|
Bestaansmiddelen en buitenlandse handel
In 2007 werkte landelijk volgens Eurostat (LFS 2007) naar EU maatstaven een vrijwel gemiddeld aandeel van de Grieken van 15plus in de dienstensector (66%: EU 66,7%); een relatief klein deel in de industrie (22,5 om 27.7%) en een groot deel in de landbouw (11,5 om 5,6%). Tussen april en december 2008 steeg het aandeel geregistreerde werklozen volgens Eurostat van 7,5 naar 7,8% (EU27: van 6,8 naar 7,6%) en in februari 2009 lag het volgens het Griekse CBS (http://www.statistics.gr/Main_eng.asp) op 9,4% (EU27 8,1%). Belangrijke industrie (CIA worldfactbook): toerisme, verwerking van voeding en tabak, textiel, chemicaliën, metaalproducten, mijnbouw, petroleum. Belangrijke landbouwproducten (CIA worldfactbook): tarwe, maïs, gerst, suikerbieten, olijven, tomaten, wijn, tabak, aardappels, rundvlees, zuivel. Griekenland voert al jaren veel meer goederen in dan uit. Het tekort op de handelsbalans lag in 2008 rond €35,7 miljard; €0,7 miljard lager dan in 2006 (-2%). Invoer van goederen 2008 (waarde volgens Eurostat: €52,9 miljard; -5% t.o.v 2007): machines/ transportmiddelen 30,7% (-1% in waarde), chemische producten 15,4% (+6%), voeding en genotsmiddelen 11,3% (+4%), aardolieproducten (brandstof en smeermiddelen) 9,5% (-41%), grondstoffen 3,6% (+4%). Invoerpartners: EU27 landen 62,4% in 2008 (EU 64%; bron Eurostat). Duitsland 12,9%; Italië 11,7%, Rusland 5,6%; Frankrijk 5,6%, China 5%, Nederland 5% in 2007 (bron: CIA worldfactbook). Uitvoer goederen 2008 (waarde €17,16 miljard; -0,3%): voeding en genotsmiddelen 19% (+7%), machines/ transportmiddelen 14,1% (+5%), chemicaliën 13,2% (-4%), aardolieproducten 10,7% (-12%), grondstoffen 6,1% (-3%). Uitvoerpartners: EU27 landen 63,9% in 2008 (EU 68,1%). Duitstand 11,6%; Italië 10,8%, Cyprus 6,6%; Bulgarije 6,5%; VK 5,5%, Roemenië 4,5%; Frankrijk 4,2%: VS 4,2% in 2007.
Infrastructuur en vervoer
In 2005 droeg volgens de EVD de sector vervoer en communicatie 9% bij aan het Griekse BBP. Het passagiersvervoer over land groeide tussen 2000 en 2007 met 1,6% in omzet (EU15 -6,9%). Vervoersinfrastructuur 2007: 66 vliegvelden met verharde landingsbanen. In 2006 verwerkten de Griekse vliegvelden 34,8 miljoen passagiers (+6%; NL 50,5 miljoen; +4%) en in 2007 103 miljoen ton vracht (-4%; bron Eurostat; NL 1,7 miljard ton; +5%). Het Griekse CBS telde in dat jaar 38,7 miljoen passagiers en bijna 429.500 vliegbewegingen (bron http://www.statistics.gr/Main_eng.asp: concise statistical yearbook). Qua passagiers hadden de vliegvelden van Athene (40%), Heraklion op Kreta (14%), Thessaloniki (10%) en Rhodos 9% het grootste aandeel. In 2001 is bij Spata ten zuidoosten van Athene een nieuw internationale luchthaven geopend die vernoemd is naar Elefthérios Venizélos en ook op Kreta is een groter vliegveld gekomen. In 2006 beschikte Griekenland over 2571 km spoorweg (764 km geëlektrificeerd). In 2007 lag volgens Eurostat (transport) het goederenvervoer op 4,9 miljard ton (+26%) en werden per spoor 1,93 miljard reizigerskilometers afgelegd (+7%). Van de landvracht en passagiers ging naar EU maatstaven een klein deel over het spoor (landvracht 2,9%; EU27 17,9%: NL 4,2%; BE 13,2%; passagiers 1,9% in 2007; 3% in 1996, -1,1%; EU15 7,1%; NL 9,5%, +1%; BE 6,7%, +0,6%). In de spoorweg infrastructuur zijn recentelijk belangrijke verbeteringen aangebracht.
