Demografische gegevens
In juli 2006 telde Litouwen 3,6 miljoen inwoners. Etnisch gezien bestond in 2005 de bevolking uit Litouwers 83%, Polen 7%, Russen 6,5%, Witrussen 1,2%, Oekraïners 0,7% en voor de rest (ruim 2%) uit meer dan 100 andere etnische groepen. Rond begin oktober 2006 onderschreef 20% van de inwoners van Litouwen (EU25; 40%) de stelling dat immigranten veel bijdragen aan hun land. Naar EU25 maatstaven was dat weinig, maar naar EU10 maatstaven gemiddeld. In 2006 was de gemiddelde levensverwachting in Litouwen 74 jaar (mannen 69; vrouwen 79); 15,5% van de Litouwers was jonger dan 15 en 15,5% ouder dan 65 (bijna 2 keer zoveel vrouwen dan mannen). Een Litouwse vrouw kreeg tijdens haar leven gemiddeld 1.2 kind en de bevolking nam door een sterfte en vertrekoverschot af met 0.3% per jaar. Opbouw huishoudens (volkstelling 2001): 29% alleenstaand; 5% éénoudergezinnen; 16% paren zonder kinderen; 21% paren met kinderen; 29% gemengde of andere huishoudens. Huwelijkse staat per 1/1-2003: nooit getrouwd geweest 24%, getrouwd 56%, gescheiden 9%, weduwe/ weduwnaar 11%. In 2004 bestond van de 46% huishoudens met kinderen (EU 33%) 11% (EU13%) uit eenoudergezinnen. Geboortecijfer 2004: 8,9 per 1000 inwoners (op 2 na laagste EU25; EU 10,5 per 1000). In 2005 was 29% van de geboorten buitenechtelijk (EU 32%). Het huwelijkscijfer lag toen op 5,8/1000 (EU 4,8/1000) en het echtscheidingscijfer op 3,3/1000 (EU: 2/1000).
|
De Karaïtes vormen een etnische minderheid die rond 1400 vanuit het Krim schiereiland in de Zwarte Zee naar Litouwen verhuisde (daarom vallen ze onder de z.g.n. Krim Tataren). Ze wonen bij elkaar en hebben nog hun eigen taal en cultuurkenmerken, waaronder een joods aandoende religie. In 2005 en 2006 waren ze regelmatig te zien op tv spotjes van Unesco over verscheidenheid van culturen.
|
Oostblokachtergrond
Door de periode van communistische overheersing en planeconomie zijn in Litouwen qua leefsituatie en emancipatie een aantal maatschappelijke ontwikkelingen anders gelopen dan in westerse landen. De Sovjetoverheid vond na 1945 het arbeiderscollectief erg belangrijk en traditionele gezinswaarden werden als bourgeois bestempeld. Er waren veel arbeidskrachten nodig en de vrouw werd van staatswege vooral gezien als werkende moeder. Stoere manwijven op trekkers en dito fabrieksarbeidsters werden door de Sovjetoverheid gepresenteerd als rolmodellen voor vrouwen. De wetgeving werd geënt op deze visie en de maatschappij werd er op ingericht. Echtscheiding en abortus werden in de voormalige Sovjet-Unie in de 50er jaren wettelijk mogelijk gemaakt. Ook werd een vrij langdurig betaald zwangerschapsverlof ingevoerd en er kwamen opvangfaciliteiten voor kinderen. Vrijwel alle vrouwen namen min of meer noodgedwongen een voltijdbaan waarin ze voor gelijksoortig werk vaak minder verdienden dan mannen. Naast hun werk moesten de vrouwen echter ook de huishoudelijke taken en de opvoeding van de kinderen op zich nemen; want mannen werden beschouwd als kostwinner en niet als werkende vader. Seksuele voorlichting en dito beleid pasten niet in de communistische visie en men kon zich weinig kinderen veroorloven. Daardoor werd aborteren tamelijk gewoon. Na het uiteenvallen van de Sovjetunie vielen in Litouwen aanvankelijk met de herwonnen vrijheid ook veel zekerheden weg. De werkloosheid steeg explosief, het aantal huwelijken daalde enorm en een deel van de bevolking raakte op drift. Eén en ander is m.n. onder laagopgeleide mannen gepaard gegaan met een proces van verloedering (overmatig drinken, roken en drugsgebruik in combinatie met ander risicogedrag) dat velen niet meer te boven kwamen. Dit droeg er toe bij dat het verschil in levensverwachting tussen de seksen opliep tot ruim 12 jaar in 1996, met veel weduwen als gevolg.
