Home arrow Litouwen arrow Bevolking arrow Economie, infrastructuur, arbeid en sociale zekerheid
Economie, infrastructuur, arbeid en sociale zekerheid
 

Bestaansmiddelen en infrastructuur

Beroepsbevolking binnen de 3 economische hoofdsectoren in 2005 volgens Eurostat (het statistisch bureau van de Eu): diensten 57% (EU25 68%), industrie en bouw 29% (EU28%); landbouw, bosbouw en visserij 14% (EU 5%). Geregistreerde werkloosheid over 2006: 6,9% (EU 7,8%). Belangrijke indu­strie (bron: CIA worldfactbook): metaalsnijdend ge­reedschap, elektromotoren; televisies, koel en vrieskasten, olieraffinaderij, jachtenbouw, meubels, textiel, voedingsmiddelen, kunstmest, landbouwmachines, optische in­strumenten, elektronische onderdelen, computers, bewerking van amber. Belangrijkste landbouw­producten (CIA): granen, aardappelen, suikerbieten, vlas, groente, rundvlees, melk, eieren, vis. Grootste invoer 2005 (+26% ten opzichte van 2004; totale waarde €12,5 miljard): machines, apparaten en transportuitrusting 19%, brandstoffen 18%, motorvoertuigen 16%, chemicaliën 9,5%; textiel en textielproducten 9%, basismetalen en producten 6,5%, voeding en genotsmiddelen 6% (bron EVD). Grootste invoerpartners in 2005: Rusland 28%, Duitsland 15%, Polen 8%, Letland 4%. Voornaamste uitvoer 2005 (+27%; totale waarde: €9,5 miljard): olie en gasproducten 20% (veel doorvoer naar Rusland), textiel en textielproducten 14%; machines en onderdelen 12%, motorvoertuigen en transportmiddelen 12%; chemicaliën 9,5%. Groot­ste uitvoerpartners in 2005: Rusland 10,5%; Letland 10%, Duitsland 9,5%, Frank­rijk 7%, Estland 6%, Polen 5,5%, Zwe­den 5%, VS 5%, VK 4,5%, Denemarken 4,5%. Infrastructuur 2005 (CIA): 1771 km spoorweg (122 km geëlektrificeerd); 79.472 km landweg (417 km snelweg, 8948 km onverhard) en 425 km bevaarbare waterweg. Van de handel met de EU gaat 84% over de weg. De zeehaven van Klaipèda handelt 20% van de vracht van de havens van de Baltische staten af. Mobiele tele­foondichtheid 2005: 120% (CIA); In­ternetdichtheid huishoudens in 2006 (Eurostat): 35% (EU 51%), bedrijven met 9 of meer personeelsleden in 2004: 81%, EU  89%.

 

Economische ontwikkelingen na 1990

Nadat Litouwen in 1990 zelfstandig werd zat het land opgescheept met een verouderde en inefficiënte industrie en met dito kolchozen (collectieve staatsboerderijen). Tot de Sovjet erfenis behoorden enkele enorme industriële complexen met voldoende capaciteit om misschien wel de hele Sovjet-Unie te voorzien zoals de olieraffinaderij van Mazaikiai, de chemische fabriek Azotas in Jonova en de kerncentrale van Ignalina die de grootste ter wereld werd. Voor het overige was de industrie onderontwikkeld. In 1993 be­droeg de inflatie bijna 200%. In 1995 kwam er een grote fraudezaak bij de nationale bank aan het licht waar toppolitici bij waren betrokken. De inflatie was toen 35% en het gemiddelde maandinkomen €150. Daarna was het ergste voorbij. In 1997 was de landbouw geprivatiseerd en in 1998 was de inflatie gezakt tot ruim 2%. Door gunstige faciliteiten namen tussen 1996 en 2002 de buitenlandse investeringen toe tot 6 keer de investeringen in Estland en Letland samen. In 1999 beleefde de economie nog een dipje door de recessie in Rusland, maar nadien volgde een duidelijk crescendo. Het BBP groeide t/m 2004 jaarlijks met gemiddeld 7%. Aangezien de groei over dezelfde periode in de EU15 hooguit enkele procenten bedroeg was men duidelijk met een inhaalrace bezig. De grootste economische groei zat in indu­strie en bouw, maar ook de ICT maakt een snelle ontwikkeling door (tussen 2003 en 2005 groeide het aandeel huishoudens met internetaansluiting van 6 naar 35%). Van 1999 t/m 2004 zijn de exportwaarde en de buitenlandse investeringen ruim verdubbeld en de waarde van geïmporteerde goederen en diensten ging met zo'n 90% omhoog. De handelsbalans werd daardoor wat minder negatief. Denemarken (16%), Zweden (15%) en Duitsland (10%) waren in 2004 de grootste investeerders; Nederland (3,3%) steeg naar de 9e plek. Litouwen is een doorvoerland naar (Wit)Rusland en de Baltische staten en men heeft belangrijke pijpleidingen (die niet allemaal legaal zijn).