In 2006 telde men in Griekenland 117.633 km landweg (incl. 880 km snelweg). Van de vracht (gemeten in km ton) gaat naar EU maatstaven een erg groot deel over de weg (97,1% in 2007: EU27 76,5%; NL 61,4%, BE 71%; bron Eurostat). In 2007 werd 484,7 miljard km ton vracht over de weg vervoerd (-5%). In 2004 reden per 100 inwoners 35 auto's rond met een Grieks kenteken (kleinste aandeel EU15; EU15 49). Wel nam het aantal auto's tussen 2004 en 2007 met 18% toe naar 4,8 miljoen. Het deel van het passagiersvervoer dat met de auto ging is relatief klein, maar groeide na 1996 sterk, terwijl het in de EU15, NL en BE vrijwel gelijk bleef (in 2007: 77%; +14,5%; EU15 84%; NL 87%, BE 80%). Het aandeel van bussen qua vervoer van passagiers is in Griekenland nog het grootste binnen de EU15, maar zakte flink (21,2%; -13,5%; EU15 8,7%; NL 3,8%, laagste EU27, in 1996 nog 5,1%; BE 13,3%). Er is en wordt hard gewerkt aan verbetering van de weginfrastructuur met als grote projecten de Egnatia snelweg tussen de Adriatische havenstad Igoumenitsa en de Turkse grens die de reistijd met de helft bekort en de PATHE snelweg van de zuidelijke havenstad Patras naar de Bulgaarse grens in het noorden. De in 2005 gereed gekomen, aardbeving bestendige en ook nog erg mooie Rion Antirion hangbrug over de golf van Korinthe maakt er onderdeel van uit. Met 2250m is de brug de langste in zijn soort ter wereld en de bouw ervan geldt als een technische wereldtopprestatie waar de Grieken apetrots op zijn.
Het kanaal van Korinthe is met haar 6 km vrijwel de enige bevaarbare binnenlandse waterweg. In 2007 verwerkten Griekse zeehavens 164,3 miljard ton goederen (NL 507 miljard; hoogste EU27 na het VK; BE 236 miljard). In 2005 waren de drukste havens qua gewicht aan goederen Volos in Thessalië aan de Aegeïsche zee, Elefsina in Attica (van de mysteriën van Eleusis; m.n om te laden), Piraeus bij Athene, Thessaloniki en Larymna niet ver van Volos. Griekenland heeft de grootste handelsvloot ter wereld aan schepen boven 1000 ton BRT. In 2008 telde ze 896 eigen schepen onder eigen vlag, 64 buitenlandse schepen onder Griekse vlag en 2357 Griekse schepen onder buitenlandse vlag (CIA worldfactbook). Het passagiersvervoer over zee wisselt sterk per jaar, maar behoort dankzij de vele eilanden wel bij de EU top. In 2006 betrof het 45 miljoen passagiers, in 2000 slechts 14,2 miljoen in het topjaar 2005 70 miljoen. Piraeus is de drukste veerhaven ter wereld (21,5 miljoen passagiers in 2007). Het lokale veer van Perama (vlakbij Piraeus) naar het 2 km verderop gelegen Paloukia op het eiland Salamis verwerkt rond 12 miljoen dagjes en weekendgasten uit Athene e.o p/j. In 2004 zijn de veerdiensten opengesteld voor buitenlandse concurrentie. Mobiele telefoondichtheid 2006: 98% (EU27 106%). Internetdichtheid 2008: huishoudens 31% (laagste EU15: EU27 60%), bedrijven met 10 of meer personeelsleden 89% (EU27 93%).
