binnen deze groep landen (14 om 31%). Het aandeel dat vond dat een paar moest trouwen als het kinderen wilde daalde tussen 1988 en 2002 van 50 naar nog geen 25%. Ook m.b.t. de vraag of werken het beste middel is voor zelfstandigheid van de gehuwde vrouw scoorde men het laagst (51%, EU 69%), maar tegelijkertijd waren relatief weinig Nederlanders van mening dat vrouwen eigenlijk liever een gezin willen (31 om 38%) of dat het gezinsleven lijdt onder het werken van de vrouw (42 om 50%). In de praktijk was de Nederlandse man wellicht minder geëmancipeerd dan in theorie. In 1975 staken Nederlandse vrouwen 2,5 keer zoveel tijd als hun mannen in huishoudelijke en zorgtaken en in 2000 nog 1.8 keer zoveel. Hiermee nam men in EU15 verband samen met Frankrijk een gedeelde 7e en 8e plaats in.
Demografische ontwikkelingen
Het bovenstaande wordt hieronder met cijfers geïllustreerd. Het aandeel éénpersoonshuishoudens is naar EU maatstaven aan de hoge kant (34 om 29% in 2002). Tussen 1997 en 2007 steeg het in Nederland van 33 naar 35% van alle huishoudens. Het aandeel 2 persoonshuishoudens bleef rond 32,5% hangen en het aandeel meerpersoonshuishoudens daalde met 2%. In 1997 lag het contingent "huwelijksaversieven" (mensen die gedurende het grootste deel van hun leven formeel geen relatie hadden) met zo'n 8% rond het EU gemiddelde. In 2003 woonde 33% van de 18 tot 63 jarigen in Nederland zonder partner. Van deze groep had de helft van de vrouwen en 30% van de mannen een vaste LAT (Laat de Ander Thuis) relatie. Het aandeel alleenstaanden met zo'n relatie daalt met de leeftijd (50% bij vrouwen en 40% bij mannen onder 18-24 jarigen; 14% bij vrouwen en 16% bij mannen onder 50 en 63 jarigen), maar de voorkeur voor LAT als relatievorm wordt onder alleenstaanden groter met het ouder worden; vooral bij vrouwen. Verder kiezen hoog opgeleiden en gescheidenen met kinderen het vaakst voor deze relatievorm. Door de vele alleenstaanden en kleine gezinnen zijn in Nederland de huishoudens klein. Tussen 1995 en 2003 bestonden ze uit gemiddeld 2,3 (EU 2,6) personen en daarmee scoort men na Duitsland en de Scandinavische landen het laagst binnen de EU.
Het aantal gesloten huwelijken per 1000 inwoners daalde tussen 1994 en 2005 sterker dan in de EU (NL van 5,4 naar 4,4/ Eu van 5,3 naar 4,8/1000). Zowel de gemiddelde leeftijd van partners bij een 1e huwelijk (30,8 jaar) als die van vrouwen bij de geboorte van een kind (30,4 jaar) lagen in 2004 bijna een jaar boven het EU gemiddelde. De gemiddelde huwelijksleeftijd steeg tussen 2000 en 2006 bij mannen van 34,1 naar 35,1 jaar en bij vrouwen van 31,1 naar 33 jaar. In 2006 lag het aandeel echtscheidingen per 1000 inwoners op 44% van het aantal huwelijken (EU25: 42%). Het geboortecijfer daalde tussen 1996 en 2007 van 12,2 naar 11,1 per 1000 inwoners en in de EU27 bleef het rond 10,5/1000 hangen. Tussen 1996 en 2006 steeg het aandeel buitenechtelijk geboren kinderen van 17 naar 37% (de sterkste groei binnen de EU) en het kwam daarmee iets boven het EU25 gemiddelde (33%). In 2007 bestond eenderde deel van de gezinnen met kinderen uit ongehuwde paren of éénoudergezinnen (met eventueel een LAT relatie). Het gebruik van moderne anticonceptiemethoden ligt hoog naar EU maatstaven (75%, EU 65% in 2002). Volgens het CBS daalde het gedeelte vrouwen tussen 15 en 50 dat de anticonceptiepil gebruikt tussen 1998 en 2006 van 42,7 naar 36,5%, maar lag het in 2007 weer op 38,1%. Het abortuscijfer per 1000 vrouwen van de vruchtbare leeftijd steeg tussen 1990 en 2002 van 5 naar 8,7; maar het bleef laag naar EU maatstaven. Het volksdeel dat de bescherming van de waardigheid van ieder ongeboren leven erg belangrijk (47%, EU25 53%) of belangrijk (32% om 33%) vond lag in 2005 onder het Eu gemiddelde. In Nederland wonen naar EU maatstaven veel paren ongehuwd samen. In 2006 werden bijna 70.000 huwelijken gesloten en 11.000 partnerschappen geregistreerd.
