|
Home
Griekenland Bevolking Onderwijs
Qua lessenpakket is in het hele leerplichtonderwijs het programma uniform met alleen verplichte vakken. Op het lyceum komt ruimte voor specialisatie en keuzevakken. De tabel die nu komt geeft een indruk van de verdeling van lestijd in het basis en vervolgonderwijs binnen de leerplicht in 2006 in vergelijking met de EU19 standaard.
Bij taal, lezen en schrijven is onderricht in het oud Grieks inbegrepen. M.n in het vervolgonderwijs wordt veel aandacht besteedt aan het klassieke erfgoed en aan creatieve vakken (vooral muziek). Onder de 19% overige vakken voor 12 t/m 14 jarigen vallen huishoudkunde, computerles en scheikunde. Beroepsoriëntatie geldt alleen voor 14 jarigen. Na de leerplichtfase loopt in het Lykeio Geniko het aantal wekelijkse uren algemene vorming terug van 30 via 24 naar 16 en het aantal uren in één van de 3 specialisatierichtingen theorie (de Alfa richting), praktijk en technologie loopt in het 2e en 3e jaar op van 6 naar 12. Daarbij mogen de leerlingen in het 2e jaar na 1½ maand van specialisatierichting veranderen. Verder krijgen de leerlingen 2 uur les in een bijvak. Het aantal bijvakken waar ze uit kunnen kiezen loopt op van 5 algemene in het 1e naar 18 gespecialiseerde in het 3e jaar. Bij de avondversie wordt het lespakker uitgesmeerd over 4 jaar. Bij het vaklyceum EPA.L krijgen de leerlingen in het 1e jaar 25 uur algemene vorming en 9 uur vakoriëntatie in één van de 3 keuzerichtingen technologie, dienstverlening en maritiem. In het 2e en 3e jaar volgt nadruk op verdere specialisatie. Op vakscholen (EPA.S) en de vaktraining instituten IEK is het onderwijs in principe gespecialiseerd. Het EPA.S en het EPA.L leiden beide op voor een niveau 3 vakcertificaat (Ptychio) dat toegang heeft tot het IEK. Hier wordt een eerder gekozen specialisatie verder theoretisch en praktisch uitgediept gedurende 1 of 2 jaar (afhankelijk van de vooropleiding). Het IEK kent thans in 14 richtingen/ sectoren met 168 specialisaties. Na 2 jaar wordt de opleiding afgesloten met een vakcertificaat. Dit geeft recht op deelname aan een praktijkstage van een half jaar, gevolgd door een examen voor een vakdiploma. Op alle niet universitaire niveaus krijgen leerlingen enkele uren per week computerles. Het aandeel 15-75 jarigen dat in het kwartaal voor de vraagstelling internette op een onderwijsinstelling was in 2008 echter het laagste binnen de EU15 (4%, EU15/25: 8%).
Qua beoordelen wordt in Griekenland presentie bij de lessen meegewogen en men houdt veel rekening met mogelijk gezichtsverlies. Slechte beoordelingen of zittenblijven worden m.n. in het basisonderwijs met uiterste discretie behandeld. Kinderen in de laagste 2 klassen van de basisschool krijgen nog geen cijfers. In de beide middelste klassen geldt de schaal van A (uitmuntend) t/m D (redelijk) en in de beide hoogste klassen en op gymnasio een schaal van 5 (redelijk) tot 10 (uitmuntend). Deze geldt ook in het hoger onderwijs. Onvoldoendes worden op de basisschool niet gegeven, maar bij de beoordeling "redelijk" is er een probleem en krijgt het kind bijles. Zittenblijven komt op de basisschool erg weinig voor; vrijwel alleen vanwege veelvuldige absentie. Bij lycea en bij het eindexamen, het prestigieuze Panhelleense Nationale examen of Apolytirion in 6 of 7 vakken (4 algemene, 2 keuzevakken, 1 bijvak), geldt een schaal van 1 t/m 20 met 9,5 als laagste voldoende. Ook het vaklyceum en het IEK hanteren deze schaal.