|
Traditioneel is een trouwerij in Litouwen een groot feest dat wel een week kan duren en waaraan de hele (dorps)gemeenschap deelneemt.
|
Opinieonderzoek uit de 90er jaren in de Baltische staten
Uit in 1990 en 1999 gedaan opinieonderzoek bleek dat steeds minder mensen in de Baltische staten echtscheiding acceptabel vonden (dit percentage daalde van 17 naar 14%; NL 60%). Tegelijk groeide het bevolkingsaandeel dat het huwelijk een achterhaald instituut vond echter van 11 naar 23%. De acceptatie van alleenstaand ouderschap nam toe van 58 naar 83% (EU15 60%) en het aandeel dat vond dat een vrouw kinderen moet krijgen om vervulling te vinden daalde van 92 naar 73%. Anderzijds werd veel minder moeilijk gedaan over overspel dan in de huidige EU (ruim 60% vond het acceptabel; EU15: 12%). Dit laatste verklaart mede de hoge frequentie van geslachtsziekten als syfilis. Hiermee liep Litouwen in 2001 in de pas met beide andere Baltische staten, maar HIV besmetting kwam een stuk minder voor dan in Estland en Letland en lag op gemiddeld EU25 niveau.
Ontwikkelingen na 1990 in Litouwen
Tussen 1990 en 2001 daalde het aantal huwelijken met de helft van 9,8 per 1000 inwoners naar 4,5 per 1000. Na 2001 steeg het huwelijkscijfer weer naar 5,8 per 1000 in 2005. Het echtscheidingscijfer bleef al die tijd hangen rond 3,2 per 1000 en het behoort daarmee tot de hoogste binnen de EU25. In 2005 lag het op 57% van het aantal huwelijken (EU 42%). Men trouwt in Litouwen jong,; gemiddeld 2 jaar eerder dan in de EU15 en moeders krijgen ook jong hun 1e kind (rond hun 26e). Wel gingen zowel de leeftijd van een 1e huwelijk als die van een 1e bevalling omhoog; tussen 1992 en 2003 respectievelijk van 23,8 naar 26,6 en van 25,6 naar 27,1 jaar. Het geboortecijfer daalde van 15,4 per 1000 in 1990 naar 8,6 per 1000 in 2002. In 2004 lag het weer op 8,9/1000, maar het was toen na dat van Duitsland en Letland het laagst binnen de EU. Het aandeel tienermoeders (19 per 1000 tienermeisjes in 2004) behoort echter tot de 5 hoogste binnen de Eu is In een aantal levensstatistieken is de Roomse achtergrond van Litouwen te herkennen. Zo is het aandeel buitenechtelijke geboorten het laagste binnen de Baltische staten. Het ongehuwd samenwonen is toegenomen, maar in Litouwen wonen ook veel alleenstaande ouders bij ouders in (samengestelde huishoudens). Het officiële abortuscijfer is na 1995 flink gedaald en in 2002 was het met 21 per 1000 vrouwen naar de maatstaf van voormalige Oostbloklanden laag. Het gebruik van moderne anticonceptiemethoden behoorde toen met 14% tot de laagste binnen de EU25 (EU8 31%, EU15 65%). De pil is in Litouwen naar de plaatselijke maatstaven erg duur.