 

In Litouwen bestaat een aanzienlijke infor­mele economie. In 2003 lag het geschatte aandeel zwart werk op 15 à 20% van het BBP; het hoogste van de EU25 na Griekenland en Letland. Ook wodkapijpleidingen met Wit-Rusland droegen bijv bij aan het zwarte circuit. In 2004 werd er nog minstens één zo'n leiding opgerold.

 

Huidige situatie

In 2005 was 85% van de voormalige staatsbedrijven via verkoop geprivatiseerd. In dat jaar waren de buitenlandse investeringen in Litouwen (€650 miljoen) 10% hoger dan in 2004. Ruim eenderde ervan ging naar de productiesector, 17% naar de handel en in zowel tele­communicatie als financiële dienstverlening werd ruim 15% van het geld gestoken. Bij de grootste investeerders Denemarken, Zweden en Duitsland hadden zich Estland en Rusland gevoegd. In 2005 lag de economische groei op 7,6% (EU 1,7%) en de inflatie op 2,7% (EU 2,2%). Het BBP per hoofd (met vereffening van prijsverschillen) nam tussen 1997 en 2005 toe van 37 naar 52% van het EU gemiddelde Het begrotingstekort lag met 0,5% van het BBP (EU 2,3%) onder de Maastrichtnorm van 3% en de overheidsschuld bedroeg 19% van het BBP (EU 63%). De waarde van de nationale munteenheid Litas (LTL) ligt sinds 2004 vast op € 0,29 (1€ = LTL 3,45). Het consumentenvertrouwen in de economie is hoog naar EU maat­staven. Tussen 1995 en 2005 lag het 14% boven het EU24 gemiddelde (2e EU met uitzonde­ring van Malta waar het niet was gemeten). Tussen 1995 en 2004 steeg de arbeidsproducti­viteit per gewerkt uur (gelijkgetrokken voor prijsverschillen) van 30 naar 43% van het EU gemiddelde en in 2005 groeide de werkgelegenheid met 2,6% (EU 0,8%). Litouwen kent de snelste daling van de geregistreerde werkloosheid binnen de EU (van 16,5% in 2001 naar gemiddeld 6.9% in 2006). Wel blijft er veel verborgen werkloosheid; mede doordat de uitke­ringen laag zijn.

 

Eind 2006 miste Litouwen op een haar na de invoering ven de Euro per 1/1-2007. Net als bij Slovenië waren de staatsschuld en het begrotingstekort laag genoeg en de wisselkoers van de Litas was stabiel, maar met 2,7% lag de inflatie net 0,1% boven de uitgangswaarde.

