Home arrow Estland arrow Bevolking arrow Onderwijs
Onderwijs
 

Onderwijsniveau en talen

Formeel zijn vrijwel alle Esten boven de 14 geletterd. Kinderen tot 17 zijn leerplichtig en de leerplichtige periode bedraagt 10 jaar. Hoogste opleidingsniveau 15-75j in 2003: 24% basisonderwijs, 52% secundair vervolgonderwijs, 24% HBO of universiteit. In 2005 had 89% van de bevolking tussen 25 en 65 (hoogste EU; EU 69%) een secundair vervolgonderwijs of hoger onderwijsdiploma op zak. Het aandeel 18 t/m 23 jarigen zonder diploma dat recht geeft op secundair vervolgonderwijs (voortijdige schoolverlaters) lag in 2006 op 13% (EU 15%). In 2003 beoordeelden de Esten hun onderwijsstelsel met een 6,7 (EU25: 6,9). Het Estlands is de voertaal en moedertaal van 68% van de bevolking. Voor de rest is dit meestal Russisch. In 2003 vond 23% van de Esten dat ze redelijk tot erg goed en 35% dat ze een beetje Engels kunnen lezen (EU25: respectievelijk 30 en 22%). Esten neigen er vaak toe om zich bescheiden op te stellen.

 

Geschiedenis en ontwikkeling

In de Sovjettijd had Estland de hoogst opgeleide bevolking van de hele Unie. Het ver­plichte basisonderwijs was toen tamelijk uniform en er stond 10 jaar voor. Het werd deels in het Estlands gegeven, maar het lesmateriaal was meestal slecht vertaald, weinig op de regio toegespitst en gedateerd en de klassen waren vaak erg groot. Na de hernieuwde onafhankelijkheid van 1992 bleef het hoge onderwijsniveau een troetelkindje van de overheid. Wel eisten privatisering en herstructurering aanvankelijk een tol. Staatssubsi­dies voor leermiddelen en levensbehoeften verdwenen en dure privé-instellingen namen vooral in secundair en hoger beroepsonderwijs taken over van de overheid. Daar­door kwamen er minder leerlingen en meer afvallers. Ook verlieten veel leerlingen het onder­wijs voortijdig, bijv. omdat ze een baantje konden krijgen, maar velen van hen wer­den nadien werkloos. Dit alles leidde tot een daling van het gemiddelde opleidingsniveau, hetgeen de overheid ernstig zorgen baarde. Via meer individueel maatwerk probeerde men dit tij te keren. Deels met succes, want in 2003 was het aandeel van de bevolking tussen 25 en 65 met minimaal secundair vervolgonderwijs met 88% (mannen 87%, vrou­wen 89%) het hoogste binnen de EU25 en het aandeel voortijdige schoolverlaters (18 tot 24 jarigen zonder diploma die geen opleiding volgden) daalde tussen 2000 en 2004 van 14 naar 12% (EU10 16%, EU15 18%). Het aandeel van privé-instituten in het beroepson­derwijs bleef hoog. In 2003 liep dit aandeel uiteen van 10% in het basisonderwijs via 26% in het beroepsonderwijs naar 70% in het HBO. In Estland hebben studenten nog steeds een voorkeur voor academisch onderwijs terwijl er behoefte is aan HBO opgelei­den. Betere aansluiting van onderwijs op de arbeidsmarkt is een belang­rijk aandachts­punt.

 