Leefsituatie van jong volwassenen
In 2003 was het aandeel 18 tot 35 jarigen dat een gezinnetje met kinderen had (34% van de mannen, 35% van de vrouwen) erg groot naar EU maatstaven (ook naar de maatstaven van de van voormalige Oostbloklanden in de EU). Het gedeelte dat zonder partner of kinderen bij de ouders inwoonde (34% mannen, EU10 44%, Eu15 33%) was daarentegen klein naar die criteria, vooral bij de vrouwen (16%, laagste EU10, EU10 33%; EU15 25%). Hetzelfde gold overigens voor voordeurdelers met lot of leeftijdgenoten (m 5%; v 6%). Onder mannen leefde 7% en onder vrouwen 11% al dan niet met partner maar wel met kinderen in een samengestelde familie. Naar EU15 begrippen is dat veel, maar in de EU10 is het heel gewoon. Het gedeelte alleenwonenden (m 9%, v 4%) was klein naar Eu15 maatstaven, maar binnen de EU10 was het aan de grote kant. Relatief veel vrouwen 10% (EU 4%) woonden als alleenstaande ouder achter een eigen voordeur. Het gedeelte 18-35 jarigen dat zonder kinderen al dan niet getrouwd samenwoonde (m 8%, v 14%) zou klein geweest zijn binnen de EU15, maar onder vrouwen was het naar voormalige Oostblokmaatstaven vrij groot.
Vrouwen en kinderen
In 2003 bestond ongeveer de helft van de werkende bevolking uit vrouwen en het gedeelte van de vrouwen tussen 15 en 65 dat werkte lag op 58%. Vrouwen verdienden toen per uur gemiddeld 82% van wat mannen verdienden (EU10: 87%). In 2002 ging in de steden 61% van de kinderen tussen 1 en 6 naar voorschoolse opvang en op het platteland nog geen 15% Vaak pasten grootmoeders daar op de kleintjes. In 1999 is een wet van kracht geworden die het voor de moeder of familieleden mogelijk maakt om kinderverlof te krijgen. In het eerste jaar wordt dan 60% van het laatstverdiende loon uitbetaald. Deze wet staat ook 18 weken betaald zwangerschapsverlof toe aan de moeder. Verder voorziet ze in beperkingen in toegestane werktijden voor zwangere vrouwen en moeders van kinderen tot 3 (moeders mogen bijv verlof nemen) en opent ze de mogelijkheid tot vrijstelling van arbeid wegens dwingende gezinsomstandigheden. In Litouwen is in sterke mate sprake van gescheiden manvrouw rollen. Zo was 92% van de afgestudeerden voor onderwijsgevende of verpleegkundige vrouw en bij technische studies, vervoer en communicatie was ruim 70% man. In 2003 staken naar EU25 maatstaven werkende moeders tamelijk veel tijd in kinderen (5 om 4 uur p/d).
Emancipatie
In 2005 hadden naar Eu maatstaven veel Litouwse werknemers een vrouw als directe superieur (34 om 25%). Ook waren er veel vrouwen in hoge leidinggevende functies (43%, hoogste na Letland; EU 32%). Het aandeel vrouwelijke parlementsleden was gemiddeld (23%). In 2004 lag het aandeel vrouwelijke hoger onderwijsstudenten op 60% (EU 55%), maar het gedeelte vrouwelijke hoogleraren was relatief klein (12%, EU 15%, NL 9%). In de Baltische staten stond men tussen 1990 en 1999 erg negatief tegenover homofilie. Het deel van de bevolking dat homoseksualiteit acceptabel vindt steeg weliswaar iets (van 2 naar 5%, ongeveer het gemiddelde aandeel homofielen onder de bevolking), maar het was in vergelijking met de EU15 (45%, NL 77%) zo laag dat velen die homoseksueel zijn wellicht de grootste moeite hebben met hun geaardheid. In Litouwen is de situatie wel enigszins bijgetrokken. In 2006 was 17% van de Litouwers voor het Europees toestaan van het homohuwelijk (4 na laagste EU; EU 44%, NL hoogste met 82%) en 12% voor het Europees toelaten van kinderadoptie door homoparen (op 6 na laagste EU; Eu 32%, NL hoogste met 69%).
