Prehistorie
De vroegste sporen van menselijke aanwezigheid in Nederland zijn gevonden in de Belvédère groeve bij Maastricht en in zandgroeven bij Rhenen. Ze dateren van 250.000 tot 200.000 jaar geleden en zijn afkomstig van de mensensoort Homo Erectus (rechtoplopende mens); de voorouder van zowel Neanderthalers als denkende mensen. De eerste overblijfselen van denkende mensen komen van rendierjagers die vlak na de laatste ijstijd (zo'n 13.000 jaar geleden) in het land vertoefden. Nadien trokken de rendierjagers voor een deel weg en achtergeblevenen en nieuw aangekomenen voorzagen in hun onderhoud met jagen, vissen en verzamelen. Na 5300 v Chr. kwam hier wat landbouw en veeteelt bij. Rond 3000 v Chr. bouwde de trechterbekercultuur de z.g.n. hunebedden (uit grote zwerfkeien uit de ijstijd opgebouwde graven) op de zandgronden in het noordoosten van het land. Na 2100 v Chr. deed het brons zijn intrede. Dit werd gebruikt door de Keltische en Germaanse stammen die tussen 1800 en 1200 v Chr. in Nederland leefden. Zij lieten eerst grafheuvels en daarna urnenvelden achter. Uit de periode tussen 800 en 50 v Chr. (de ijzertijd) zijn ondermeer bij Oss vorstengraven gevonden met uit Italië geïmporteerde grafgiften. In het noordelijke waddengebied en in het getijdengebied van de grote rivieren werden toen terpen en wierden (uit klei en mest opgetrokken verhogingen) aangelegd die de daar aanwezige Angelsaksische Friezen en hun vee moesten beschermen tegen hoogwater. Na 57 v Chr. stichtten de Romeinen forten en nederzettingen ten zuiden van de Rijn. Sommige daarvan (zoals Utrecht, Nijmegen, Leiden en Maastricht) zijn uitgegroeid tot grote steden. Mede doordat de Hunnen opdrongen, begon in de 5e eeuw de periode van de volksverhuizingen.
Middeleeuwen
Tussen de 5e en de 7e eeuw na Chr. vestigden zich vanuit het zuiden Franken en vanuit het oosten Saksen in Nederland. De Friezen konden zich door de geïsoleerde ligging van hun woongebied handhaven. Ze spreken ook nu nog een eigen taal (de 2e erkende landstaal), maar de huidige versie daarvan is van veel recentere datum dan 800 v Chr. Als Angelsaksen waren de Friezen erg loyaal aan hun eigen volk, voorouders en culturele identiteit.
|
Van de Friese koning Radboud of Redbad (648-719) is bekend dat hij er met één been in het doopvond (mensen werden toen gedoopt door complete onderdompeling) toch maar vanaf zag om zich te laten dopen. Toen de Engelse missionaris Wolfram op zijn de vraag op het moment suprème of zijn voorvaderen in de hemel waren ontkennend moest antwoorden (ze waren immers niet gedoopt) trok Radboud zijn been ijlings terug en hij bleef de rest van zijn leven heiden.
|
Met de komst van de Franken deden geleidelijk aan christendom en schrijfkunst hun intrede en de handel werd steeds belangrijker. De Frankische keizer Karel de Grote slaagde er in om het huidige Nederland in zoverre tot een eenheid om te smeden dat het gehele land formeel christelijk werd en dat er een muntstelsel kwam. Hij liet in Nijmegen de Valckhofburcht bouwen en daarom wordt deze stad soms de keizerstad genoemd. Na zijn dood in 814 viel het land echter weer uiteen en er volgden invallen van Noormannen uit Zuid Scandinavië die veel nederzettingen plunderden. In de periode tot de eerste helft van de 16e eeuw viel Nederland formeel onder het domein van het Duitse vorstenhuis van de Habsburgers. De keizers van deze dynastie hadden in de praktijk echter weinig in te brengen. Feitelijk werd de dienst uitgemaakt door hun leenheren (graven en hertogen) die vrijwel autonoom heersten over de graafschappen en hertogdommen. Daarnaast hadden bisschoppen (bijv de bisschop van Utrecht) vaak wereldlijke macht.