 

Litouwen en Nederland

De handel met Nederland is tussen 2002 en 2005 flink toegenomen. In 2005 werd voor €212 miljoen uitgevoerd naar Nederland (minerale brandstoffen 21%, voedsel en levende dieren 20%; voor meer dan de helft kaas en room; niet eetbare grondstoffen 20%, verder veel kleding) en voor €361 miljoen ingevoerd vanuit Nederland (machines en transportmiddelen 40%; landbouwproducten 24%, chemische producten 18%; veel grondstoffen voor de confectie-industrie). Omdat de productiekosten laag zijn in Litouwen en de kwaliteit van de industrie hoog is wordt door de EVD het verplaatsen van arbeidsintensieve productieonderdelen naar Litouwse bedrijven gezien als een kansrijke ingreep. Nederland investeert in Litouwen veel in elektronica, telecom, chemische industrie (ondermeer de Biotechnafabriek in Vilnius) en bouwprojecten. De EVD ziet (in overleg met de Nederlandse ambassade in Litouwen) de ICT, vervoer en logistiek, voedingsmiddelen, metaal en textiel als kansrijke sectoren voor de Nederlandse ondernemer.

 

In 2004 importeerde Nederland dames en kinderkleding, mineralen, chemicaliën en zuivelpro­ducten (kaas en room) uit Litouwen. Men voerde machines en transportmiddelen; garens en weefsels uit naar het land. De garens en weefsels worden er tot kleding verwerkt die vervol­gens weer terugkwam. In 2005 lag het gemiddelde uurloon in Litouwen op € 2,85 en het mini­mumuurloon op € 0,85. Sinds op 1/1-05 de wereldhandel in textiel werd vrijgegeven onder­vindt ook Litouwen echter meer concurrentie van China.

 

Economische sectoren

In 2005 leverden landbouw, bosbouw en visserij 6% van het BNP op terwijl ze 14% van de werkge­legenheid dekten. Dit wijst er op dat de sector inefficiënt werkte. Investeren is in Litouwen echter goedkoop en men streeft ernaar volgens Europese richtlijnen te werken zodat men de producten in de EU kwijt kan. Ook doordat het aandeel grotere bedrijven groeit wordt de productie efficiënter en de concurrentiepositie beter. In 2005 steeg de export van zuivelproducten (voor 40% kaas) met 10%. In 2005 produceerden indu­strie, bouw en mijnbouw 33% van het BBP en 29% van de werkgelegenheid. De voedingsmiddelenindustrie (slachthuizen, vleesverwerking, kaas) is verantwoordelijk voor eenderde van de industrieproductie. Naast de bouw (20% groei in 2005; 40% nieuwbouw, 65% renovatie en reparatie) floreren de chemische industrie (6% industrieproductie), de olieraffinage (raffinaderij van Mazeikiai: 25% industrieproductie), textielindustrie (8% BBP, grootste industriële werkgever), metaalbewerking (6% BBP en groeiend) en de meubel en elektronica-industrie. Belangrijke chemische producten zijn kunstmest, rubber en huishoudchemicaliën (vaak van Azotas) en groeihormonen en geneesmiddelen tegen kanker van de nieuwe biotechna fabriek in Vilnius. In 2005 droeg de dienstensector 62% bij aan het BBP en 57% aan de banen. De kleinhandelverkoop ging in 2005 met 14,5% omhoog (bouwmateriaal en huishoudelijke apparatuur +34%; textiel, kleding en schoeisel +25%, horeca +15%). In Litouwen vestigen zich steeds meer grote buitenlandse winkelketens. De ICTmarkt (60% telecom, 30% informatietechnologie) groeide in 2005 met 12% en ze bracht 7% van het BBP op. Voor Litouwen is als doorvoerland de transportsector ook belangrijk voor de economie. Men wil geld steken in het goederenvervoer per spoor. Doordat de Litouwers steeds meer te besteden krijgen groeit ook het bankwezen flink. In Litouwen zijn nog maar weinig buitenlandse en nog geen Nederlandse bankvestigingen.

