Onderwijsniveau en talen
Formeel is 99.6% van de Litouwers boven de 14 geletterd. Leerplichtig geldt t/m 16 jaar. Leerplichtige periode: 9 jaar. Hoogste opleidingsniveau (volkstelling 2001): 5% onbekend, 21% basisschool, 15% verplicht vervolgonderwijs, 27% secundair vervolgonderwijs, 19% HBO, 13% universitair. In 2005 had 88% van de bevolking tussen 25 en 65 jaar (hoogste EU na Tsjechië; EU25 67%) een secundair vervolgonderwijs of hoger onderwijsdiploma op zak. Het aandeel voortijdige schoolverlaters (18-25 jarigen zonder diploma) lag in 2006 op 10% (EU 15%). In 2001 was de voertaal (het Litouws) de moedertaal van 83% van de bevolking. Voor 7% was de moedertaal Pools en voor 6% Russisch. In 2003 beschikte 37% van de Litouwers (voormalige Oostbloklanden in de EU 27%) naar eigen oordeel over Engelse leesvaardigheid. Het aandeel van de jongere generaties hierin is groter dan dat van de oudere generaties. Veel ouderen spreken echter wel Russisch of wat Duits.
Onderwijs voor 1990
De eerste klooster en parochiescholen in Litouwen werden eind 14e eeuw gesticht; in de 16e eeuw was er voor het eerst sprake van een compleet onderwijsstelsel en de eerste Litouwse universiteit, die van Vilnius, werd in 1579 opgericht door paters Jezuïeten. In 1737 kwam er leerplicht voor kinderen van 7 tot 14. In deze periode bestond er onderwijs in het Litouws, Pools en Duits. Na 1795 werd, als reactie op opstanden tegen het Tsaristische bewind, de nationale identiteit meer dan een eeuw lang onderdrukt en Litouwse scholen gingen ondergronds. In 1923, kort nadat Litouwen zelfstandig was geworden, was 23% van de bevolking analfabeet. Er kwamen volksuniversiteiten op het platteland om de boeren te alfabetiseren en in 1930 was er weer een compleet functionerend Litouws onderwijssysteem. Vanaf 1940 kreeg het land echter het Sovjetsysteem opgedrongen dat werkte vanuit de Marxistisch-leninistische ideologie. De scholen werden losgemaakt van de kerk en het onderwijs werd genationaliseerd. Er kwam een 10 tot 11 jarige leerplicht (ingaand in het jaar waarin het kind 7 werd) met kostscholen en schooluniformen (die men nu nog wel ziet). De leerboeken werden uit het Russisch vertaald en er was gratis voor en naschoolse opvang vanwege de rol van werkende moeder die de vrouw van staatswege werd toebedeeld. Tijdens de Sovjet periode volgden veel plattelandskinderen na hun leerplicht geen onderwijs meer door gebrek aan voorzieningen.