De jaarlijkse belasting per docent was in 2006 al met al hoog. Qua aantal lesuren was ze relatief laag (basisschool: 751 lesuur; EU19: 806 u; vervolgonderwijs leerplicht 559 om 672u: secundair vervolgonderwijs 544 om 634u), maar naar de maatstaven van de 19 EU landen in de OESO werd slechts een klein deel van de werktijd (basisonderwijs 43%, vervolgonderwijs 32%) besteed voor de klas. De wettelijk vastgelegde werktijd p/j lag in zowel basis als vervolgonderwijs erg hoog (1762u; EU19: leerplichtonderwijs 1619u; secundair vervolgonderwijs 1604u). Daarvan moest op de basisschool 1500 uur (EU19 1200 u) en in het vervolgonderwijs 1425 u op school worden doorgebracht (EU19: 1173 of 1154 u). Leerkrachtsalarissen lagen in 2006 ongeveer even ver onder het EU19 gemiddelde dan de koopkracht; maar ze waren bij beginnende leerkrachten relatief hoog. Ze gingen qua koopkracht sinds 1996 met ongeveer 15% omhoog. Dit brengt ons op de betaling van het onderwijs in zijn algemeenheid.
Betaling van het onderwijsHet deel van het BBP dat op ging aan onderwijs ligt onder het EU gemiddelde, maar steeg tussen 2001 en 2005 van 3,71 naar 4,25% van het BBP (bron Eurostat; EU25 rond 5,7%). Van het totaal komt een relatief klein deel op rekening van huishoudens (0,25% in 2005, EU25 0,7%), zodat het overheidsaandeel relatief groot is (4% van het BBP; EU 5%). Met verrekening van koopkracht waren de uitgaven per leerling/student veruit het laagst binnen de EU15 (71% van het EU15 gemiddelde in 2005). Het BBP aandeel voor gewoon onderwijs was het kleinst binnen de 19 EU landen in de OESO (2,74%, OESO 3,8%), evenals het gedeelte daarbinnen dat opging aan aanvullende diensten als schoolmaaltijden schoolvervoer en huisvesting (0,07 om 0,24%; OECD education at a glance 2008). Het BBP aandeel voor hoger onderwijs lag met 1,46% precies op de OESO normaal. Daarvan ging een relatief groot deel naar aanvullende diensten (0,11 om 0,06%) en naar verhouding weinig naar R&D (0,29%; OESO 0.37%).
Het aandeel van lopende uitgaven in het gewone onderwijs was aan de kleine kant (85,1 om 91,8%) en dat voor kapitaalsuitgaven navenant groot. Dit laatste geldt versterkt voor het hoger onderwijs (lopend 65,8%; veruit laagste OESO; OESO 90,4%). Het deel voor de staf (leerkrachten en overig personeel) was ook relatief groot (buiten het Hoger Onderwijs 92,5 om 79,9%; in het HO 70,2 om 68%). De stijging van de uitgaven per leerling/ student lag tussen 2000 en 2005 boven de EU19 standaard (29 om 20%), m.n in het HO (59%, grootste stijging EU19: EU19 11%). In het gewone onderwijs lag het aantal leerlingen in 2005 vrijwel op het niveau van 2000, maar het aantal studenten was t.o.v 2000 met 48% gestegen (ook grootste stijging EU19: EU19 18%). Het deel van de onderwijsuitgaven uit publieke bron ging tussen 2000 en 2005 naar verhouding sterk omhoog (47 om 19%), maar het deel uit private bron ligt onder de EU19 standaard (6 om 9,5% in 2005) en steeg na 2000 relatief weinig (42 om 79%). In 2005 kwam van de onderwijsuitgaven in het gewone onderwijs 7,5% (EU19 6,2%) uit private bron. Dit kwam volledig voor rekening van huishoudens. Bij het hoger onderwijs behoorde het private deel met 3,3% tot de 2 laagste binnen de EU19, al steeg het naar verhouding wel sterk (in 2000 nog 0,3%; EU19 17,5% in 2005; 15% in 2000).