Leefsituatie 18 tot 30 jarigen
Kinderen gaan in Nederland naar EU maatstaven tamelijk jong de deur van hun ouderlijk huis uit, vrouwen wanneer ze gemiddeld 21,5 zijn en mannen rond hun 24e. In 2005 woonde van de 18 tot 25 jarigen 75% van de mannen en 55% van de vrouwen nog thuis (EU25 m 78% v 66%), maar bij de 25 tot 30 jarigen ging het nog maar om 8% van de vrouwen en 20% van de mannen (EU 28 en 42%). Bij de laatste leeftijdsgroep woonde onder degenen die de deur uit waren een relatief grote groep alleen (vrouwen 18%, mannen 28%; EU v 10 m 22%). Relatief weinig vrouwen (2%; EU 5%) stond te boek als alleenstaande moeder. Een naar EU maatstaven bijzonder groot deel van de groep (vrouwen 45%, mannen 52%; beide grootste aandeel EU25; EU v 28%, m 37%) woonde al dan niet getrouwd samen zonder kinderen. Het gedeelte dat een paar met kinderen vormde (v 33%, m 18%; Eu v 45%, m 30%) of dat een andere woonsituatie kende (m 2% v 1%; EU m 11%, v 12%) was navenant klein.
Vrouwen en kinderen
In 2005 verrichte 70% van de vrouwen tussen 15 tot 65 (EU: 58,5%) betaald werk. Het gedeelte van deze groep dat meer dan 12 uur p/w werkte steeg tussen 1987 en 2003 van 35 naar 55%. Na 2000 vertraagde de stijging, hetgeen betekent dat het streefcijfer van 65% voor 2010 wellicht niet zal worden gehaald. Het aandeel vrouwen dat in deeltijd werkt (75% in 2007) is het hoogst binnen de EU (31%). Van de 1,5 miljoen moeders met kinderen t/m 12 werkte in dat jaar 55% in deeltijd (12-34 uur p/w) en 9% in voltijd en 36% werkte niet. De groei zat m.n in deeltijdbanen tussen 20 en 34 uur (+2% t.o.v 2006). Het volksdeel dat economisch zelfstandig is (dwz met een inkomen op bijstandniveau of meer) steeg tussen 1995 en 2005 bij vrouwen sterker dan bij mannen (respectievelijk van 31 naar 41% en van 65 naar 68%). Tussen 1986 en 2000 daalde het aandeel eenverdienerhuishoudens onder paren van 53 naar 31% en het aandeel tweeverdieners steeg van 30 naar 60%. Dit heeft buiten werktijd vaker geleid tot gevoelens van tijdsdruk en gejaagdheid (bij mannen tussen 1974 en 2000 van 26 naar 36% en bij vrouwen van 34 naar 44%). In 2003 staken in 10 van de 15 EU landen vrouwen minder tijd dan in Nederland in huishouden en kinderzorg en onder mannen werd hier in 10 van de 15 landen meer tijd in gestoken. In dat jaar was 78% van de vrouwen (2 na hoogste EU15) en 86% van de mannen (bij de 5 hoogste van de EU15) tevreden over de taakverdeling met de partner m.b.t. betaald werk en privé. Nederland kent 16 weken volledig betaald bevallingsverlof; waarvan 6 weken prenataal. De bevallingszorg is veelal gratis; maar in 2008 dreigde een ernstig tekort aan kraamverpleegkundigen. In 2003 maakte 42% van de vrouwen en 16% van de mannen die er recht op hadden gebruik van (vaak onbetaald) ouderschapsverlof. In 2005 stopte 11% van de vrouwen met werken na de geboorte van een 1e kind; 49% ging minder werken en de rest (40%) even lang of meer.