Onderwijsstelsel na 1990
Na de herwonnen zelfstandigheid kwam er in 1991 een nieuwe onderwijswet. Hierin kwamen eigen verantwoordelijkheid, vrije ontplooiing en meningsuiting en gelijke kansen als nieuwe missie uit de bus en er werd vrijheid van onderwijs qua etniciteit, levensbeschouwing of methode ingevoerd. Naast Litouwstalige bestaan in het land Russisch (6%) en Poolstalige scholen (4%) en men kan kiezen voor alternatieve leerplannen als Montessori, Waldorf of Suzuki. Daarnaast zijn er voorzieningen voor voortijdige schoolverlaters, speciaal onderwijs voor geestelijk en zintuiglijk gehandicapten en aanvullend onderwijs voor achterstandsleerlingen. Ongeveer 1 op de 10 leerlingen neemt er aan deel en vooral de laatste vorm van onderwijs worden vaak gegeven aan gewone scholen. Ook kent men kostscholen voor crimineeltjes en kinderen die veel spijbelen of thuis moeilijk te handhaven zijn. In 1998 had 14% van de bevolking van 15 jaar en ouder minimaal HBO niveau (11% universitair) en 66% had een (vaak gespecialiseerde) technische opleiding op MBO niveau. In 1999 was de gemiddelde opleidingsperiode 13½ jaar en in 2003 kende men onder 25 tot 65 jarigen het hoogste aandeel binnen Europa met minimaal secundair vervolgonderwijs (86%, EU25 66%). Afhankelijk van de leeftijd lag het gedeelte HBO en universitair afgestudeerden rond of boven de 40%. In dat jaar gaven huishoudens en overheid samen 5,2% van het BBP uit aan onderwijs (EU gemiddelde); bijna een % minder dan in 1999. Het aandeel van huishoudens hierin bedroeg 0,5% (EU 0,6%). Onderwijs aan leerplichtige kinderen wordt voornamelijk gegeven aan openbare gemeentescholen. Ouders moeten de schoolboeken betalen, maar voor kinderen uit arme gezinnen bestaan gratis schoolmaaltijden en compensaties voor kosten van leermiddelen. Het hoger onderwijs kent een beurzenstelsel voor begaafde studenten. De rest studeert voornamelijk op eigen kosten. In 2003 volgden rond 7000 studenten hoger onderwijs aan een privé-instelling. Privé-onderwijs wordt gefinancierd door de stichters, maar krijgt ook overheidssteun. Leerkrachten worden in Litouwen slecht betaald. Wel hebben ze tamelijk veel vrijheid bij het invullen van het leerplan. Leerplichtige leerlingen krijgen op 5 dagen in de week les. In de eerste 8 jaar hebben ze 13 weken zomervakantie (van begin juni tot begin september). Verder kent men in het land een herfst en een voorjaarsvakantie van een week, een kerstvakantie van 2 weken en 4 nationale feestdagen.
Kleuter en basisonderwijs
Voor publieke opvang en onderwijs voor kinderen van 1 tot 7 jaar wordt in Litouwen een ouderbijdrage gevraagd. In 2002 maakte iets minder dan de helft van de leeftijdsgroep (62% in de steden, 14% op het platteland) er gebruik van, maar in 2004 ging 54% van de 4jarigen naar opvang of school (EU 86%). Sinds 2000 bestaat de kleuterschool voor kinderen van 5 en 6. In kleuter en basisonderwijs kent men vaste leerkrachten en de groepen zijn (evenals veel scholen) klein, vooral op het platteland.
|
Traditioneel nemen de kleuters op hun 1e schooldag aan het begin van september een boeket bloemen mee voor de juf.
|
Het basisonderwijs is opgedeeld in 2 fasen. De eerste fase van 4 jaar is bestemd voor de kinderen tussen 7 en 11. Er worden nog geen cijfers gegeven. Wekelijks zijn er minimaal 22 lessen van 3 kwartier (in het 1e jaar 35 minuten). De 2e fase (in feite het 1e stadium van het vervolgonderwijs) heet in Litouwen de basisschool. Ze is opgebouwd uit een 4 jarig blok (groep 5 t/m 8) gevolgd door een blok van 2 jaar.
Vervolgonderwijs onder de leerplicht
In het vervolgonderwijs kent men een beoordelingsschaal van 1 (laagst) tot 10. De leerlingen moeten nu minimaal 2 vreemde talen kiezen. In het schooljaar 2003/2004 was Engels voor 90% van hen de eerste keus. Het aantal lesuren loopt geleidelijk op naar 32 per week omdat er steeds meer vakken bijkomen. Naast de verplichte uren kent men 4 of 5 vrijwillige lesuren in sport of een creatief vak. In 2003 nam 69% van de leerlingen hieraan deel. Binnen de basisschool bestaat een VWO variant (het gymnasium), die een paar jaar langer doorgaat. Het basisonderwijs wordt afgesloten met een schooladvies voor vervolgonderwijs. Rond 1995 nam het aantal leerlingen dat er na hun 15e de brui aan gaf toe. Velen namen een baantje, want door het hoge gemiddelde opleidingsniveau bood vervolgonderwijs voor kinderen zonder studiehoofd geen extra perspectieven. De meesten van hen werden echter al snel werkloos en door de slechte werkgelegenheid kwamen ze alsnog in een uitzichtloze situatie terecht. Voor deze groep zijn avondscholen, jeugdscholen voor schoolverlaters van 12 tot 16 en eenvoudige vakopleidingen van 2 tot 3 jaar in het leven geroepen.