Voor gemeentelijke crèches betalen ouders een kleine bijdrage. Verder is alle publieke onderwijs van kleuterschool tot volwassenenonderwijs in Griekenland gratis; incl. leermiddelen en schoolvervoer. Op de gemeentelijke kleuterschool zijn ook schoolmaaltijden kosteloos. Binnen de leerplicht kunnen families met een jaarinkomen onder €3000 tot €300 p/j per schoolkind steun krijgen. Ook in alle vervolgonderwijs bestaat de optie van gratis vervoer, eten en huisvesting. Verder kent men kinderbijslag voor schoolgaande kinderen en een extra vergoeding voor grote gezinnen. Vaak maakt men uit trots of schaamte echter geen gebruik van gratis voorzieningen. Uitwonende studenten kunnen aanspraak maken op een vergoeding voor huisvesting. Alleen postdoctoraalstudenten en studenten aan de open universiteit en de internationale universiteit betalen collegegeld. Sinds de invoering van de wet op het HO van 2007 kunnen studenten een gratis beurs krijgen waarvoor ze ter compensatie 40 uur p/m werkzaamheden moeten verrichten voor hun onderwijsinstelling. Studenten die qua studieresultaten op tempo liggen kunnen aanspraak maken op een renteloze lening en studenten die uitzonderlijk presteren op een beurs. Verder krijgen alle studenten gratis gezondheidszorg en korting op openbaar vervoer, sport en culturele diensten. Het private onderwijs moet, behoudens beurzen e.d, volledig worden betaald door belanghebbenden.
Kleuter en leerplichtonderwijsGriekenland kent thans gemeentelijke en private crèches (paidikós stathmós) voor baby's vanaf 8 maanden en peuters. Cijfers over het gebruik daarvan zijn echter moeilijk te achterhalen voor wie het Griekse alfabet en schrift niet beheerst. Het aantal gemeente kleuterscholen dat van 7 tot 16 uur open was steeg van 2004 naar 2005 in één jaar tijd met 12% naar bijna 2200; 38% van de publieke kleuterscholen. De kleuterschool (nipiagogeío) is in Griekenland voor 4 en 5 jarigen. Volgens OECD education at a glance 2008 was het aandeel 3 en 4 jarigen dat naar de crèche of kleuterschool ging in 2005 met 27,9% het kleinste binnen de 19 EU landen in de OESO na dat in Ierland (EU19 76,7%). Eurostat kwam voor 2007 op een onderwijsdeelname onder 4 jarigen van 55,7% (EU25: 87,5% in 2006); 1,3% minder dan in 2003. Daarbij betrof het publieke kleuterscholen. Sinds 2007 gaan (vrijwel) alle 5 jarigen naar de kleuterschool vanwege de verlenging van de leerplicht. De Griekse basisscholen voor de kinderen van 6 t/m 12 (dimotikó skoleio) kennen vaak "ploegendiensten". Klassen krijgen dan les van 8 tot 14 uur of van 14 tot 20 uur. Lagere schoolkinderen gaan 6 dagdelen per week naar school gedurende 5 dagen. Vanaf het 3e schooljaar krijgen ze Engels, terwijl ze sinds 2007 in het 5e en 6e jaar een 2e vreemde taal krijgen (Frans of Duits naar keuze). Verder horen naast ICT, cultuur, milieu en gezondheid bij de nieuwe loten in het lesprogramma. Het lagere schooldiploma (apolytirio dimotikou) geeft toegang tot het gymnasium. Het gymnasium (gymnasio) voor leerlingen van 12 t/m 14 is een middenschool met een vast lesprogramma (zie onder lessenpakket) dat voorziet in het vervolgonderwijs binnen de leerplicht. Het aantal vreemde talen waarin deze leerlingen les krijgen ligt in Griekenland hoog naar EU maatstaven (1,9 om 1,4 tussen 2002 en 2006).
Secundair vervolgonderwijsNa de leerplicht varieert het aandeel leerlingen dat werk zoekt in Griekenland naar EU maatstaven sterk, terwijl binnen de Eu als geheel de trend in de richting gaat van meer vervolgonderwijs. Volgens Eurostat liep de onderwijsdeelname onder 18 jarigen tussen 1998 en 2007 uiteen van 64 (2001) naar 90% (in 2006; EU25 78,4%) en in 2007 was ze relatief laag (65,9%). Het algemeen vormend lyceum is in Griekenland erg in trek en de deelname aan beroepsopleidingen binnen het secundaire vervolgonderwijs is klein naar EU maatstaven. Ze varieerde bij jongens tussen 32% (1999) en 46% (2002) en bij meisjes tussen 20 (1999) en 34% (2002). In 2007 lag ze bij jongens op 39% (EU25 57% in 2006) en bij meisjes op 24% (EU 46% in 2006). Qua onderwijs in vreemde talen ligt de nadruk op de leerplichtfase. Tussen 2001 en 2006 kregen leerlingen in het secundair vervolgonderwijs gemiddeld les in 1 vreemde taal (EU 1,3 taal; meer info onder communicatie bij taal). In Griekenland doorliepen in 2006 bijna alle leerlingen zonder doubleren het secundair vervolgonderwijs (in de 19 EU landen in de OESO 86%). Het aandeel leerlingen in dit onderwijs dat doorging in het hoger onderwijs steeg tussen 1995 en 2006 veel sneller dan in de 19 EU landen van de OESO en kwam flink boven het EU19 gemiddelde uit (80%, +60%; EU19 68%;+31%). In 2006 koos 49% een alfa studie (EU19 55%) en 31% een bèta studie (EU 13%).