Houding tegenover kinderopvang
Reeds in de 17e eeuw bestond in Nederland de christelijke norm dat de vrouw zich aan het gezin hoort te wijden en m.n in de 60er en 70er jaren van de 20e eeuw was het voor de man een prestigekwestie om te kunnen zeggen "mijn vrouw hoeft niet te werken". De moeder hoorde thuis te zijn om de kinderen op te vangen als ze uit school kwamen. Vanuit deze achtergrond heeft het deeltijdwerken door vrouwen in Nederland zo'n hoge vlucht genomen. Veel moeders met kinderen tot 12 (52% in 2002) vinden een voltijdbaan van de moeder bezwaarlijk en de opvang van baby's wordt door een meerderheid der Nederlanders (vrouwen 55%, mannen 59% in 2004) onwenselijk geacht. Door de sterke toename van het deeltijdwerken onder vrouwen is het aantal kinderen dat werd opgevangen in kinderdagverblijven, bij gastouders en in buitenschoolse opvang tussen 1996 en 2002 meer dan verdubbeld. In 2002 maakten ruim 1,5 miljoen kinderen tussen 0 en 12 (57% van de leeftijdsgroep) gebruik van dagopvang, spelgroepen, naschoolse opvang en lunchopvang; in veel gevallen een paar dagen per week. Een miljoen kinderen hadden echter thuis of elders privé-opvang. In 2005 is de inkomensgrens om subsidie te krijgen voor kinderopvang verlaagd en er kwam geld voor gastouderopvang. Oppas grootouders konden zich lieten registreren als gastouderbureau waardoor ze aanspraak konden maken op een vergoeding via de overheid. Het gedeelte kinderen dat onder formele kinderopvang (dagopvang en buitenschoolse opvang, bijv via gastouders) viel steeg daardoor nogal, van 2006 op 2007 van 20 naar 25% (652.000 kinderen). In 2003 ging nog maar 5% van de basisscholieren naar naschoolse opvang bij scholen. Nederlanders voelen zich hier vaak schuldig bij (er wordt gesproken van het dumpen van kinderen). Sinds 1996 zorgen gemeenten voor gratis opvang van kinderen van bijstandmoeders zodat die kunnen werken aan positieverbetering via een baan of opleiding. Kinderopvang wordt betaald door werkgever, belastingdienst (inkomensafhankelijk aandeel) en ouders samen. Door de bank genomen is het naar Europese maatstaven duur. In 2006 stelde de overheid met ingang van 2008 gratis naschoolse opvang echter verplicht.
Emancipatie
Net als in veel rijke landen halen in Nederland meisjes jongens in qua opleidingsniveau. In 2000 was nog 50% van de hoger onderwijsstudenten vrouw (EU 53%), maar in 2005 waren volgens het ITS in Nijmegen 55% van de HAVO en VWO scholieren meisjes. Het aandeel meisjes tussen 20 en 24 met minimaal een secundair vervolgonderwijsdiploma (79,6% in 2006) lag iets onder het Eu27 gemiddelde (80,8%), maar bij jongens lag het er verder onder (70 om 75%). Het aandeel Nederlanders dat het oneens was met de stelling dat een universitaire opleiding voor jongens belangrijker is dan voor meisjes was in 2005 het grootste binnen de EU25 na dat in Denemarken (NL 93%; EU 81%). Het aandeel afgestudeerde vrouwen in exacte vakken bleef echter erg laag (18% in 2005, rijke landen 30%) en ook het gedeelte vrouwelijke hoger onderwijsstudenten lag in 2006 onder het EU gemiddelde (51 om 55%).
