Zang, muziek en festivals
Litouwen heeft met de beide andere Baltische staten gemeen dat door de lange periodes van onderdrukking door vreemde mogendheden folkloristische cultuuruitingen een belangrijke status hebben. Ook goed opgeleide en minder oppervlakkig ingestelde maatschappelijke groeperingen zijn er in geïnteresseerd en veel Litouwers zijn nationalistisch en nostalgisch. Anders dan in Estland en Letland zijn in de Litouwse cultuur Poolse elementen terug te vinden. Litouwen deelt met beide andere Baltische staten en Finland echter een voorliefde voor koorzang. Om de 4 jaar speelt zich in de maand juli het Litouwse wereldzangfestival af. Hier doen honderden koren en volksdansgroepen aan mee en veel daarvan treden op door het hele land. Ook de Litouwse folkmuziek leeft sterk. Hierin spelen werkliederen bijv. een rol. Ze werden onder meer gezongen bij boerenwerk. Ook bestaan er traditionele klaagzangen (raudas) voor begrafenissen en speciale liederen voor feestdagen. De sutartinés, liederen uit het noorden van het land, hebben kenmerkende en complexe ritmes en vormen van samenzang. Andere, vaak meer eigentijdse, liedteksten gaan over leven, liefde, gezin, oorlog of emigratie en er zijn ook protestsongs. Traditioneel zingen de vrouwen en doen de mannen de instrumentele begeleiding. Enkele folkloristische Litouwse instrumenten zijn de daudyté ((een lange houten trompet), de kanklés (een snaarinstrument) de scrabalai (houten belletjes) en de skuduèiai (een houten panfluit). Algirdas Martinaitis, een hedendaagse Litouwse componist, combineert traditionele religieuze liederen met Litouwse volksmuziek. In de Sovjet periode kwamen met name klassieke muziek, opera en ballet tot bloei. Litouwen heeft 5 symfonieorkesten, vele muziekensembles en talrijke internationale klassieke muziek, theater, film en poëziefestivals die druk worden bezocht. Ook de moderne muziek floreert in het land. Vyacheslav Ganelin is een internationaal bekende jazzpianist en in de studentenstad Kaunas is ieder jaar in april een internationaal jazzfestival.
Literatuur, dichtkunst en beeldende kunst
De eerste boeken in het Litouws waren religieuze teksten die verschenen in de 16e eeuw. In de 18e eeuw schreef een geestelijke met de naam Kristijonas Donelaitis "de seizoenen"; een episch gedicht over het dagelijks leven van Litouwse boeren. Tijdens het Tsaristische bewind gedurende de 19e eeuw hield Simonas Daukantas de Litouwse taal levend door het samenstellen van woordenboeken en het op schrift vastleggen van volksverhalen en traditionele Litouwse gebruiken en rituelen (dit laatste in een werk dat "de aard van oude Litouwers" heet). Mikalojas Konstantinas Ciurlionis (1875-1911), was wellicht de meest veelzijdige en begaafde Litouwse kunstenaar aller tijden. Hij schilderde, tekende, dichtte en componeerde in zijn korte leven de prachtigste dingen. Tussen de beide wereldoorlogen maakte de Litouwse literatuur een opleving door. Jonas Maèiulis schreef toen onder het pseudoniem Maironis gedichten over landschap en geschiedenis. Bekende frescoschilders zijn Antanas Kmieliauskas en Petras Rypses. Voor de universiteit van Vilnius beeldden zij op fresco's nationale items af. Een bekende hedendaagse illustrator van kinderboeken is Kestutis Kasparaviècius. Ook weven en houtsnijwerk zijn belangrijke nationale kunstvormen. Het laatste komt vooral tot uiting op gegraveerde houten kruisen die overal staan. Er zijn er duizenden van gemaakt en in de Sovjet periode golden ze als een stil protest tegen de onderdrukking van de nationale identiteit.
Cultuurbeleid en cultuurdeelname
Litouwen kent sinds 1994 een afzonderlijk ministerie van cultuur. Belangrijke aandachtsgebieden in het beleid zijn liberalisering, decentralisatie, cultureel erfgoed, etnische culturen en internationale samenwerking, onder meer met de beide andere Baltische staten en de Russische enclave rond Kaliningrad. In 2003 werd 2,7% van het overheidsbudget en 0,6% van het BBP uitgegeven aan cultuur. In dat jaar ging de helft van het budget naar cultureel erfgoed (bibliotheken 27%), 13% ging naar muziek en theater en een kwart naar sociaal culturele zaken. Slechts 3,5% was voor de media. Gemeenten gaven 43% van het cultuurbudget uit en de landsoverheid de rest. Het overheidsaandeel van het budget is sinds 2000 gegroeid van 53 naar 57%. De omvang van de audiovisuele markt is moeilijk grijpbaar omdat ze sterk wordt bepaald door illegale producties. Dit wordt gezien als één van de belangrijke oorzaken van een dalend bezoek aan bioscopen (van 2,1 miljoen in 2000 naar 1,6 miljoen in 2003), concerten (van 206.000 naar 121.000) en bibliotheken (van 1,67 miljoen naar 840.000). Het museumbezoek nam in dezelfde periode echter toe van 2,15 naar 2,4 miljoen. In 2003 bezochten 560.000 mensen een voorstelling bij een door de overheid gesubsidieerd muziek of dramatheater. In 2002 telden de 11 landelijke organisatie van beroepsartiesten 6000 leden en via de 882 cultuurcentra in de steden en op het platteland waren in 2003 ruim 57.000 amateurs actief betrokken bij bijv volkstoneel of koorzang (-3% t.o.v. 2001).
|