Woningbestand
Bijna 70% van de Litouwers (NL 89%) leefde in 2003 in een stedelijk gebied. Van de 1,3 miljoen wooneenheden die het land in 2001 telde bestond 33% (NL 15%) uit vrijstaande huizen, 4% (NL 52%) uit andere laagbouw (meestal 2 onder 1 kap woningen) en 61% (NL 31%) uit flatappartementen. Drie van de 4 vrijstaande woningen stonden op het platteland en in stedelijke gebieden bewoonde 81% van de huishoudens een flatje. In 2001 bereikte de nieuwbouw een dieptepunt van 1,1 woning per 1000 inwoners, maar daarna nam ze weer toe tot 2 per 1000 in 2004. Van de 527.000 gebouwen die het land in 2004 telde dateerde een kwart (85% houten huizen) van voor 1945 en 10% van na 1991. Tot in het begin van de 60er jaren was hout het meest gebruikte bouwmateriaal en ook nu nog is bijna 45% alle bouwsels in het land uit dit materiaal opgetrokken. Dit verklaart bijv waarom huisrot en huiszwam zoveel voorkomen. Tussen 2002 en 2004 nam de woningnieuwbouw flink toe en vooral in 2004 was sprake van een hausse in nieuwe bedrijfsgebouwen (m.n. fabriekshallen, magazijnen, handelscentra, publieke catering en hotels) en sport en cultuurvoorzieningen.
|
In Litouwen komen op het platteland veel z.g.n. samengestelde huishoudens voor. In 2002 deelde 8,4% van alle huishoudens de eigen woning met een ander huishouden.
|
Kwaliteit van het bestand
In 2001 had 79% van het woningbestand (steden 87%) centrale verwarming en in 2003 was landelijk 75% aangesloten op riolering, gas en licht. Bij de oudere huizen en boerderijen op het platteland moet men zich nog vaak behelpen met gasflessen, gas en oliekachels of allesbranders, water uit de pomp en buiten wc's. Men is landelijk veel kleiner behuisd dan in de EU15 (1,2 kamer pp, EU10 1,1 kamer pp, EU!5 1,9 kamer pp). Vooral flatjes zijn meestal klein (gemiddeld 60 m²; verdeeld over 2 kamers, een keukentje en een doucheruimte) en in 2003 klaagde ruim 1 op de 4 huishoudens (26%) over ruimtegebrek (Eu10 24%, EU15 17%). Tussen 1995 en 2003 telden huishoudens gemiddeld 3 personen (veel gezinnen met 1 kind). Het gemiddelde vloeroppervlak per bewoner steeg tussen 1995 en 2003 van 20 naar 23 m², vooral doordat op het platteland veel grote vrijstaande woningen werden gebouwd door nieuwe rijken. Doordat de privatisering sneller ging dan de welvaartsgroei is het achterstallig onderhoud enorm toegenomen. Veel individuele huiseigenaren kunnen het niet betalen; vinden het opzetten van een organisatie om onderhoud aan uit te besteden te omslachtig of te duur en/ of willen zich er niet voor in de schulden steken. Hierdoor en door de vele houten huizen hadden veel meer hoofdbewoners dan in de EU15 onderhoudsklachten (huisrot en huiszwam 35%, EU10 25%, Eu15: 8%; lekkage 19%, EU10 19%, EU15 12%) en erg veel huishoudens (25%, vooral op het platteland, hoogste EU; EU25:10%; EU15:1%) moesten zich nog behelpen met de ouderwetse poepdoos. Het aandeel huishoudens met 2 of meer onderhoudsklachten lag hoog (30%, EU10 22%, EU15 9%). Ook m.b.t. de woonomgeving waren er veel klachten (27%, EU 20%); het vaakst over groenvoorzieningen (22%, EU25 16%) en waterkwaliteit (39%, hoogste EU; EU10 20%, EU15: 15%). De eigen woonsituatie kreeg in 2003 het laagste cijfer binnen de EU25 (5,9; EU10 6,7; EU15 7,7).
Betaalbaarheid en bereikbaarheid van het bestand
De privatisering van het woningbestand heeft zich in Litouwen in een sneltreinvaart voltrokken. In 1995 bestond reeds 89% van het bestand uit eigen woningen en in 2003 al 97% (EU10: 71%). In 2002 huurde echter ruim 15% van de huishoudens (m.n. jongeren en ongehuwd samenwonenden) hun woonruimte. Slechts zeer weinigen maken gebruik van sociale woningbouw of woonsubsidies, vaak met onbekendheid als oorzaak. In 2003 besteedde men 12,7% van het huishoudbudget aan directe woonlasten en 3,8% aan inrichting en onderhoud. Beide percentages zijn laag naar EU maatstaven en vertoonden een dalende tendens.
|