In 2005 behoorde het aandeel vrouwelijke hoogleraren tot de 4 laagste binnen de EU25 (9 om 15%). Het gedeelte vrouwen onder de hoge leidinggevenden (26 om 32% in 2005), onder directieleden van de 50 grootste ondernemingen (5 om 10% in 2006) en het deel van de werknemers dat een vrouw als directe leidinggevende had (21 om 25%) was eveneens klein naar Eu maatstaven. In 2005 hadden vrouwelijke werkgevers 10% meer vrouwen, 18% meer vrouwelijke leidinggevenden en 25% meer vrouwen in topfuncties in dienst dan mannelijke werkgevers. In de publieke sector hebben vrouwen vaker topfuncties dan in het bedrijfsleven. In 2006 telde Nederland naar EU maatstaven veel vrouwelijke parlementariërs (35%, Eu parlement 29%) en ministers en staatssecretarissen (40 om 27%); maar dit zijn erg exclusieve beroepsgroepen. Het algemene verschil in uurloon tussen mannen en vrouwen daalde tussen 1994 en 2005 sterker dan binnen de EU25 (NL van 23 naar 18%; Eu van 17 naar 15%). Na correctie voor verschillen in werkervaring, opleiding en sector bleef in 2003 (ook 18% verschil) in het bedrijfsleven 7% en bij de overheid 3% onverklaarbaar beloningsverschil ten nadele van de vrouw over. Een hoofdoorzaak van bovenbeschreven achterstanden bij Nederlandse vrouwen is de voorkeur voor deeltijdwerk omdat ze de kinderen thuis willen opvangen als die uit school komen. Een ongewild bijeffect is dat dit traditionele rolpatronen bevestigt.
|
Het gedeelte vrouwen met banen in 6 beroepssectoren waarin veel vrouwen werken (zorg en sociaal werk, winkelpersoneel, onderwijs, overheidsambtenarij, administratie en horeca) was in 2006 in Nederland met 71% het grootste binnen de EU25 (EU 61%). In de vrouwen en mannenberoepen top (bediening, administratie, persoonlijke verzorging, huishouding ed. voor vrouwen en montage, bouwvak, kleine zelfstandige, techniek ed. voor mannen) viel het verschil met het EU gemiddelde echter vrijwel weg. In de top6 van de vrouwenberoepen had 37% van de vrouwen een baan (rond EU gemiddelde) en in de top6 van de mannenberoepen 25% van de mannen (EU 27%).
|
De tolerantie tegenover homoseksualiteit is in Nederland het grootst binnen de EU25. In 2000 werd het geregistreerd partnerschap ingevoerd en sinds 2001 bestaat voor zowel hetero's als homo's de keus tussen een huwelijk en een samenlevingscontract. Ook KI en adoptie zijn bij paren van gelijke kunne toegestaan. Sinds 2001 mogen homo's trouwen. In 2001 en 2002 werden in totaal 4200 homohuwelijken gesloten (ruim 2% van de gesloten huwelijken) en er was sprake van 2900 partnerschapregistraties van deze soort. In 2006 lag het aantal homohuwelijken op 1200 (1,7% van alle huwelijken) en het aantal geregistreerde homopartnerschappen op 630 (5,7%). In 2006 was een grote meerderheid in Nederland voor het Europees toestaan van het homohuwelijk en van kinderadoptie door homoparen (respectievelijk 82 om 44% en 69 om 32%; beide hoogste EU25).