Hoger onderwijsGriekenland heeft zich niet ingevoegd in het Bologna proces. Zo kent het land geen HBO onderwijs op BA niveau (het oude Nederlandse kandidaats) en op enkele uitzonderingen na wordt de BA graad niet erkend. In het Griekse HO bereikt men na 4 jaar het ptychio Niveau. Dit is vergelijkbaar met de internationale MA graad en wordt iets hoger ingeschaald dan de BA graad maar lager dan de MSc graad (de oude drs. graad van NL). Voor een MSc (metaptychiako) staat 5 tot 6 jaar studie en voor de PhD (didaktoriko; de oude Dr graad in NL) komt daar nog 3 tot 6 jaar bovenop. E.e.a heeft tot gevolg dat artsen en juristen uit het buitenland met een MA graad in Griekenland 6 tot 9 maanden moeten worden bijgeschoold om als academicus in de publieke sector hun beroep uit te kunnen oefenen. Door de enorme stijging in studentenaantallen kennen veel faculteiten plaatsgebrek en een beperkte toelating (numerus clausus), mede doordat men bij toelating plaatsen reserveert voor ernstig zieken, blinden en doven, orgaantransplantatie patiënten, kinderen uit grote gezinnen en buitenlanders. Daardoor gaan veel Griekse studenten in het buitenland studeren; bijv medicijnen, techniek of ICT. In 2007 studeerden 60.000 Griekse studenten elders (http://www.eaie.org/pdf/F101art6.pdf). Dit zou naar inwonertal het grootste aandeel ter wereld zijn.
In het Griekse HO bestaan 2 parallelle sectoren. De universitaire en de technologische sector. De eerste telt 23 opleidingen; waaronder universiteiten (AEI), polytechnische en artistieke (ASKT) opleidingen, kaderopleidingen bij leger, politie en geestelijkheid en de Helleense open universiteit (EAP). De technologische sector kent 15 TEI instellingen (incl. dependances 93, waaronder 5 docentenopleidingen). Volgens Eurostat steeg het aantal HO studenten tussen 1998 en 2006 van 374.000 naar 653.000; de grootste stijging binnen de Eu15. In 2007 zakte het wat en kwam het op 603.000. De instroom van buitenlandse studenten vanuit EU landen was volgens deze bron naar verhouding klein (2,2% van het bestand in 2007; EU 2,9%). De uitstroom van Griekse studenten naar de Eu was in 1999 met 14,1% de grootste na die in Luxemburg en Cyprus, maar zakte nadien naar 5,5% in 2006 en lag in 2007 op 5,8% (EU25 3% in 2007). In Griekenland is het aandeel voorstanders van vrije toelating tot het HO relatief klein (eind 2006 34%, EU25 43%; voor selectie 62%; EU 47%; bron EB 273, wave 66.3).
In 2007 was volgens Eurostat sociale wetenschappen business en rechten de populairste afstudeerrichting, maar het aandeel dat daarin afstudeerde hoorde met 25,5% bij de laagste 3 binnen de EU (EU27 35,4%). De richting werd in populariteit gevolgd door wis en natuurkunde en technologie (21,6%, EU 22,4%), zorg en welzijn (15,9 om 14,4%), kunst en humaniora (15,6 om 12,2%), techniek, industrie en bouw (12,2 om 12,5%), dienstverlening (9,8 om 3,9%; m.n zo hoog vanwege het toerisme), onderwijs (7,5 om 10,1%) en landbouw (4,2%: hoogste EU: EU 1,7%).