Reformatie en onafhankelijkheidsstrijd
Via een vorstenhuwelijk in 1477 kwamen de leengebieden (het huidige Nederland en België) onder het bewind van de Spaanse tak van de Habsburgers. In de 16e eeuw deden de kerkhervorming van Luther en Calvijn zijn intrede. Deze nieuwe kerkrichting, het protestantisme, was ontstaan als protest tegen hypocrisie en corruptie in de Roomse kerk en ze sloeg aan in wat nu Nederland heet. Daarop gaf de Roomse Spaanse koning Philips II de paters Jezuïeten de vrije hand om de inquisitie in te voeren. Door dit religieus getinte rechtscollege werden protestanten ketters genoemd en duizenden van hen werden in de noordelijke Nederlanden vanwege hun godsdienst veroordeeld tot de brandstapel. Ook werden protestantse erediensten verboden, hetgeen er toe leidde dat ze stiekem in de open lucht werden gehouden (de z.g.n. hagenpreken). Na de beeldenstorm, een protestactie van protestanten in 1566 in roomse kerken, volgden strenge sancties. Dit mondde al snel uit in een vrijheidsoorlog (de 80 jarige oorlog) die in 1568 begon. Omdat de zuidelijke Nederlanden (het huidige België) rooms waren gebleven, scheidden ze zich in 1578 af van de Noordelijke Nederlanden (de unie van Utrecht en de unie van Atrecht) en enkele jaren later was de republiek der 7 Verenigde Nederlanden een feit. Deze bestond tot het begin van de Napoleontische tijd in 1795.
In 1584 werd de Noordelijke leider prins Willem van Oranje (bijnamen: Willem de Zwijger, vader des vaderlands) in de Prinsenhof in Den Haag vermoord door Balthasar Gerards. In 1588 werd het land een republiek (de republiek der 7 verenigde Nederlanden). Omdat Antwerpen in 1585 na een langdurige belegering ten prooi viel aan de Spanjolen (zoals de Spanjaarden toen werden genoemd) blokkeerde de republikeinse vloot in 1589 de haven van Antwerpen. Hierdoor verplaatste de wereldhandel zich naar Amsterdam en de Nederlanders werden erg succesvol met hun strijd tegen de Spanjaarden. In 1648 waren die gedwongen om vrede te sluiten (de vrede van Munster) en de republiek te erkennen.
Handelscompagnieën
Deze uitkomst was vooral te danken aan hun succes van de Nederlanders op de wereldzeeën. Vanaf 1575 vestigden ze handelsposten in Zuid Afrika, West Afrika en Amerika vanwege de slavenhandel en om Spaanse vloten met roofgoed uit Latijns Amerika te kapen en in zuid en zuidoost Azië vanwege de zeer lucratieve specerijenhandel. In dezelfde periode werd de zaagmolen uitgevonden die de bouw mogelijk maakte van een enorme handel en oorlogsvloot. In 1602 werd de Verenigde Oost-Indische compagnie (VOC) opgericht, in 1614 de Noordse compagnie (houtimport, walvisvaart, bonthandel) en in 1621 de West-Indische Compagnie (WIC). Deze handelscompagnieën hadden een eigen leger, vloot en rechtspraak. Hoewel de OIC en de WIC het meest spectaculair waren, was de Noordse compagnie economisch veruit de belangrijkste. Deze haalde ondermeer het hout uit de Oostzeelanden dat nodig was om de zaagmolens te laten draaien en de schepen te bouwen.