 

Arbeidsmarkt en beroepssectoren

In 2005 had van de Litouwse be­volking boven 15 jaar 52% een baan, 5% was werkloos en 43% was inactief (scholier of student, huisvrouw, met pensioen, afgekeurd, rentenier). In Litouwen zijn naar EU25 maatstaven weinig zelfstandigen (9 om 16% in 2005). In 2005 was 68,5% van de 2,3 miljoen Litouwers tussen 15 en 65 (EU 70%) actief op de arbeidsmarkt; 63% (EU 64%) had een baan (66% van de mannen; 59% van de vrouwen), 4% (mannen 3%, vrouwen 5%; EU m 5, v 18%) werkte in deeltijd en 5,5% (EU 14,5%) had een kortdurend contract (stagiaires, uitzendbureaus). Het aandeel werknemers boven de 55 jaar (49%, EU 42%) lag vrijwel op het EU streefdoel van 50%. De geregistreerde werkloosheid zakte in de loop van 2006 van 6,2 naar 5,7% en daarmee bewoog men tamelijk ver onder het EU gemiddelde (rond 8%). In 2005 zat 52,5% (EU 45%) van de werklozen meer dan een jaar zonder werk, maar sinds 1998 is de langdurige werkloosheid met 45% gezakt. In 2005 stond 3,9% van de 15 tot 25 jarigen ingeschreven als werkloos (EU 8,4%). De geregistreerde werkloosheid loopt sterk uiteen van regionaal 15% in het zuiden tot onder 4% in Vilnius en Kaunas. In het land wordt veel zwart gewerkt. De omvang van het zwarte circuit wordt landelijk geschat op 20% van het BBP. De gemiddelde leeftijd waarop men stopt met werken lag in 2005 op 60 jaar (EU 60,9 jaar). Bij voltijdbanen werkte men gemiddeld 39,4 uur (EU 40 uur) en bij deeltijdbanen 20,4 uur p/w (EU 20 uur). Net als in de meeste nieuwe Eu landen is het contingent goed geschoolde vakmensen in Litouwen hoog naar EU maatstaven (39 om 27% in 2005; hoogste na Polen). Simpele handwerkbaantjes komen echter ook relatief veel voor (11 om 10%). Hierdoor zijn er naar verhouding weinig hooggeschoolde en laaggeschoolde hoofdwerkers (respectievelijk 34 om 38% en 16 om 25%). Deze scheve verdeling komt in Litouwen het sterkst op het conto van de mannen. In de dienstensector lag het aandeel van de commerciële dienstverleningsberoepen iets onder het EU gemiddelde (53 om 55% in 2005).

 

Arbeidsmoraal, arbeid en inkomensverhoudingen

De Litouwers voelen zich van de Baltische volken nog met meest verwant aan de Polen. Ze kunnen worden omschreven als energiek en zelfverzekerd, maar tegelijk sociaal en gemoedelijk (men stelt zich tamelijk onverstoorbaar op en men laat zich niet opjagen). Spanningen tussen werkgevers en werknemers en arm en rijk komen in Litouwen naar Eu maatstaven veel voor. Aan het gebruik van titels wordt veel waarde gehecht en bedrijven en instellingen zijn hiërarchische gestructureerd (lager en hoger geplaatsten waarbij alleen de leiding doorslaggevende beslissingen neemt). Ook houdt men meer van een concrete dan van een vage open opstelling. Lager geplaatsten willen het liefst duidelijke richtlijnen en opdrachten. Vakmanschap wordt gewaardeerd.

 