VolwassenenonderwijsHet volwassenenonderwijs valt sinds 2001 onder het algemene secretariaat voor volwassenen onderwijs EEGG. Nadien volgde een complete infrastructuur en een stormachtige ontwikkeling qua deelname. In 2003 werden vaktrainingscentra om de werkgelegenheid te bevorderen (KEK) aan dit secretariaat gekoppeld. Er werden in dat jaar 10 centra voor volwassenenonderwijs (KEE) ingesteld die korte (25 tot 75 uur) en lange programma's (75-250 u) verzorgen. De korte versies zijn ondermeer gericht op minderheden. In 2005/06 telde men bijna 70.000 deelnemers. In dat jaar was het aantal KEE centra gegroeid naar 58. Men verzorgt sinds 2002 2e kansonderwijs op 48 SDE scholen (3000 deelnemers in 2005/06). Verder kennen alle schooltypen binnen het reguliere stelsel avondscholen. Sinds 2005 zijn er ook 54 ouderscholen (in iedere prefectuur één) die via cursussen van 20-40 uur aan opvoedingsondersteuning en sociale vorming doen (16.300 deelnemers in 05/06). Daarnaast riepen prefecturale comités voor volwassenenonderwijs een dito aantal andere vormingsprogramma's in het leven (24.300 deelnemers). Sinds 2006 verzorgt men afstandsonderwijs via 14 centra. Naast eerdergenoemde onderwerpen heeft men daarbij leergangen van 250 uur in ICT, economie, management, business en agrarische cursussen in het aanbod. Ook de Helleense open universiteit (EAP) valt onder de volwasseneneducatie. De private vaktraininginstituten staan sinds 2003/04 onder supervisie van de OEEK. In 2006 telden ze al 95.000 deelnemers (45.000 voor computercursussen, 40.000 voor voorlichting over bijv AIDS). Het aantal deelnemers aan opleidingen via de EEGG en private instellingen verzevenvoudigde tussen 2003/04 en 2006/07 bijna en kwam op 239.000. Daarmee groeide het van 0,5 naar 3,25% van de doelgroep (alle 18 tot 67 jarigen).
Volgens Eurostat groeide de deelname aan lifelong learning onder Griekse 25-65 jarigen in de maand voorafgaand aan de vraagstelling tussen 2004 en 2007 van 1,8 naar 2,1%. Daarmee bleef ze veruit de laagste binnen de EU15 (EU15 10,9%). In Griekenland profiteerden hoog opgeleiden bij werkgerichte trainingen relatief sterk van educatie voor volwassenen. In 2003 was de gemiddelde deelname 4% (OESO 18%); 1% bij laag opgeleiden en 11% bij HO opgeleiden (OESO laag opgeleid 7%, hoog 31%). Hoog opgeleiden tussen 25 en 65 konden p/j 312 uur educatie verwachten (OESO 669 uur).
Onderwijs infrastructuurDe tabel hieronder beidt info over de onderwijsdeelname in 2006/07 (bij hoger onderwijs 2005/06), de veranderingen t.o.v 2001/02 (+/- in %) en het aantal leerlingen per docent (L per D) in 2006/07.
Deelname van leerlingen/studenten aan particulier onderwijs in 2006/07: kleuterscholen 3%, basisscholen 7,5%, gymnasia 6%, algemeen vormende lyceum 8%, vaklyceum 2% en IEK (Grieks MBO) bijna 40%.
Evaluatie van het onderwijsIn het Griekse onderwijs zijn de gezagsverhoudingen duidelijk (hoge machtsafstand) en de regels streng en eenduidig (erg hoge onzekerheidsvermijding). Dit tezamen met de masculiene en collectivistische cultuur van het land (trots, schaamte en angst voor gezichtsverlies) heeft ertoe bijgedragen dat men bij slechte beoordelingen de vuile was niet buiten hangt. Het publieke onderwijs is in Griekenland goedkoop, maar voornoemde cultuureigenschappen houden het gebruik van voorzieningen soms laag. Deelname aan de dure private voorzieningen geeft veel status. Mede door deze cultuurkenmerken blijft het gebruik van voorzieningen voor etnische minderheden sterk achter. Het is tussen 2003 en 2007 zelfs wat gedaald, terwijl zowel het legale als het illegale volksdeel dat onder een etnische minderheid valt enorm groeide. In het land is in vergelijking met 2001/02 het aantal docenten veel sterker gegroeid dan het aantal leerlingen/ studenten. Omdat er steeds meer werkende moeders komen en de traditionele kinderopvang binnen de familie e.d afneemt zijn steeds meer kleuter en basisscholen langer open voor opvang buiten de lesuren en daar gaat veel extra personeel naar toe. Zo werden in kleuter en basisonderwijs de groepen iets groter, maar in het vervolgonderwijs werden ze kleiner.
