Godsdienstige samenstelling
Bij de volkstelling van 2001 liet 79% van de Litouwers zich registeren als Rooms, 4% als Russisch orthodox, 1% als oud katholiek, 1% als luthers of evangelisch protestant en 9% als niet godsdienstig. De rest (6%) had een ander geloof of een onbekende gezindte. In 2004 bezocht 29% (5 na laagste Roomse EU landen) minstens eens per maand een eredienst.
Godsdienst vroeger
De oorspronkelijke godsdienst van Litouwen kende een pantheon dat parallellen vertoonde met dat van veel oude Europese godsdiensten. De goden waren onderdeel van een pantheïstische natuurreligie. Men kende heilige bomen, stromen en grotten en ook natuurverschijnselen werden als goddelijk gezien. Omdat men in een hiernamaals geloofde kreeg de overledene eten, drinken en huishoudbenodigdheden mee in het graf en bij leiders en krijgers werd soms hun paard mee begraven. Het Litouwse voorchristelijke pantheon kende ondermeer een oppergod (Dievas), een god van donder en rechtvaardigheid (Perkunas), een god van list en bedrog (Velnias), een god van de onderwereld (Pekuolis), een god van de zee (Bagputy), een godin van het vuur (Gabija), een oogstgodin (Zemyna) en een godin van de liefde (Milda). Veel Litouwse vrouwen zijn naar de laatste godin vernoemd. Na 1386 werd Litouwen als laatste Europese land gekerstend. Leider Jogaila was toen bereid om missionarissen in zijn land toe te laten omdat daar tegenover stond dat hij met prinses Jadwiga kon trouwen en Polen aan zijn rijk kon toevoegen. Sindsdien is het land rooms gebleven. Toch bleef de voorchristelijke religie sluimerend voorbestaan met nu en dan een opleving. Kort na 2000 beleden nog ruim 1200 Litouwers de oorspronkelijke natuurreligie. In de 16e eeuw werd het Lutheranisme aanvankelijk positief ontvangen, maar mede door de Contrareformatiebeweging vanuit de Roomse kerk sloeg het niet echt aan. Hetzelfde gold m.b.t. het Russisch-orthodoxisme dat na de Russische bezetting van 1795 zijn intrede deed. Tot op de huidige dag blijft de aanhang van deze richting beperkt tot het gedeelte van de bevolking dat wortels heeft in (Wit)rusland of de Oekraïne. Litouwen kende voor de 2e wereldoorlog een Joodse gemeenschap van meer dan 300.000 zielen. Ruim 90% daarvan werd echter omgebracht door Duitse bezetters en Litouwse collaborateurs.
De Sovjetperiode
Tijdens de Sovjet overheersing werd het atheïsme de officiële godsdienst. Eenderde van de priesters werd afgevoerd, kloosters werden gesloten en kloosterlingen naar huis gestuurd. Kerken werden afgebroken of omgebouwd tot warenhuis, kunstgalerie of sporthal en van de St. Casimirkerk in Vilnius werd een museum voor atheïsme gemaakt. Dergelijke kortzichtige en ondemocratische gebaren werkten echter averechts. Ze droegen er toe bij dat het nationale bewustzijn van de Litouwer gekoppeld raakte aan het Roomse geloof. Zo werd de reeds bestaande heuvel der kruisen bij het noordelijke plaatsje Šauliai een symbool van nationaal protest. Ter ere van degenen die hun opstand tegen de Tsaren met de dood moesten bekopen waren hier vanaf 1830 kruisen geplaatst en deze activiteit nam in de 50er jaren van de 20e eeuw in omvang toe ter nagedachtenis van door de Sovjets gedeporteerden. Pogingen van de Sovjets in de 60er jaren om dit tij te keren door de heuvel met bulldozers te bewerken hadden het omgekeerde effect. Sindsdien zijn er duizenden kruisen bijgekomen en in 1993 voegde paus Johannes Paulus II hier bij een bezoek een eigen exemplaar aan toe.