Nederlanders, Portugezen en Engelsen haakten in op de in West Afrikaanse landen heersende gewoonte om ongehoorzamen, wanbetalers en krijgsgevangenen van stammenoorlogen als slaaf te verhandelen. Hierdoor kwamen er in die regio meer gewapende stammenconflicten. Bij de handelscompagnieën ging opportunisme uit geldzucht op diverse manieren boven ethiek. Zo is van sommige WIC kapiteins bekend dat ze bewust meer slaven uit Afrika naar Amerika overbrachten dan ze konden voeden. Een aantal slaven overleefde dan de overtocht niet, maar er bleven er genoeg over om extra winst te maken. Andere kapiteins probeerden echter om de verkoopwaarde van hun handelswaar te verhogen door het bieden van voldoende lucht en beweging onderweg. Gemiddeld overleefde rond 85% van de slaven de overtocht. Al met al waren de Nederlanders in Amerika de enige Europeanen die slaven behandelden als kippen. Bij de verkoop van slaven werd geen rekening gehouden met hun familieomstandigheden. Dit gedrag werd door de WIC niet afgestraft en op grond van bijbelinterpretatie werd destijds gesteld dat het zwarte ras minderwaardig is aan het blanke. Op Curaçao werd, anders dan in de Surinaamse plantage-economie, de waarde van een slaaf niet bepaald door productiecapaciteit. Daardoor waren op Curaçao de onderlinge verhoudingen tussen slaven en meesters meer ontspannen. Slaven kregen vaak wat geld of konden bijverdienen met visvangst of verkoop van tuinopbrengsten. Zo konden ze zichzelf soms vrijkomen. Na de dood van hun meester werden ze dikwijls vrijgelaten.
|
De kapiteins en officieren bij VOC en WIC waren qua catering weinig loyaal tegenover hun bemanning. Op de lange tochten gingen veel bemanningsleden dood aan scheurbuik veroorzaakt door vitamine C gebrek, maar de scheepsleiding kweekte voor zichzelf aan boord sla en tuinkers als vitaminebron.
|
Gouden eeuw
Met het geld dat de compagnieën opbrachten werden niet alleen oorlogen gefinancierd, maar het hele land profiteerde ervan. Dit leidde tot een economische en culturele bloeiperiode, de z.g.n. Gouden Eeuw. Veel vermaarde Hollandse schilders, dichters, filosofen en wetenschappers leefden in deze periode. Roomse erediensten werden oogluikend toegestaan (gedoogd) en protestante vluchtelingen uit Frankrijk, de Hugenoten, werden opgevangen. Ze kregen de kans om in Nederland een nieuw leven te beginnen. Tijdens de gouden eeuw werden veel polders drooggemalen met windmolens. Tussen 1648 en 1795 kende Nederland 2 stadhouderloze tijdperken, waarvan de eerste in 1672 eindigde met de politieke moord op de heersende raadspensionaris Johan de Witt. Verder voerde het land 4 keer oorlog met de Engelsen en het was betrokken in 2 oorlogen over de erfopvolging van vorstenhuizen. In de eerste 2 Engelse oorlogen, in de strijd tegen piraterij en in andere internationale conflicten boekte Admiraal Michiel Adriaanszoon de Ruyter belangrijke resultaten. Hij was voor de Nederlanders wat Horatio Nelson later voor de Britten werd.
Pruikentijd
Door de toenemende decadentie ten gevolge van de rijkdom bij kooplieden en regenten (de 18e eeuwse pruikentijd) bleek de republiek in de geldverslindende militaire confrontaties echter steeds minder succesvol. Tegen het einde van de 18e eeuw waren er conflicten tussen de republikeinse patriotten, die vrijheidsidealen van de Franse verlichting aanhingen, en de meer behoudende prinsgezindten. De patriotten waren de eersten in de Nederlandse geschiedenis die op zoek waren naar een Nederlandse identiteit (waar het calvinisme bij hoorde naar hun idee) en ze wilden het land omsmeden tot een eenheid. Aanvankelijk kregen de Oranjegezindten de overhand en de patriotten vluchtten naar het buitenland (onder meer naar Frankrijk). In 1795 kwamen ze echter weer terug met de Fransen die onder leiding van Napoleon Nederland kwamen bezetten.