De leefsituatie van 65plussers
Het gedeelte 65plussers dat een huishouding met hun kinderen deelde behoorde in 2005 tot de laagste binnen de Eu25. Onder 65-75 jarigen betrof het 5% van de vrouwen en 7% van de mannen (EU v 18%, m 20%) en bij 75plussers bij beide geslachten 6% (bij 3 laagste Eu, EU v 18%, m 12%). Onder de 65-75 jarigen woonde 54% van de vrouwen en 82% van de mannen (hoogste EU) als paar (EU 45 en 66%) en 38% van de vrouwen (Eu 30%) en 11% van de mannen (EU 12%) woonde alleen. Bij vrouwen kende zo'n 3% een andere leefsituatie (EU 4% bij beide geslachten). Bij 75plussers woonde 65% van de vrouwen (hoogste EU) en 20% van de mannen op zichzelf (EU25 53 en 20%) en 28% van de vrouwen en 71% van de mannen woonde nog als paar samen (EU 25 en 62%). Onder beide geslachten had zo'n 2% een andere leefsituatie (EU 5% voor beide geslachten). Het aandeel 65 plussers dat rond moest zien te komen van minder dan 60% van modaal behoorde tot de laagste binnen de EU25 (v 6% m 4%;; EU v 21%, m 16%).
Welzijnsaspecten
In 2003 beoordeelde 7% van de Nederlanders (EU25 7%; EU15 6%) de eigen gezondheid als slecht. Het deel van hen dat op een 9tal gebieden redelijk tot erg tevreden was met hun leven lag op 88%, samen met Luxemburg het op 2 of 3 na hoogste aandeel binnen de EU15. De tevredenheid met huis, gezinsleven en buurt (94%) was het meest wijdverbreid en de tevredenheid met het zorgstelsel het minst (74%). In 2005 was het volksdeel dat tamelijk tot buitengewoon tevreden was zelfs het grootste binnen de EU25 (97 om 82%). Intussen slikte bijv wel 6% van de Nederlandse bevolking antidepressiva en het volksdeel dat zich gelukkig tot erg gelukkig betoonde daalde tussen 2000 en 2005 licht (van 89 naar 87%). In 2002 vonden de Nederlanders vrije tijd de belangrijkste voorwaarde voor een goed leven, gevolgd door het zien van vrienden en nuttig zijn voor anderen. Het volksdeel dat meer optimistisch dan pessimistisch was over de toekomst lag in 2003 op 75% (EU15 64%), maar het gedeelte dat de kwestie het voordeel van de twijfel gaf (59%) was het grootste binnen de EU25 zodat de balans gemakkelijk door kon slaan. Het vertrouwen in het staatspensioenstelsel (de AOW) en in de mensheid scoorde het op 2 na hoogst binnen de EU25. Naar EU maatstaven ervoeren in 2003 veel Nederlanders etnische spanningen (61%, 2e EU25, EU15 46%). Spanningen tussen arm en rijk (25%, EU15 31%), werkgevers en werknemers (23 om 34%) en mannen en vrouwen (9 om 12%) werden relatief weinig ervaren en spanningen tussen generaties (18 om 15%) vaker dan gemiddeld; m.n onder etnische groepen met traditioneel Islamitische wortels. Het vertrouwen in de mensheid is in Nederland even groot als dat de corruptie klein is. Zowel op het 1e als op de CPI (de corruptieperceptieindex voor de mate van corruptie volgens westerse rijkelandenmaatstaven) bezette men in 2007 na Finland, Denemarken en Zweden een 4e plek onder de EU landen hetgeen in lijn is met het Nederlandse spreekwoord "zo de waard is vertrouwt hij zijn gasten".