Hedendaagse godsdienstige samenstelling
Bij de volkstelling van 2001 vulde 79% van de Litouwers bij godsdienst rooms in. Rond 1 op de 3 van hen ging minstens eens per maand naar de mis. De roomse kerk telde ruim 700 parochies. Op een bevolking van 3,4 miljoen waren er verder 140.000 Russisch orthodoxen (50 gemeenschappen), 27.000 oud katholieken (57 gemeenten), 20.000 Lutheranen, verdeeld over 54 gemeenten (vooral in het zuidwesten) en 7000 evangelisch protestanten. Uit Amerika overgekomen evangelische groeperingen proberen met minder succes dan in Letland een voet tussen de deur te krijgen. De grootste niet christelijke gemeenschappen waren de soennitische moslims (2700 gelovigen, verdeeld over 5 moskeeën) en de joden (1200 gelovigen, verdeeld over 7 synagogen). Ruim tweederde van de in het land woonachtige joden ging niet naar de synagoge. Zo'n 1200 Litouwers beleden de oorspronkelijke Litouwse natuurreligie. Inhoudelijk geloofde in 1999 de helft van de bevolking (EU25: 40%) in god en een kwart (Eu25: 35%) in een hoger macht. Rond 18% van de Litouwers was van mening dat men geen uitspraken kan doen over het bestaan van spirituele zaken en over leven na de dood (agnost) en 7% was overtuigd atheïst (spiritualiteit is onzin en na de dood is er niets). Onder beide laatste groepen waren velen echter formeel nog Rooms. Het gedeelte Litouwers dat vond dat de plaats van religie in de samenleving te hoog belangrijk werd ingeschat lag in 2006 op 41% (Eu 46%, Cyprus hoogste EU met 81%).
Godsdienstvrijheid
Vrijheid van godsdienst en de scheiding van kerk en staat zijn in de grondwet opgenomen. Toch heeft de roomse kerk in de praktijk invloed op erkenningprocedures voor geloofsgemeenschappen. Voorwaarden voor godsdienstvrijheid zijn dat men niet tegen de openbare orde, de goede zeden of de grondwet zondigt en anderen niet in hun fundamentele vrijheden belemmert. In 2000 is een commissie ingesteld om hierop toe te zien en in 2003 werden gedwongen bekeringen strafbaar gesteld. De overheid behoudt zich het recht voor om in uitzonderlijke omstandigheden de godsdienstvrijheid te beperken. De wet maakt onderscheid tussen traditionele religies die minstens 25 jaar geregistreerd stonden (9 in getal, waaronder joden en moslims) en erkende, geregistreerde en ongeregistreerde geloofsgemeenschappen. Niet traditionele groeperingen moeten zich meer verantwoorden en ongeregistreerde gemeenschappen krijgen geen subsidie, hebben geen belastingvoordelen, mogen geen godsdienstles geven op openbare scholen, kunnen geen uitstel of vrijstelling krijgen van militaire dienst en hebben geen overheidspastoraten en van staatswege erkende huwelijken. Geloofsgemeenschappen moeten bij het parlement solliciteren naar een hogere status. Deelname aan godsdienstles is in het openbaar onderwijs niet verplicht en kan vervangen worden door lessen in ethiek of andere levensvisies. In 2005 kregen 277.000 leerlingen roomse godsdienstles, gevolgd door een groep van 4200 met orthodoxe godsdienstles en 800 met Lutherse godsdienstles. Een opmerkelijk groot aantal leerlingen (232,000) had gekozen voor ethieklessen. Na de hernieuwde zelfstandigheid in 1990 ging de teruggave van godshuizen aan roomse gemeenschappen steeds erg soepel maar bij joodse en protestante gemeenschappen niet altijd. In 2003 en 2004 kwamen er meer klachten over antisemitische incidenten en dito publicaties in de media en op het internet en over de slagvaardigheid van de overheid in het treffen van tegenmaatregelen. In 2005 werd een ombudsman ingesteld om dergelijke klachten te onderzoeken.
|