Van de Napoleontische tijd tot de 2e wereldoorlog
Tijdens de Napoleontische tijd kwam Nederland onder Frans bestuur en de Engelsen namen hun kans waar om een aantal Nederlandse koloniën in te pikken. De Fransen voerden onder meer het metrische stelsel en familieachternamen in. Na de nederlaag van Napoleon in Rusland in 1813 keerde het vorstenhuis van de Oranjes terug in de persoon van koning Willem I. Toen Napoleon in 1815 definitief was verslagen werd Nederland een constitutionele monarchie (een koninkrijk met een grondwet) met een parlement dat gekozen werd door rijke en voorname burgers. Ook was besloten om de noordelijke en de zuidelijke Nederlanden weer samen te voegen. Door het autocratische en op het protestantisme gerichte bewind van de koning scheidden de zuidelijke Nederlanden zich in 1839 echter af en daarmee was het ontstaan van België een feit. Dit maakte een nieuwe grondwet nodig. Deze werd in 1848 in opdracht van koning Willem II onder invloed van de heersende tijdgeest geliberaliseerd. Deze door J.R. Thorbecke geschreven grondwet vigeert tot op de dag van vandaag. Ondermeer het al algemeen kiesrecht is er in opgenomen. Rond en kort na de 20e eeuwwisseling onder koningin Wilhelmina (1880-1962) was er opnieuw een bloeiperiode m.b.t. kunst en wetenschap. In 1913 kregen 6 Nederlanders een Nobelprijs. Gedurende de 1e wereldoorlog slaagde men er in om buiten de oorlog te blijven en in de periode tussen de beide wereldoorlogen ontwikkelde zich het fenomeen van de verzuiling. Hiermee wordt de opdeling bedoeld van de samenleving in gescheiden levensbeschouwelijke blokken. Zo hadden Roomsen, protestanten, liberalen en socialisten ieder een eigen politieke partij en omroeporganisatie en dito verenigingen en scholen e.d en men bemoeide zich vrijwel alleen met geloofsgenoten. Dit verschijnsel bleef toonaangevend in het maatschappelijke leven tot in de 60er jaren.
Tweede wereldoorlog, wederopbouw en dekolonisatie
Tijdens de 2e wereldoorlog leed het land onder de Duitse bezetting. Aan het begin van de oorlog werd het centrum van Rotterdam platgebombardeerd, Mannen die niet aan de door de Duitsers opgelegde arbeidsplicht wilden voldoen en Joden doken onder en probeerden aan een vals identiteitsbewijs te komen. Anderen werden naar Duitsland afgevoerd om dwangarbeid te verrichten. Van de 140.000 Nederlandse joden kwamen er 104.000 om in concentratiekampen. Ook vele duizenden Nederlanders lieten het leven als lid van de ondergrondse (de verzetsbeweging), als willekeurig slachtoffer van represaillemaatregelen of tijdens de hongerwinter van 1944.
|
Het dagboek van het ondergedoken, verraden en in een concentratiekamp omgekomen joodse meisje Anne Frank is wereldberoemd geworden en in veel talen gepubliceerd. Procentueel gezien zijn tijdens de 2e wereldoorlog meer Nederlandse joden omgekomen dan joden uit enig ander door de Duitsers bezet land. Naast de met de Duitsers collaborerende NSB en politie droeg de uiterst transparante burgerlijke stand van de onkreukbare Nederlandse ambtenarij er in belangrijke mate toe bij dat veel ondergedoken joden werden opgepakt. Intussen deden de meeste Nederlanders uit zelfbehoud alsof hun neus bloedde.
|
De periode tussen 1945 en 1950 stond in het teken van de wederopbouw, de koude oorlog en het zelfstandig worden van Nederlands grootste voormalige kolonie, het huidige Indonesië. Nogal wat oorlogsbruiden die een Canadese bevrijder hadden ontmoet emigreerden. Ook veel anderen vertrokken vanwege de enorme woningnood, de angst voor het rode gevaar (Sovjet Unie, China) en andere onzekerheden naar Amerika, Australië en Nieuw Zeeland. Velen uit het Islamitische Indonesië (voornamelijk christelijke Indonesiërs en z.g.n. Indische Nederlanders) kwamen naar Nederland. Onder hen waren de Molukkers, Indonesische christenen die in het Koninklijke Nederlands Indische leger (KNIL) hadden gediend. Men had hen beloofd dat hun verblijf in Nederland van tijdelijke aard zou zijn omdat met de Indonesische regering was overeengekomen dat de Molukken een aparte status zouden krijgen binnen Indonesië. Dit laatste zou hun terugkeer mogelijk maken. De afspraken met Indonesië bleken echter dusdanig vaag dat deze beloftes nooit zijn ingelost en dat heeft later tot de nodige problemen met de Molukkers geleid. Door een kabinet onder leiding van de socialist Willem Drees werd in 1946 de AOW (een gegarandeerd pensioen voor iedereen boven de 65) ingevoerd. In 1949 werd Indonesië onafhankelijk en Nederland werd lid van de NAVO. In de 50er en 60er jaren van de 20e eeuw bloeide de economie verder op. Er kwam een enorme geboortegolf (de babyboomgeneratie) en Nederland sloot zich aan bij de EEG (de latere EU); Rotterdam werd de grootste doorvoerhaven ter wereld en er werd doorgewerkt aan wederopbouw, sociale wetgeving en collectieve voorzieningen. In 1956 arriveerden veel Hongaarse vluchtelingen na de mislukte opstand in hun geboorteland. In 1962 werd Nederlands Nieuw-Guinea na een militair conflict en op aandrang van de VN en de Amerikanen overgedragen aan Indonesië.