Welzijnsaspecten in de voormalige Oostbloklanden van de Eu en in Litouwen
De 8 voormalige Oostbloklanden in de EU (de EU8) hebben na hun herwonnen vrijheid een soort shocktherapie ondergaan. Men moest plotseling zelf initiatief en verantwoordelijkheid nemen en alles van de grond af aan opbouwen terwijl passief verzet tegen het opgedrongen Sovjetregime bonton was. Het EU kandidaat-lidmaatschap vormde m.n. een stimulans voor de vrije markteconomie en het was vaak de aanzet tot een inhaalrace t.o.v. de EU15 landen. Bestaanszekerheid, leefomstandigheden, welvaartsniveau en welzijn liggen echter nog achter bij de oude EU. In 2003 schatten in de 10 nieuwe landen ruim 2½ zoveel werknemers als in de EU15 (18 om 7%; Litouwen 32%, hoogste EU25) de kans op baanverlies binnen een half jaar hoog in. Relatief veel werknemers vonden de werkomstandigheden gevaarlijk of ongezond (EU10 30%, EU15 14%) en hun werk saai en vervelend (18 om 10%) en slechts weinigen vonden dat ze genoeg verdienen (21 om 43%) of dat de carrièreperspectieven goed zijn (26 om 36%). Door armoede, woningnood en hoge huren blijven volwassen kinderen (inclusief ongehuwde moeders en pas getrouwden) naar EU15 maatstaven vaak noodgedwongen bij hun ouders inwonen, dikwijls om te sparen voor een eigen onderkomen, al viel dat in Litouwen wel mee. In 2003 hadden bijna 4 keer zoveel huishoudens als in de EU15 (39%, Litouwen 34%, EU15 10%) moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Tamelijk basale zaken als huisverwarming, een dagelijks stukje vlees, een week vakantie per jaar, versleten meubilair vervangen, nieuwe in plaats van 2e handskleren kopen en minstens eens per maand gasten voorzien van een maaltijd of drank leverden ruim 3 keer zo vaak problemen op als in de oude EU en relatief velen vonden hun gezondheid slecht (16%, EU15 6%, Litouwen 13%). Vooral onder gepensioneerden, gehandicapten, allochtonen, grote gezinnen en eenoudergezinnen is de nood hoog.
De sociale stelsels zijn nog volstrekt onvoldoende om te voorzien in een bestaansminimum. De meerderheid van de bevolking (62%, EU15; 42%; Litouwen 77%, hoogste EU25) had daar dan ook weinig vertrouwen in en men is creatief geworden in de basale overlevingskunst. Dit maakt het aandeel huishoudens dat er een moestuin of (pluim)vee op nahoudt groot (steden 22%, platteland 65%, EU15: 5 en 18%); stropen, vissen en verzamelen populair en de informele economie (ruilhandel, dienst en wederdienst, zwart klussen, smokkelen, omkopen) belangrijk. Door de situatie is naar westerse rijke landenmaatstaven de maatschappij weinig transparant en de corruptie-index hoog (Litouwen in 2006 op 3 na hoogste EU 25). Ondanks de vaak hoge werkloosheid komen meer banen per huishouden (50 om 43%, Litouwen 43%) en bijbaantjes (Eu10 8%, EU 15 5%, Litouwen 13%) relatief veel voor. Spanningen tussen arm en rijk (51 om 31%, Litouwen 63%, hoogste EU 25) en tussen leidinggevenden en werknemers (47 om 34%, Litouwen 53%) worden vaker ervaren dan in de oude EU en etnische (34 om 46%, Litouwen 10%) en manvrouw spanningen (8 om 12%, Litouwen 9%) minder vaak. De belangrijkste etnische minderheden in de EU8 zijn voormalige Sovjetburgers en zigeuners. In de 10 nieuwe landen is het aandeel werkende vrouwen vrij hoog, maar het systeem is nog niet ingesteld op deeltijdwerk. Dit komt dan ook veel minder voor dan in de EU15 (EU25 32% werkende vrouwen in 2005, EU8 10%, Litouwen 9%). Doordat de manvrouw taakverdeling traditioneel is draaien vrouwen naast hun voltijdbaan meestal ook nog volledig op voor huishouden en kinderzorg.
|
Beoordeling levenskwaliteit in de EU in 2003: schaal 1 (minimaal) tot10 (perfect)
|
|
|
EU15
|
EU10
|
Litouwen
|
|
Gezondheidszorg
|
6,4
|
5,0
|
5,1
|
|
Sociale dienstverlening
|
6,2
|
4,5
|
5,2
|
|
Staatspensioenstelsel
|
5,3
|
4,5
|
5.0
|
|
Onderwijsstelsel
|
6,3
|
5,8
|
6,0
|
|
Vertrouwen in de medemens
|
5,8
|
4,8
|
5,0
|
|
Tevredenheid met het leven
|
7,3
|
6,1
|
5.4
|
|
Geluksgevoel
|
7,6
|
6.9
|
6,4
|
|