De lonen stijgen in Litouwen erg snel, maar men zat in 2006 met een modaal loon van rond €375 p/m nog in de onderste regionen van de Eu. Hetzelfde gold voor de gemiddelde arbeidskosten per uur (€3,56; EU €21,18; NL €27,41). Een modaal inkomen varieerde qua sector van €235 in de landbouw via ±€290 in bouw of horeca en €325 voor een productiemedewerker of vrachtwagenchauffeur naar €665 voor een boekhouder en €725 voor een financieel adviseur. Onder voortijdige schoolverlaters, gezinnen met gehandicapten en gepensioneerden komt de meeste armoede voor. Mede door de verdeling van de diverse beroepsgroepen bestaan in Litouwen duidelijk arme en rijke streken. De inkomens liggen in de hoofdstad Vilnius 20% hoger dan in de havenstad Klaipèda en daar liggen ze weer 20% hoger dan op het arme platteland. Het prijsniveau van huishoudelijke con­sumpties lag in 2005 op 54% van het EU gemiddelde (laagste EU; NL 105%). Begin 2006 lag het wettelijk minimumloon op €159 p/m (gelijkgetrokken voor prijsverschillen €292). In 2004 was het aandeel werknemers dat ervan rond moest komen (12%) het op 2 na hoogste binnen de 15 EU landen die een minimumloon kenden. De officiële inkomensverschillen zijn naar EU maatstaven echter gematigd. In 2003 verdienden de 20% best betaalden 4,5 keer zoveel als de slechts betaalde 20% (EU 4,6 keer zoveel). Toen moest 15% van de Litouwers (EU gemiddelde) rondkomen met minder dan 60% van modaal.

 

Arbeidsomstandigheden

Uit het onderzoek naar arbeidsomstandigheden van Eurofound in 2005 kwam ondermeer naar voren dat het deel van de banen waarbij direct contact met klanten ed. de toon aangeeft gemiddeld was naar EU25 maatstaven (63 om 64%), maar dat het werktempo naar verhouding niet vaak afhing van vragen van klanten etc (57 om 69%). Er waren relatief veel banen met teamwerk (65 om 55%), zodat het tempo naar verhouding dikwijls afhing van collega's (56 om 42%) of een directe superieur (45 om 36%). Banen waarbij men vaak taken moest onderbreken en moest omschakelen vanwege onvoorziene omstandigheden (25% om 33%) kwamen naar verhouding weinig voor, banen die gekenmerkt werden door het regelmatig oplossen van onvoorziene problemen waren er ook minder veel dan gemiddeld in de EU (69 om 82%) en numerieke productiedoelen bepaalden bij vrij weinig banen het werktempo (34 om 42%). Bij iets meer banen dan gemiddeld in de EU hing het tempo echter af van geautomatiseerde productie (22 om 19%) en banen waarbij men zelf de volgorde van taken kon bepalen waren wat ondervertegenwoordigd (57 om 64%). Wel konden velen zelf hun werktempo bepalen (83 om 69%). Banen met genoeg tijd om klussen te klaren kwamen ook relatief veel voor (78 om 69%) en er waren naar verhouding weinig banen met een erg hoog werktempo (49 om 60%) of met precieze kwaliteitseisen (59 om 75%). Relatief velen konden bij hun werk met succes hulp vragen van superieuren (62 om 56%) of een externe bron (45 om 32%). Men kon niet zo vaak zelf werkpartners kiezen (21 om 24%), taken roteren (35 om 43%), naar believen pauzemomenten inlassen (33 om 44%) of eigen ideeën toepassen (46 om 59%). Banen met een regelmatige formele prestatiebeoordeling kwamen veel voor naar Eu maatstaven (65 om 40%) en het deel van de werknemers dat vond dat ze voldoende werden betrokken bij veranderingen in de organisatie van het werk was het grootst binnen de EU (79 om 47%). Naar verhouding veel werkenden vonden dat ze bij hun baan meer training nodig hadden (22 om 13%) en het gedeelte dat voor het eigen gevoel onder niveau werkte was relatief klein (24 om 34%). De groep die in het jaar voor de vraagstelling bijgeschoold was op kosten van de baas lag echter ook onder het EU gemiddelde (23 om 27%).

 

De 5 daagse werkweek is in Litouwen tamelijk ingeburgerd (70 om 66%), maar het gemiddelde aantal werkuren lag er in het Eurofound onderzoek vrij hoog (41 om 38%). Banen met regelmatig werkdagen van meer dan 10 uur (20 om 16%) en banen met ploegendiensten (19 om 17%) kwamen tamelijk veel voor, maar het aandeel mensen met bijbaantjes was gemiddeld (ruim 6%). Banen met een minder flexibele tijdsindeling zijn er ook vrij veel(73 om 65%). Buiten de feestdagen hadden Litouwse werknemers in 2005 wettelijk recht op 28 betaalde vakan­tiedagen per jaar. 