Immigranten en flowerpower
In dezelfde periode arriveerden in Nederland de eerste gastarbeiders uit landen rond de Middellandse Zee. Zij waren ingehuurd om het vuile, zware en relatief slecht betaalde werk op te knappen waar vanwege de krappe arbeidsmarkt geen Nederlanders meer voor te vinden waren. Velen van hen werden in hun land van herkomst uitgeselecteerd door Nederlandse werkgevers op grond van een sterk gestel en (om onrust te voorkomen) weinig scholing. Omdat hun verblijf van tijdelijke aard zou zijn stuurden ze een zo groot mogelijk deel van hun verdiensten naar hun achtergebleven familie. In de 2e helft van de 60er jaren leidden antiautoritaire verzetsreacties van jongeren tegen kortzichtig materialisme, hypocrisie en kadaverdiscipline tot een cultuurverandering. Gezag en autoriteit werden overal ter discussie gesteld (in het begin door de provo's en de kabouterbeweging) en er kwamen emancipatiebewegingen en democratiseringsgolven op gang. Ook kalfde de verzuiling af, werden er nieuwe politieke partijen opgericht en werden de sociale voorzieningen beter. De oliecrisis leidde in 1973 tot een economische recessie en een sterke toename van de werkloosheid. Door de recessie verloren veel gastarbeiders hun baan. Omdat men hen niet wilde laten stikken kregen ze een Nederlands paspoort en werd gezinshereniging toegestaan. Door de Surinaamse onafhankelijkheid (ook in 1973) was er een toevloed van Surinamers en ook steeds meer Antilliaanse jongeren die in hun rijksdeel weinig perspectieven zagen trokken naar Nederland. Veel gastarbeiders lieten hun gezin overkomen in de hoop dat hun kinderen hier onderwijs zouden kunnen volgen en alsnog een bijdrage zouden kunnen leveren aan een grotere welstand en een uiteindelijke terugkeer. Door cultuurverschillen en taalachterstanden bleken dergelijke perspectieven veelal niet realiseerbaar. Veel nieuwe Nederlanders en hun kinderen kwamen in een luchtledig terecht. Ze zagen in Nederland weinig mogelijkheden, hielden afstand tot de in hun ogen onwennige of zelfs verderfelijke Nederlandse cultuur en voelden zich in hun land van herkomst ook niet meer thuis. Daarbij overheerste in Nederland de zachte aanpak. Van mensen uit immigrantenlanden en (voormalige) rijksdelen en hun kinderen werden vaak zaken getolereerd die zeker in hun land van herkomst nooit getolereerd zouden worden. Zo werd een buitenproportioneel deel van de criminaliteit op den duur gepleegd door immigrantengroepen en dit werd decennia lang verdoezeld en ontkend. Mede door de traditie van verzuiling was Nederland een multi-etnische samenleving geworden. Nieuwe en autochtone Nederlanders beperkten hun contacten veelal tot de eigen kring en intussen kon de mythe hooggehouden worden dat Nederland een tolerante multiculturele samenleving is. Debat en de confrontatie werden vermeden en onderhuids ongenoegen werd gladgestreken met oppervlakkige solidariteit en moralisme.