Economie
De Grieken zijn vanouds een volk van boeren en vissers, maar vanaf 1965 zijn de industrie en de dienstensector (m.n. via het toerisme) opgekomen. Thans zijn toerisme, industrie, landbouw en scheepvaart hoofdpijlers van de Griekse economie. Enkele opvallende kenmerken daarvan zijn de grote informele sector (geschatte waarde: 30% BBP), het grote aandeel kleine familiebedrijfjes in alle sectoren en de belangrijke rol van de publieke sector. De overheid heeft belangen in tweederde van de industrie. Telecom en nutsbedrijven, openbaar vervoer, media, het bankwezen, mijnen, raffinaderijen, scheepswerven en andere grote industrietakken zijn geheel of gedeeltelijk in handen van de staat. Door de inefficiëntie waarmee één en ander gepaard gaat is de productiviteit per mensuur gering. Wel steeg ze tussen 1995 en 2004 van 57 naar 71% van het EU gemiddelde. Vanwege de economische ontwikkelingen mocht het land in 2001 toetreden tot de EMU. In 2005 lag zowel de groei van het BNP (3,5%, EU 1,7%) als de inflatie (3,5%, EU 2,2%) en de staatsschuld (108% van het BNP, EU 63%) boven het EU gemiddelde. Door creatief boekhouden heeft men het financieringstekort van de overheid lang onder de 3% weten te houden, maar sinds 2004 is dit gecorrigeerd. Het gecorrigeerde tekort had in 2004 een piek bereikt van 7,8%, maar in 2005 lag het weer op 5,2% (EU 2,3%; EU Zalmnorm 3%). De economische groei is vooral te danken aan buitenlandse investeringen en EU subsidies (3,3% van het BBP in 2003) en een beleid van loonmatiging en geleidelijke privatisering. Buitenlandse investeringen vonden rond 2005 bijv. plaats in de financiële sector, bouw, scheepsbouw en scheepvaart (veerdiensten). De laatste jaren is veel EU geld gestoken in verbetering van de infrastructuur. Doordat de ingevoerde artikelen (veel dure kapitaalgoederen voor grote projecten) al jarenlang veel meer waard zijn dan de uitvoer (veel landbouwproducten) kent het land een chronisch tekort op de handelsbalans. De werkloosheid daalde tussen 1999 en 2003 van 12 naar ruim 9%, maar lag in 2005 weer rond 10% (EU25: rond 9%).
Ontwikkelingen vanaf 2007
De waarde van het Griekse BBP tegen marktprijzen (met vereffening van koopkracht) lag in 2007 op €264,4 miljard en werd voor 2008 geschat op €272,4 miljard (+3%; EU15 -0%, EU27 +1%; bron Eurostat). De economische groei over 2007 en 2008 lag boven het EU27 gemiddelde (2007 4%, EU27 2,9%; 2008 2,9 om 0,9%) en de verwachte daling voor 2009 is relatief gering (-0,9%, EU15/27: -4%). Voor 2008 werd het BBP per hoofd geschat op €24.200, rond 87% van het EU15 gemiddelde en rond 96% van de EU27 normaal. In 2008 lagen in vergelijking met het BBP de inkomsten van de overheid verder onder het EU gemiddelde dan de uitgaven (inkomsten 40% BBP, EU27 45%: uitgaven 44,9 om 45,8% BBP), maar de uitgaven van huishoudens en stichtingen liggen daar ver boven (71,2% BBP, hoogste EU: EU27 57,5%; Eurolanden 56,5%). In het 3e en 4e kwartaal van 2008 zakten de private consumptie uitgaven relatief sterk (-0,8%, EU +0,1%), maar in het 4e kwartaal werd dit verlies licht gecompenseerd (+0,2%) bij een kleine daling in de Eu (-0,3%). De overheid gaf in dat kwartaal 1,7% meer uit dan een jaar tevoren; vrijwel gelijk aan het EU gemiddelde (Eurolanden +1,4%; EU27 +1,8%). Tussen 1997 en 2008 lag de inflatie ieder jaar boven de Eu normaal (4,2 om 3,7% in 2008; Eurolanden 3,3%). Wel daalt ze de laatste tijd sneller dan gemiddeld in de EU zodat ze wellicht onder de Eu normaal komt. Tussen mei 2008 en april 2009 schommelenden de consumentenprijzen wat (alle items) en al met al kwamen ze slechts een fractie hoger uit (+0,5%). Het begrotingstekort lag ook in 2007 en 2008 boven de Zalmnorm en flink boven het Eurolanden gemiddelde (2007: 3,6% om 0,6% tekort; 2008 5 om 1,9% tekort). De overheidsschuld was in 2008 met 97,6% van het BBP (+2,8% t.o.v 2007) de hoogste binnen de EU na die van Italië (EU27 61,5%, Eurozone 69,6%). Doordat in 2008 de waarde van de invoer sterker daalde dan die van de uitvoer (5 om 0,3%), nam het tekort op de handelsbalans wat af.