In het onderwijs groeit de aandacht voor vreemde talen en men begint er vroeg mee. Sinds 2006/07 wordt reeds op de basisschool les gegeven in een 2e vreemde taal. Dit doorbreekt tevens het schriftisolement (het antieke Griekse alfabet). Griekenland kent een middenschool waardoor leerlingen relatief laat (na de leerplicht) hoeven kiezen voor beroeps of algemeen vormend vervolgonderwijs. Het niveau onder 14 en 15 jarigen was volgens de PISA scores in 2006 naar internationale maatstaven laag. Wel deed men voor het eerst mee aan dit schoolonderzoek. In het vervolgonderwijs na de leerplicht heeft men ruime mogelijkheden ingelast voor leerlingen om eventueel om te schakelen. De deelname aan dit vervolgonderwijs is relatief sterk gegroeid. Het gedeelte 20-24 jarigen met een diploma van een secundaire vervolgopleiding (een beroepskwalificatie) steeg tussen 2000 en 2007 sneller dan in de EU25 (Gr 82,1%: +2,9%: EU 78%, +1,4%) en het aandeel voortijdige schoolverlaters (18 tot 24 jarigen zonder zo'n kwalificatie) daalde relatief sterk en kwam iets onder het EU25 gemiddelde (Gr 14,7% in 2007; -3,5%; EU25 15%, -2,3%). Daarbij rees de belangstelling voor algemeen vormend vervolgonderwijs de pan uit ten koste van beroepsonderwijs. Door de ontwikkelingen is het niveauverschil tussen de generaties naar EU maatstaven erg groot geworden, vooral onder middelbaar opgeleiden (bron Eurostat: the life of women and men in Europe edition 2008 page 99-107). Binnen leerplicht en algemeen vormend vervolgonderwijs is de belasting voor leerlingen en docenten hoog naar EU maatstaven, al staan daar lange zomervakanties tegenover. Wel worden beginnende docenten naar verhouding goed betaald.
In 2006 was het rendement van het onderwijs qua betaald werk onder 25-65 jarigen aan de lage kant naar OESO maatstaven. Wel groeide bij middelbaar en hoger opgeleiden het volksdeel met een baan sneller dan gemiddeld in de 19 EU landen van de OESO. Dit was m.n het geval bij vrouwen, maar die lagen erg ver achter op de EU19 normaal. De achterstand bij laag opgeleide vrouwen bleef groot; mede door traditionele rolpatronen. In 2006 had bij laag geschoolden (geen secundair vervolgonderwijs) 59.5% betaald werk (+2,1% t.o.v 1997; EU19 55.5%: +3,1%) en het werkende deel met secundair vervolgonderwijs lag op 69,7% (+6,4%; EU 75,3%: +2,8%). Het deel met een hoger onderwijsdiploma en een baan bleef net iets onder de EU19 standaard (83,3%; +3,1%: OESO 84,8%, +1,5%). In Griekenland was, omgekeerd aan de EU19 trend, in 2006 de werkloosheid onder laag opgeleiden hoger dan in 1997 (7,2%; +0,7%: EU19 6,1%: -2,4%); onder middelbaar opgeleiden daalde ze minder sterk dan in de EU19 (9,7%; -0,9%; EU19 5,4%: -1,3%) en ook onder hoog opgeleiden was de daling naar verhouding iets geringer dan in deze landengroep (6,1%; -1,2%: EU19 3,7%: -1%).
In Griekenland beoordeelde men het genoten onderwijs in 2003 qua tevredenheid met het cijfer 6,4 (EU25 6,9; Eurlife indicator) en de kwaliteit van het onderwijsstelsel gaf men een 5,4 (bij 3 laagste EU25: EU25 6,3). In 2007 was de laatste beoordeling de laagste binnen de EU25 (5,1: EU25 6,3). Uit Eurobarometer 273/ wave 66.3 TNS opinion & social kwam naar voren dat het volksdeel dat onderwijs eind 2006 tot de 3 grootste punten van zorg rekende boven het EU25 gemiddelde lag (voor zichzelf 17 om 13%; voor de komende generatie 22 om 18%). Het deel dat goed onderwijs tot de 2 beste manieren rekende om verder te komen in het leven was relatief klein (54 om 62%). Eind 2008 waren in het land grootschalige heftige demonstraties van scholieren en studenten.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||