1980 tot 2002
In 1977 fuseerden de toonaangevende christen democratische partijen tot het CDA. Tussen 1982 en 1994 nam door het economische beleid van 3 achtereenvolgende centrumrechtse kabinetten onder premier Lubbers het begrotingstekort af en de werkgelegenheid trok weer wat aan. Na 1994 kwamen er voor het eerst sinds 1918 twee kabinetten waar de confessionelen geen onderdeel van uitmaakten. In deze z.g.n. paarse kabinetten onder leiding van minister president Kok regeerde de socialistische PvdA met de rechtse en linkse liberalen van respectievelijk de VVD en D66. Dit leidde tot bestuurlijke en politieke vernieuwingen, de werkgelegenheid trok verder aan, de arbeidsmarkt werd flexibeler en de leefomgeving werd aangepakt via stadsvernieuwingsprojecten en meer toezicht (bijv. door toezichthouders en stadswachten). Tegelijkertijd werden de sociale voorzieningen versoberd en er trad een zekere verzakelijking op. M.b.t. cultuurverschillen en strijdpunten bleef de strategie van pappen en nathouden gehandhaafd. Deze situatie bood in de laatste maanden voorafgaand aan de verkiezingen van 2002 een voedingsbodem voor de neo-patriot Pim Fortuyn, die veelal werd omschreven als een flamboyante dandy met republikeinse sympathieën die openlijk voor zijn homoseksualiteit uitkwam.
Politieke moorden en de storm van Fortuyn
Als eerste politicus verwoordde Fortuyn via oneliners over "de islam" en een pleidooi voor immigratiebeperking en aanpassing het onderhuidse ongenoegen dat zich in de loop der jaren onder een brede laag van de bevolking had opgehoopt. Analoog aan de patriotten uit het eind van de 18e eeuw wees hij daarbij op de noodzaak tot bewustwording van een Nederlandse nationale identiteit; ditmaal als middel om zich te kunnen profileren ten opzichte van andere culturen. Dit zou de benodigde duidelijkheid creëren om via lik op stuk beleid en debat de heersende laksheid te doorbreken. Eén en ander zou uiteindelijk moeten leiden tot een meer zuivere en daardoor betere verhouding tussen de diverse etnische groepen. Deze visie had tot gevolg dat de door Fortuyn inderhaast opgerichte LPF (Lijst Pim Fortuyn) volgens de peilingen af leek te stevenen op een klinkende verkiezingsoverwinning. Dit scenario werd echter ruw verstoord door de mentaal nogal strak in het pak zittende dierenrechtenactivist Folkert van der Graaf die op 6 mei 2002 Fortuyn vermoordde omdat die zich tevens een voorstander had betoond van bio-industrie en pelsdierfokkerijen. Daarmee was de 1e politieke moord in Nederland sinds die op de gebroeders de Witt in 1672 een feit.
In de verkiezingen die kort daarop volgden verloren de regeringspartijen PvdA en VVD enorm. De LPF won 27 van de 150 tweede kamerzetels, hetgeen ongekend was in de parlementaire geschiedenis. Omdat het CDA zich had weten te handhaven, kon er een kabinet gevormd worden van CDA, VVD en LPF. Door geruzie binnen de LPF viel dit 1e kabinet Balkenende reeds binnen 3 maanden wat er eens te meer op duidde dat Nederland voor het eerst sinds mensenheugenis trekken begon te vertonen van een Midden-Amerikaanse bananenrepubliek. Bij de hierop volgende kamerverkiezingen van 22 januari 2003 won het CDA licht. De PvdA haalde het grootste deel van de in 2002 verloren zetels terug en de VVD een kleiner deel. Voor de LPF bleven er 8 zetels over. Ondanks het herstel van de PvdA kwam er een kabinet van CDA, VVD en D66 (Balkenende 2) dat de nieuwe flinkheid tot uitdrukking bracht in een beleid van bezuiniging (gebracht als bevordering van zelfredzaamheid en eigen verantwoordelijkheid), immigratiebeperking en een tamelijk rücksichtsloze aanpassing van immigranten aan Nederlandse normen en waarden.