|
Beoordeling levenskwaliteit in de oude en de nieuwe EU landen (EU10) en in Nederland in 2003 op een schaal van 1 (minimaal) t/m 10 (uitmuntend)
|
|
|
EU15
|
EU10
|
Nederland
|
|
Gezondheidszorg
|
6,4
|
5,0
|
6,7
|
|
Sociale dienstverlening
|
6,2
|
4,5
|
6,7
|
|
Staatspensioenstelsel
|
5,4
|
4,5
|
6,8
|
|
Onderwijsstelsel
|
6,3
|
5,8
|
6,8
|
|
Vertrouwen in de medemens
|
5,8
|
4,8
|
6,1
|
|
Tevredenheid met het leven
|
7,3
|
6,1
|
7,5
|
|
Geluksgevoel
|
7,6
|
6.9
|
7,7
|
De hier vermelde cijfers en enquête-uitslagen gelden voor de gemiddelde Nederlander. Binnen de cultuur van autochtone Nederlanders kunnen subgroepen worden onderscheiden die qua gedrag en opinies van dit beeld kunnen afwijken. Het onderzoeksbureau Motivaction kwam rond de millenniumwisseling uit op de onderstaande 7 subculturen.
|
Traditionele burgerij (22 procent)
|
|
Doelen
|
gezinsleven, behoudend, solidair
|
|
Leefstijl
|
discipline, sociaal betrokken, christelijk
|
|
Werk
|
hard werken, calvinistisch
|
|
Vrije tijd
|
huiselijkheid, gezelligheid
|
|
Familie
|
traditionele rollen, gezamenlijke vriendenkring
|
|
Moderne burgerij (27 procent)
|
|
Doelen
|
traditionele waarden, maar open voor vernieuwing
|
|
Leefstijl
|
huisje boompje beestje, gepland, financieel zeker, verwennen, comfort
|
|
Werk
|
belangrijk, goed verdienen, interessant
|
|
Vrije tijd
|
actieve invulling, gezinsverband
|
|
Familie
|
gematigd traditioneel, homogene vriendenkring
|
|
Gemak georiënteerden (16 procent)
|
|
Doelen
|
zorgeloos, vrij zijn, comfort
|
|
Leefstijl
|
hier en nu, lekker leven, doen waar je zin in hebt
|
|
Werk
|
niet ambitieus, geen verantwoordelijkheid
|
|
Vrije tijd
|
plezier en vermaak. Kijken veel (commerciële) tv
|
|
Familie
|
traditionele samenlevingsvormen
|
|
Opwaarts mobielen (8 procent)
|
|
Doelen
|
carrière maken, hogerop komen, arriveren
|
|
Leefstijl
|
druk en onregelmatig, statusgevoelig
|
|
Werk
|
centrale rol, prestatiegericht
|
|
Vrije tijd
|
ondergeschikt, buitenshuis
|
|
Familie
|
individualist, partner heeft eigen vriendenkring
|
|
Kosmopolieten (11 procent)
|
|
Doelen
|
carrière, zelfontplooiing, maatschappelijk betrokken
|
|
Leefstijl
|
actief, veelzijdig, kunst, cultuur, reizen
|
|
Werk
|
uiterlijk en innerlijk gemotiveerd
|
|
Vrije tijd
|
"verrijking" zoeken, buitenshuis, divers
|
|
Familie
|
individualisten, netwerken
|
|
Ontplooiers (7 procent)
|
|
Doelen
|
autonomie, innerlijk gemotiveerde ambities
|
|
Leefstijl
|
onafhankelijk, cultureel actief, tolerant
|
|
Werk
|
zelfstandig, innerlijk gemotiveerd
|
|
Vrije tijd
|
uitgaan, cultuurbezoek
|
|
Familie
|
sterk individualistisch, veelzijdige vriendenkring
|
|
Postmaterialisten (9 procent)
|
|
Doelen
|
solidariteit, harmonie tussen sociale en natuurlijke omgeving
|
|
Leefstijl
|
milieubewust, kritisch, politiek betrokken
|
|
Werk
|
even belangrijk als vrije tijd, parttime, nuttig werk, veel bestuurders en beleidsmakers
|
|
Vrije tijd
|
huiselijk en cultureel, vrijwilligerswerk
|
|
Familie
|
verdeling van zorg, niet traditioneel gezinsverband
|
|