De bruto binnenlandse investeringen (overheid +privaat) lagen in 2008 met 19,1% van het BBP iets onder de EU standaard (EU27 21,3%; Eurostat). Het zakelijk aandeel daarin was in 2007 aan de grote kant naar EU27 maatstaven (19,5 om 18,7%). Volgens de Griekse overheid ( http://www.investingreece.gov.gr/ Greece today, why Greece, foreign direct investment) lagen de netto directe buitenlandse investeringen (FDI) in 2007 op €1,4 miljard en in 2008 op €3,47 miljard. Tussen 2005 en 2007 was qua bruto bedragen Frankrijk de grootste investeerder (€3,8 miljard), gevolgd door Duitsland (€3,4 m), het VK (€2 m), België/ Luxemburg (€1,15 m), Italië (€0,84 m) en NL (€0,74 m). Van het totaal van €14,77 miljard kreeg de dienstensector 76% binnen (financiële bemiddeling ruim 30%, post telecom 19%, toerisme slechts 3,5%) en industrie, bouw en energie 24%. Volgens de OESO bedroegen de Griekse investeringen buiten eigen land in 2006 $4,2 miljard en in 2007 $5,3 miljard (+28%). De Griekse banken hebben veel geïnvesteerd in Turkije, de balkan, Rusland en Oekraïne. Het CIA worldfactbook wist te melden dat in 2008 de waarde van buitenlandse investeringen in Griekenland op $55,2 miljard en die van Griekse investeringen elders op $25,3 miljard lag.
In 2007 groeide de Griekse werkgelegenheid minder dan in de Eurolanden (1,2 om 1,8%), maar in 2008 sterker (1,2 om 0,8%). In 2008 zakte het aandeel vacatures van 2,2% van het aantal bezette banen in het 1e kwartaal naar 0,8% in het 4e kwartaal. De daling was sterker dan in de Eurolanden (van 2,1 naar 1,8%). De werkloosheid (Eurolanden 8,9% in maart 2009, Griekenland 7,8% eind 2008) leek t/m het eerste kwartaal van 2009 wat minder te stijgen dan in de Eurolanden. Griekenland kent een hoge jeugdwerkloosheid en een lage werkgelegenheid onder vrouwen. De regiospreiding in werkloosheid was naar EU maatstaven klein (3,5% in 2007 volgens Eurostat; EU27 11,1%: Eurozone 10,8%), maar de regioverschillen in welvaart en ontwikkeling zijn groot. In Griekenland verloopt m.n door arbeidsonrust de groei van de arbeidskosten grillig, maar sterker dan gemiddeld in de EU en de eurozone. In het 4e kwartaal van 2008 ging het om een toename van maar liefst 22,4% ten opzichte van een jaar eerder (grootste stijging EU, Eurozone +3,8%; EU27 +4,6%). Per gewerkt uur bleef de arbeidsproductiviteit in 2006 laag naar EU maatstaven (69,4% van het Eu15 gemiddelde). De kostenbaten analyse van arbeid werd in 2008 iets gunstiger, meer dan in de eurozone (+2,2%; Eurozone +0,9%).