 

Van de 24 fysiek en psychisch moeilijke werkomstandigheden die in 2005 in het Eurofound onderzoek de revue passeerden kwamen er 5 naar EU maatstaven minder vaak voor dan gemiddeld. Daarbij horen fysiek geweld (dreigen met fysiek geweld 4,7 om 6,1%, fysiek geweld van collega's 1 om 1,9% en fysiek geweld van anderen 2,7 om 4,4%); hitte 18 om 25% en tillen en slepen met mensen 5,9 om 8,1%. De meest in het oog springende bovenscores zaten bij trillingen 32 om 24%, herrie 40 om 30%, kou 31 om 21%, rook, poeder en stof 26 om 19%, kwalijke dampen 18 om 11, chemische substanties behandelen 20 om 14%, tabaksrook van anderen 28 om 20%, besmettelijk materiaal 13 om 9%, tillen met zware voorwerpen 42 om 35%, veel staan en lopen 80 om 73%, herhaalde hand/armbewegingen 69 om 62%, beschermende kleding 39 om 34%; pesten en lastig vallen 10 om 5% (hoogste EU25 na Finland en Nederland); ongewenste intimiteiten 2,8 om 1,8% en leeftijdsdiscriminatie (4,9 om 2,7%; hoogste EU25).

 

De groep die de voorlichting op het werk over gezondheid en veiligheidsrisico's voldoende achtte lag iets boven het Eu gemiddelde (86 om 83%), maar het aandeel Litouwers dat de bevinding deelde dat ze via hun werk hun gezondheid of veiligheid in de waagschaal stelden (43 om 28%) of dat vond dat hun werk de gezondheid negatief beïnvloedt (52 om 34%) lag daar verder boven. Men scoorde dan ook op alle 16 door Eurofound onderzochte werkgerelateerde gezondheidsklachten boven het Eu gemiddelde (vaak aanzienlijk). Toch lag het gedeelte van de Litouwers dat dacht dat ze de baan van nu wel tot het 60e zou kunnen volhouden vrijwel op dat gemiddelde (81 om 83%). De meest opvallende bovenscores qua klachten zaten bij problemen met het zien (21 om 7%) en met huid (15 om 6%), rug (34 om 24%), hoofd (25 om 15%), maag (11 om 6%), spieren (36 om 21%), ademhaling (14 om 4%; hoogste EU) en hart (8 om 2%; hoogste EU) en bij letsel (15 om 10%), stress (31 om 22%), totale vermoeidheid (41 om 22%), slaapproblemen (19 om 8%), allergie (8 om 4%), angst (15 om 8%) en geïrriteerdheid (18 om 10%).

 

Relatief weinig Litouwers waren tevreden tot erg tevreden met werkomstandigheden (67 om 84%; laagste EU25), arbeidsinkomsten (32 om 44%) of carrièreperspectieven (23 om 32%). Het deel dat zich in het jaar voor de vraagstelling ziek had gemeld lag ondanks de vele gezondheidsklachten echter iets onder het Eu gemiddelde (22 om 23%) evenals het doorsnee aantal ziektedagen (19,7 om 20,2). De angst om binnen een half jaar het werk te verliezen was tegelijkertijd relatief wijdverbreid (23 om 13%). In 2005 lag het aandeel dat de werkuren goed in te passen vond in het privé-leven (76 om 81%) iets onder het EU gemiddelde, maar het deel dat in hun vrije tijd vanuit het werk werd benaderd lag daar ook onder (15 om 23%). De groep die vond dat het werk hen genoeg tijd overliet om aandacht te besteden aan eigen kinderen was tamelijk groot (33 om 28%).