Organisatie van het onderwijs

Naast de reguliere vormen van onderwijs kent Estland gehandicap­tenonderwijs en vol­wasseneneducatie. Kinderen zijn leerplichtig van het jaar waarin ze 7 worden tot het jaar waarin ze 17 worden. Van hun 7e t/m hun 15e volgen ze basisonder­wijs (pöhiharidus) op een uniforme basisschool. Daarna bestaat de keus tussen een baantje zoeken of 3 jaar algemeen vormend of beroepsgericht vervolgonderwijs. In het basis en vervolgonderwijs wordt les gegeven volgens een nationaal leerplan, dat in 2002 werd vernieuwd en waar­aan ook privé-scholen moeten voldoen. Wel bestaat er vrijheid in accenten die worden gelegd en in de keus van extra onderwerpen. De Estlandse onder­wijswet sluit verplicht godsdienstonderwijs uit. In het basisonderwijs en het VWO kent men een kerstvakantie van 2 weken; een klassikale (sport)vakantie van een week in fe­bruari of maart, een week paasvakantie en een zomervakantie van half juni tot begin september. Alle vormen van onderwijs worden afgesloten met examens en een diploma. Na 1990 zijn in Estland Rus­sische en Estlandse scholen ingevoerd. In 2001 zat 28% van de leerlingen op een Russi­sche basisschool en 11% van de studenten volgde tertiair on­derwijs bij een Russische in­stelling. Op Russischtalige basisscholen is onderwijs in de landelijke voertaal verplicht gesteld en vanaf 2007 wordt vervolgonderwijs in het Russisch afgeschaft. Kinderopvang en kleuteronderwijs kennen een ouderbijdrage van maximaal 20% van het minimumloon en in de laatste 5 jaar van de basisschool betalen de ouders een bijdrage voor een warme schoolmaaltijd. Het openbaar onderwijs wordt betaald door de staat en privé-scholen krijgen vaak staatssubsidie. In het hoger onderwijs bestaat een stelsel van beur­zen en leningen. In 2003 lagen de onderwijsuitgaven op 5,7% van het BBP (EU. 5,2%) en op 16% van het overheidsbudget. In 2002 ging ruim 50% ging naar het basis­onderwijs, 14% naar het beroepsonderwijs, 5,5% naar het HBO en 20% universiteiten. In 2005 gaven huishoudens 1,1% van hun budget uit aan onderwijs (Eu 0,9%).

 

Baby, peuter, kleuter en basisonderwijs

In Estland bestaan onderwijsvoorzieningen voor alle leeftijdsgroepen. Onder moeders met hun baby's van 4 tot 8 maanden zijn babyscholen populair. Het aandeel kinderen van 2 tot 7 in opvang of kleuteronderwijs liep in 2002 op met de leeftijd van 54 naar 81% (in totaal zo'n 50.000 kinderen). Voor kinderen van 3 t/m 6 bestaan crèches (maximaal 14 kinderen per groep) en kleuterscholen (18 tot 20 kinderen per groep, in aanvullend en speciaal kleuteronderwijs minder). De 9 jarige basisschool (pöhikool) is opgedeeld in 3 fasen van 3 jaar die worden afgesloten met een niveautoets. In de eerste 2 fasen kent men vaste leerkrachten, maar in de laatste fase wordt aandacht besteed aan beroeps­keuze en wordt vaker gewerkt met vakdocenten. Het schooljaar telt 35 weken van 5 da­gen. Het aantal wekelijkse lessen van 3 kwartier loopt geleidelijk op van 20 in groep 1 naar 34 in groep 9. Ook krijgen kinderen na het 2e jaar huiswerk mee, oplopend van 1 tot 2½ uur per dag. Voor de overgang tussen lessen neemt men een kwartier en ergens tus­sen 10 en 12 is er een lunchpauze van 20 minuten. Na schooltijd bestaan er verlengde daggroepen en hobbygroepen. M.n. op privé-scholen is vaak naschoolse opvang. Vanaf het 2e of 3e jaar van de basisschool krijgen de kinderen les in een eerste vreemde taal en in de 2e fase volgt een tweede vreemde taal. In 2002/ 2003 koos 57% van de leerlingen Engels, 26% Russisch en 15% Duits. De basisschool wordt afgesloten met een eindexa­men in taal, wiskunde en een keuzevak (een vreemde taal, scheikunde, natuurkunde, bi­ologie of aardrijkskunde), waarna bij voldoende resultaat een diploma wordt uitgereikt. Een staatsexamen bepaalt bij welk secundair onderwijs de leerling terecht kan. In het schooljaar 2002/ 2003 waren er 636 dagscholen, waaronder 236 scholengemeenschap­pen van basisschool en vervolgschool. Het basisonderwijs telde 165.000 leerlingen en de gemiddelde klassengrootte lag op 22. Slechts 3% van de leerlingen doubleerde hier.