De huidige regering wil staatssubsidies afbouwen en investeren in MKB, publieke voorzieningen, regio en infrastructuur. Voor regio en infrastructuur krijgt men nog steeds veel EU geld (jaarlijks rond 4% van het BBP), al overschreden na de recente EU uitbreidingen meer regio de geldende grens van een BBP op 75% van het EU gemiddelde. De witte publieke sector is met 45% van de economische activiteit erg groot. Plannen van de regering, die over een minieme parlementaire meerderheid beschikt, in de sfeer van privatisering van staatsbedrijven (m.n banken en de telecom), sanering van het ambtenarenapparaat en hervorming van onderwijs en zorg vinden vanwege gesjoemel en protesten moeilijk ingang. In december 2008 en januari 2009 droeg de kredietcrisis bij aan grootschalige stakingen en heftige protesten tegen de zittende rechtse regering en de corruptie. Onder deze druk verving premier Kostas Karamanlis de ministers van Economie en financiën en van ontwikkeling die bezuinigingen wilden doorvoeren om de staatsschuld te verkleinen. In oktober 2008 stelde de regering als kredietcrisis maatregel een 3 jaar lange garantie tot €100.000 in op spaarrekeningen (ver boven de Eu garantie van €50.000 voor één jaar), Ook werd de zelfstandigenaftrek van €9500 voor 2008 voor vrije beroepen opgeheven. Hierdoor moet de helft van de 900.000 zelfstandigen gemiddeld €1000 meer belasting betalen.
Vertrouwen in de economie in 2008 en begin 2009
In mei 2008 was qua vertrouwen in de economie het aanvangsniveau in Griekenland iets lager dan in de EU27 en de daling was in het jaar nadien een stuk heftiger. Wel leek het dieptepunt bereikt, want in april 2009 was bij de meeste indicatoren sprake van stilstand of een licht herstel; zowel in de EU als in Griekenland. Op de door Eurostat gehanteerde ESI (Economic sentiment indicator); een uit de 5 indicatoren vertrouwen in de industrie, diensten, bouw en detailhandel en consumentenvertrouwen samengestelde index; zakte men tussen mei 2008 en maart 2009 met 51% (van 6% onder het gemiddelde niveau van 1990 t/m 2007 naar bijna 57% daaronder). terwijl in de EU27 de daling veel kleiner was (ruim 34%; van 1,5% naar 36% onder dit normniveau). Zowel in Griekenland als in de Eu trad in april een licht herstel op (Gr +5,3%: EU +3,5%). In mei 2008 waren onder de industriëlen van de Eu 3% meer pessimisten dan optimisten, maar in april 2009 overtrof het Griekse pessimistisch gestemde contingent het optimistische met 36% (-33%). Onder Griekse industriëlen was de ontwikkeling vergelijkbaar. Het surplus aan pessimisten ging hier van 2% naar 35% (-33%). In april trad zowel in de EU als in Griekenland een licht herstel op (Gr +4%, EU +3%). In de bouwsector steeg het overwicht aan pessimisten in de EU van 11 naar 38% (-27%), maar in het Griekenland ging het van 9 naar 45% (-36%; echter +0,5% t.o.v maart 2009). Binnen de Griekse detailhandel was de daling spectaculair; van 27% meer optimisten dan pessimisten in mei 2008 naar 35% meer pessimisten in april 2009 (-62%: wel +2% t.o.v maart). In de EU voltrok zich een daling van 2,5% naar 20,5% meer pessimisten (-20%, met in april 1% herstel). In de dienstensector veranderde in de Eu een overschot van 6% aan optimisten in een surplus aan pessimisten van 30% (-36%, met in april 1% herstel). In Griekenland ging de daling van 22% meer optimisten naar 19% meer pessimisten (-41%). Qua consumenten vertrouwen ging in de EU het overschot aan pessimisten van 14 naar 27% (-13% met 3% herstel in april). In Griekenland was het aanvangsniveau hier een stuk lager (44% meer pessimisten). In oktober 2008 bereikte het een dieptepunt van 57% (-14%) en t/m maart 2009 bleef het rond 55% hangen. In april 2009 lag het surplus nog op 50% (+5%; -9% in een jaar).