 

Uitgavenpatroon voor sociale zekerheid

De overheidsuitgaven voor sociale zekerheid daalden tussen 1999 en 2004 van 16,4 naar 13,3% van het BBP (EU 27% in 2004). Gelijkgetrokken voor inkomensverschillen was dit per inwoner 23% van het EU25 gemiddelde (laagste EU na Letland). Aan pensioenen en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gaf men 6,7% van het BBP uit (Eu 12,3%). Van de sociale uitgaven ging 30% (Eu 28%) naar ziektekosten, 10% (EU 8%) naar arbeidsongeschiktheid, 45% (EU 41%) naar oudedagsvoorzieningen, 2% (Eu 5%) naar nabestaanden, 9% (EU 8%) naar gezinnen, 1,6% (laagste Eu met Estland; EU 7%) naar werklozen; niks (EU 2%) naar huisvesting en 2,6% (EU 1,5%) naar bestrijding van sociale uitsluiting. Het volksdeel dat in 2003 weinig ver­trouwen had in het staatspensioenstelsel (69%, grootste EU na Slowakije; EU25 54%; EU10 49%) en het sociale zekerheidsstelsel (77%, grootste Eu; EU25 45%; EU10: 62%) was erg groot naar EU maatstaven.

 

Sociale stelsel

Het sociale stelsel van Litouwen is in opbouw en in 2006 was het; met uitzonde­ring van uitkeringen bij ziekte, zwangerschap en arbeidsongevallen; nog volstrekt onvol­doende om te voorzien in het minimale levensonderhoud. De eerste sociale wetten date­ren van 1919 en 1925 en veel huidige wetten zijn van 1991, 1994, 2000 en 2004. Werk­gevers dragen 24% van de loonsom af aan verzekeringen (sociale verzekeringen 27%, ziektekosten 3%, ongevallen 1%), werknemers geven 2,5% af (de afdrachtondergrens lag in 2006 op het minimumloon van €165 p/m) en de overheid past bij. Bij veel uitkeringen dient het modale inkomen (rond €360 in 2006) als uitgangsbasis. Voor mannen lag de pensioengerechtigde leeftijd in 2006 op 62½ en voor vrouwen op 60 jaar. Ondanks dat men een Vutregeling kent werken velen ook na hun pensioengerechtigde leeftijd door. Het gegarandeerde basispensioen lag in 2006 rond €60 pp/pm voor werknemers en rond €70 voor zelfstandigen en gehandicapten.(onder de modale uitgaven voor levensmiddelen). Het kon aangevuld worden met tijdens het werkzame leven opgebouwd pensioen. Wel werd bij arbeidsonge­vallen tot aan een arbeidsongeschiktheidsverklaring 100% van het laatstverdiende loon uitbetaald. De gemiddelde arbeidsongeschiktheidsuitkering lag 13% onder het dito pensi­oen. Tijdens het werk opgelopen arbeidsongeschiktheid van minder dan 31% werd afgekocht met een bedragje van minimaal €90 ineens. Weduwen (mits niet van de pensioengerechtigde leeftijd) en wezen krijgen respec­tievelijk 20 en 30% van het inkomen van de overledene tot een maximum van 80% van diens pensioen. Wel kende men een begrafenisvergoeding van 2 jaarlonen van de overledenen die verdeeld werd over de rechthebbende directe nabestaanden. Voorwaarde voor een ziekte of zwangerschapsuitkering is dat men bin­nen een jaar 3 maanden of binnen 2 jaar 6 maanden heeft gewerkt. De ziekte-uitkering lag op 85% van het laatstverdiende loon met een minimum (rond €90 p/m) en een maximum (rond €280) en de zwangerschapsuitkering op 100% van het loon gedurende de 18 weken geboorteverlof, maar wel weer met een minimum (€90) en een maximum (€370 p/m). De aanstaande moeder kan 3 maanden voor het zwangerschapsverlof echter al vrij nemen onder een vergelijkbare regeling. Wie in aanmerking wil komen voor een werkloosheidsuitkering moet in een periode van 3 jaar minstens 2 jaar hebben gewerkt. Deze uitkering lag in 2006 minimaal rond €45 en maximaal rond €207 p/m.

 
< Vorige   Volgende >
Internet Solutions by IT Elements