 

Vervolgonderwijs

Voor het vervolgonderwijs staat in Estland 3 jaar en het is in principe bestemd voor leerlingen van 16 t/m 18. Er wordt gewerkt met vakdocenten. Men kent een VWO versie (het gümnaasium) en basis en secundair beroepsonderwijs (kutseöppeasutus). Het secundaire beroepsonderwijs neemt een extra jaar. Het is eigentijds opgezet en kent als belangrijkste richtingen dienstverlening, logistiek, elektronica, informatietechnologie en telecommunicatie. In het VWO wordt 75 tot 84% (Russische scholen, vanwege het verplichte Estlands) van de lestijd besteed aan verplichte vakken (minimaal 32 lesuren). In het beroepsonderwijs gaat 15% van de tijd op aan algemene vorming en praktijkstages vormen een belangrijk onderdeel ervan. In 2002/ 2003 telde het land 240 dagscholen en 15 avondscholen voor VWO en 79 scholen voor beroepsonderwijs, waaronder 23 privéscholen. Beroepscertificaten van dit onderwijs zijn sinds 2000 internationaal erkend. In 2002/ 2003 namen ruim 44.000 leerlingen deel aan het VWO (rond 20% via avond of af-standsonderwijs). Het basisberoepsonderwijs telde ruim 11.500 leerlingen (ruim 20% via afstandsonderwijs) en het secundaire beroepsonderwijs ruim 16.000. Doubleren en uitval komen in het VWO weinig voor. In het dagberoepsonderwijs moest 3% het jaar overdoen en de uitval lag hier rond 19%. In het avondonderwijs of bij schriftelijke cursussen is de studievertraging groter en de uitval kleiner. Hier doubleerde in het 1e jaar 49%, in het 2e jaar 38% en in het 3e jaar 35% en zo'n 10% van de deelnemers haakte voortijdig af. In 2004 deed in het secundair vervolgonderwijs 41% van de jongens (EU 57%) en slechts 20% van de meisjes (EU 53%) een beroepsopleiding. Diploma's van het VWO of het secundaire beroepsonderwijs geven toegang tot HBO en universiteit.

 

In het basis en secundaire onderwijs loopt in Estland de beoordeling van 5 (uitmun­tend) naar 1 (slecht). Wie een 3 haalt heeft net voldoende. In het hoger onderwijs loopt ze van 5 (of A: uitmuntend) naar 0 of F. Hier is 2 (of D) nog voldoende.

 

Hoger en volwassenenonderwijs

Tertiair onderwijs wordt verzorgd door HBO instellingen (20.000 studenten in 2004) en universiteiten (48.000 studenten). Hbo opleidingen duren 3 tot 4 jaar (inclusief een stage) en zijn in principe bestemd voor studenten tussen 19 en 22. In 2004 telde het land 7 openbare en 17 private HBO instellingen en 10 beroepsopleidinginstellingen op HBO ni­veau. De inrichting van de universitaire opleidingen sluit aan bij de internationale afspra­ken die sinds 2002 gelden. In 3 à 4 jaar behaalt de student de graad van Bachelor, voor de graad van Master staat 5 jaar (bij de medicijnenstudie een jaar langer) en de doctors­graad kan volgen na een promotieonderzoek dat zo'n 3 jaar in beslag neemt. In Estland zijn 6 staatsuniversiteiten en 6 privé-universiteiten. De oudste, grootste en belangrijkste universiteit is die van Tartu (17.700 studenten in 2004). Tallinn herbergt een technische universiteit met ruim 10.000 studenten en een pedagogische universiteit met meer dan 7000 studenten. Qua wetenschappelijk onderzoek heeft Estland vooral naam gemaakt op het gebied van bio en gentechnologie, vergelijkende taalwetenschappen en farmacie. Een flink gedeelte van de hoger onderwijsdeelname (23% in 2002/ 2003; het meest HBO studenten) betrof avond of afstandsonderwijs en in 2000 volgden 57.000 volwassenen (28% van de werknemers van bedrijven en instellingen die trainingen verzorgen) een in­terne opleiding. In dat jaar telde het land ruim 900 instellingen die volwassenenonderwijs gaven. Onderwijscentra die creatieve opleidingen verzorgen op het vlak van muziek of kunst vallen onder hobbyonderwijs voor volwassen. Ook zij ontvangen staatssubsidies. In 2004 lag het aandeel volwassenen dat onderwijs volgde op 6,7% (EU25 9,4%, 4e EU10).

 
< Vorige   Volgende >
Internet Solutions by IT Elements