Economische sectoren
Ondanks de sterke afname (47% in 1965; 11,5% in 2007) is het aandeel van de beroepsbevolking in de landbouw, bosbouw en visserij het grootste binnen de EU (EU 5,6%). De bijdrage aan het BNP is vanwege inefficiëntie (860.000 bedrijven van gemiddeld 3,5 ha rond 2003) echter aanzienlijk kleiner en ze zakte tussen 2005 en 2008 van 5,1 naar 3,3% (EU27 van 1,9% naar 1,8%). De sector profiteert sterk van Europese landbouwsubsidies. Het aandeel bedrijven met nevenactiviteiten buiten de landbouw behoorde in 2007 nog tot de kleinste binnen de EU (1,4%, EU27 9,9%). Griekenland is de grootste producent ter wereld van krenten en perziken (in blik). Andere belangrijke producten zijn katoen (7e producent ter wereld in 2003/04), tarwe, aardappelen, maïs, tabak, suiker, olijven, druiven, diverse mediterrane vruchten en groenten en tomaten. De viskwekerij is een recente groeifactor. In 2003 leverde ze al bijna net zoveel op als de hele vissersvloot en de helft van alle Europese gekweekte zeevis kwam toen uit Griekenland. In 2007 was men met 113.000 ton de 5e producent van zeevoedsel uit kwekerijen binnen de EU27 (bron Eurostat). Het meeste rundvlees en zuivel wordt ingevoerd, veel vanuit Nederland. In 2007 was 6,9% van het landbouwoppervlak in gebruik voor biologische landbouw (EU15 4,7%; NL 2,5%).
Het aandeel van mijnbouw, bouw, industrie en nutsvoorzieningen qua werk ging tussen 2005 en 2007 van 22 naar 22,5%. In 2008 lag de bijdrage aan het BBP op 19,7% (-0,5% t.o.v 2005). Die van mijnbouw, industrie en energie bedroeg tussen 2000 en 2008 ruim 13% (13,6% in 2008; bron Eurostat) waarmee ze behoort tot de laagste binnen de EU27. Die van de bouw bewoog tussen 2000 en 2007 tussen 7 en 8,2%, maar in 2008 lag ze op 6,1%; iets onder het Eu gemiddelde. Volgens de EVD daalde de bijdrage van de bouw aan het BBP tussen 2004 en 2007 van 16,1 naar 13%, incl. de infrastructuur waarvan de bijdrage aan het BBP van 6,2 naar 5,2% ging. Tussen oktober 2008 en maart 2009 zakte de industriële productie buiten de bouw van 1% boven het niveau van 2005 naar ruim 7% daaronder; naar EU maatstaven een geringe teruggang. De omzet daalde echter sterker dan in de EU, van 32% boven het niveau van 2005 naar rond dat niveau (-32%, Eu -24%). In 2007 kromp de bouw met 9% en een omineus voorteken is dat van 2007 op 2008 de werkgelegenheid in de industriesector als geheel meer dan 2 keer zo sterk zakte dan gemiddeld in de EU en dat ze in de bouw nog iets sterker onderuit ging (industrie van 1,02 miljoen naar 748.000; -25%, EU27 -11%; bouw van 395.000 naar 287.000: -28%; bron eurostat). De orderpositie van de industrie zakte iets sterker dan gemiddeld in de EU27 (tussen april 2008 en februari 2009 van 25% boven het niveau van 2005 naar 20% onder dat niveau: -45%; EU -40%). De tabel hieronder biedt op basis van de cijfers van Eurostat info over omzet in miljard €, toegevoegde waarde (Toe wa, miljard €) en werkgelegenheid in de industriële deelsectoren in 2006 en de veranderingen t.o.v 2005 (+/- in %).