Begin november 2004 werd de natie opnieuw opgeschrikt door een politieke moord, ditmaal door een Islamitische radicaal die onderdeel uitmaakte van een netwerk. Het slachtoffer was de tekstschrijver en filmer Theo van Gogh die zich bij herhaling provocerend had opgesteld tegenover religieus fundamentalisme. De moord zette aanvankelijk de verhoudingen op scherp. Dit mondde uit in bewaking van politici, hectische arrestaties van een aantal fundo's met uitgewerkte plannen voor politieke moorden en terreur en een serie aanslagen op moskeeën, Islamitische scholen en (enkele) kerken. Dergelijke fenomenen werden voordien allerwegen als een ver van mijn bed show beschouwd (zelfs ministers plachten in Nederland zonder bewaking op de fiets naar hun werk te gaan). Ook werd het debat over de spanning tussen godsdienstvrijheid, discriminatie en vrijheid van expressie aangezwengeld. Kort na de moord en de aanslagen bleek via een tv programma Willem van Oranje nipt voor Fortuyn verkozen te zijn tot de grootste Nederlander aller tijden.
|
Na de moord op Theo van Gogh kwam naar voren dat bij islamitische jongeren het koesteren van teleurstelling over maatschappelijke uitsluiting criminalisering en radicalisering in de hand kan werken. Zo stortte van Goghs moordenaar zich op de fundamentalistische islam nadat hij bij de overheid geen poot aan de grond had gekregen toen hij Marokkaanse hangjongeren die rellen hadden veroorzaakt aan een opvangcentrum wilde helpen.
|
In 2005 werd voor het eerst sinds de 2e wereldoorlog een identificatieplicht ingevoerd. Nadien zette de discussie over islamitisch fundamentalisme zich voort. Ook bleef in het rechtlijnige beleid van minister van vreemdelingenzaken Rita Verdonk de letter van de wet duidelijk boven de geest van de wet gaan. Het gevolg ervan was dat juist een aantal brave immigranten (vaak met een gezin) die erg hun best deden om een legale status te krijgen en niets liever wilden dan werken voor de kost om allerlei futiele redenen het land werden uitgezet. In de voorzomer van 2006 beet haar systeem zichzelf echter in de staart. Somalisch immigrante en kamerlid Ayaan Hirsi Magan, die zich een even fel als onhandig voorvechtster had betoond van emancipatie van de Islamitische vrouw en daarmee aan Verdonk’s ideaalbeeld tegemoet kwam, was als het aan Verdonk had gelegen haar Nederlandse paspoort kwijtgeraakt omdat ze bij haar toelating gejokt bleek te hebben over haar achternaam. Met deze beslissing voldeed Verdonk aan haar eigen gelijke monniken gelijke kappen principe, maar de reputatie van Nederland als tolerant voortrekkersland kwam definitief ter discussie te staan.
Dat in 2006 het bekende Hollandse poldermodel nog steeds leefde blijkt uit de wijze waarop werd geprobeerd de kwestie op te lossen. Vanwege de verontwaardiging die de aanpak van Verdonk in het buitenland allerwegen opriep, had men uitgezocht en gevonden dat volgens Somalisch gewoonterecht verschillende achternamen mogen worden gebruikt, zodat Ayaan Hirsi zonder dat ze het besefte toch niet gelogen zou hebben. Verdonk stelde daarop aan Ayaan voor dat ze haar paspoort mocht houden wanneer ze de schuld van de kwestie op zich zou nemen. Verdonk had altijd hoog in haar vaandel staan dat in Nederland Nederlandse regels gelden, maar dat telde nu kennelijk minder zwaar. Ayaan was het niet met de verklaring die ze moest tekenen eens, maar ze tekende toch vanwege de opportunistische reden dat ze anders grote problemen zou krijgen met de aanvaarding van haar nieuwe baan in de VS. De lijmpoging strandde echter op het feit dat de kleinste regeringspartij het vertrouwen in Verdonk opzei, waardoor het kabinet in de herfst van 2006 viel.
Situatie na 2006
Bij de verkiezingen van november 2006 wonnen de partijen die aan het linker en aan het rechtereind van het politieke spectrum zitten. De partijen in het centrum verloren. Desondanks werd op 22 februari 2007 het centrumlinkse kabinet Balkenende IV van socialisten, christen-democraten (beide verliezers in de verkiezingen) en christenunie (een partij dat ethisch rechts van het midden maar sociaal links van het midden staat) geïnstalleerd. Dat stelde ondermeer een generaal pardon in voor zo’n 30.000 vreemdelingen die bij het vorige kabinet tussen wal en schip vielen. De tendens tot winst van nationalistische en naar xenofobie neigende partijen ter rechterzijde van het politieke spectrum bleef echter aanwezig.
|