Secundair vervolgonderwijs
In 2003 ging na de leerplichtfase 94% van de leerlingen tussen hun 16e en hun 19e door met secundair vervolgonderwijs. Ze konden kiezen tussen de gymnasiumbovenbouw en 2 of 3 jaar beroepsonderwijs. Voor het eerste koos ruim 60% van de leerlingen (het vaakst meisjes) en voor het 2e bijna 40% (vaker jongens). Het gymnasium kent 4 richtingen; talen en sociale wetenschappen; natuurwetenschap, techniek en economie en een kunstzinnige richting. In het beroepsonderwijs bestaan technische, landbouw en handelsopleidingen met uiteraard specialisaties. Hier kent men tussentijdse examens op modules. In het vervolgonderwijs voldoet men sinds 2004 qua computerdichtheid (1 op 6 leerlingen) aan de Europese standaard. Het kent jaarlijkse eindrapporten en wordt afgesloten met een eindexamen (Matura) in het Litouws en in 3 keuzevakken. Er is een schoolexamen (beoordeling 1 tot 10) en een staatsexamen (beoordelingsschaal tot 100). Het einddiploma van het secundaire onderwijs geeft in principe toegang tot het tertiaire onderwijs.
Hoger en volwassenenonderwijs
Tertiair onderwijs kan in de vorm van een 1 of 2 jarige vakopleiding bij een centrum voor vaktraining en aan een hoger onderwijsinstelling. Daar is echter veel competitie om plaatsen. Gegadigden met hoge cijfers hebben 50% kans op een studiebeurs van de staat. Voor het overige hangt plaatsing vaak af van cijfers op bepaalde vakken of van toelatingsexamens. In 2002 stroomde 52% van de geslaagden door naar de universiteit en 27% naar het (vak) HBO (Kolegija). In 2005 telde Litouwen 21 universitaire instellingen waarvan 6 particuliere (met minder dan 5^% van de studenten) en 28 HBO instellingen (waarvan 12 particuliere met zo'n 25% van de studenten). Aan de universitaire instellingen worden de mijlpalen in het studieprogramma behaald na 3- (Bachelor) en 5 jaar (Master). Om te promoveren tot de graad van Doctor moet men daarna nog 3 tot 4 jaar onderzoekswerk verrichten. Het kunstonderwijs kent een eigen 2 jarige variant. Universiteiten; privé-instellingen, bedrijfsopleidingen en gewone scholen verzorgen volwasseneneducatie (veel talencursussen). In 2006 nam 6% van de 25-65 jarigen deel aan een vorm van onderwijs (EU: 9,7%).
| Types dagonderwijs |
Instellingen |
Leerlingen / studenten 2005 |
Docenten plaatsen FTE |
Groeps grootte |
| Crèches/peutergroepen |
686 |
89.000 |
900 |
16 |
| Kleuterscholen 5/6j |
146 |
12.000 |
959 |
13 |
| Basisschool |
681 |
150.000 |
2954 |
15 |
| Lager secundair |
645 |
307.000 |
1250 |
20 |
| Secundair vv onderwijs |
574 |
117.000 |
2500 |
20 |
| postsecundair |
|
10.000 |
|
20 |
| Hoger onderwijs |
49 |
196.000 |
15.000 |
- |
| Totaal |
|
873.000 |
|
- |
Onderwijsdeelname 2005 (instellingen, docenten en groepsgrootte 2003)
|