|
Deelsector
|
Omzet
|
+/-
|
Toe wa
|
+/-
|
Banen
|
+/-
|
|
Industrie
|
55,4 m
|
+15
|
15,9 m
|
+11
|
400.000
|
+3
|
|
Bouw
|
16,4 m
|
+5
|
6,4 m
|
+9
|
309.000
|
+0
|
|
Energiesector
|
5,4 m
|
+11
|
2,7 m
|
-17
|
24.000
|
-2
|
|
mijnbouw
|
1,7 m
|
+2
|
0,9 m
|
+10
|
13.000
|
+10
|
|
Totalen 2006
|
88,9 m
|
-
|
25,9 m
|
-
|
746.000
|
-
|
De Griekse industriesector wordt vanouds gekenmerkt door ambachtelijkheid en veel kleinschalige familiebedrijven. In 2004 had 88% van alle bedrijven minder dan 10 werknemers (EU27 maakindustrie 14%, bouw 43% in 2005) en 1,8% meer dan 500. Van de bedrijven zat toen 36% rond Athene en 12% rond Thessaloniki en Patras en Volos waren sterk in opkomst. Qua productiewaarde had de voedingsindustrie het hoofdaandeel (22%; +6,5% in 2007: toegevoegde waarde 26% in 2004; m.n mineraalwater, diervoeding, gepasteuriseerde melk en fruitconserven), gevolgd door olie, kolen en cementindustrie (16%, +12%; TW 6%), basismetalen (13%, +5%; TW 8%), chemicaliën (7%, +3%: 8%; kunstmest, plastic verpakking), drukkerijen en uitgeverijen (4%, +20%; 2,5%), metaalindustrie (4%, +0%; 4,5%), textielindustrie (3,5%, -20%: 4,5%) en transportindustrie buiten motorvoertuigen (scheepsbouw, vliegtuigbouw etc 3, +3%; 5,5% belangrijke spelers: Hellenic Aerospace Industry EAB; Neorion Holdings SA en Hellenic Shipyards Co met Stavros Niarchos als oprichter, thans onderdeel van het Duitse Thyssen Krupp). Pitsos Ltd in Athene (nu onderdeel van de Duitse BSH groep) is een grote producent van witgoed. Veel textielindustrie is de afgelopen jaren verplaatst naar goedkopere Balkanlanden. In 2007 groeide de productie van medische en precisie-instrumenten het sterkst (0,3%; +75%; 0,3%). De bouw maakte tot in 2007 een bloeitijd door, voor 2004 door de voorbereiding op de Olympische spelen en daarna door infrastructurele projecten met Eu steun. Deze moeten bijv bijdragen aan de ontsluiting van het noorden. In veel bouwprojecten kregen bedrijven de mogelijkheid om zelf de investering terug te verdienen, bijv door tolheffing. De belangrijkste Griekse spelers zijn Aktor SA, Terna, J & P group en Alte SA (bron EVD).
In 2007 leverde de dienstensector 66% van de banen op (EU 66,7%) met een relatief groot aandeel van de commerciële dienstverlening (60%, Eu 55%). De bijdrage van de sector aan het BBP is relatief groot en steeg tussen 2000 en 2008 met 4,5% naar 76,9% (EU 71,7%: +5,4%). Deze grote bijdrage komt m.n op het conto van handel, vervoer en communicatie (33,1%, +3%; grootste aandeel EU27; EU 21,1%: -0,5%). Het aandeel van de zakelijk financiële dienstverlening was relatief klein (19,9%; -0,75: EU; EU 28,2%; +2,2%), maar de bijdrage van de overige dienstverlening steeg sterker dan in de EU en kwam boven het EU gemiddelde (23,9%: +2,2%: Eu 22,4%, +0,3%). De tabel hieronder geeft info over de omzetten en toegevoegde waarden (Toe wa) in miljarden €, aantallen werknemers (in miljoenen) en veranderingen binnen de subsectoren groot en detailhandel en reparatie (GDR), hotels en restaurants (HORE), vervoer, opslag en communicatie (VOC) en onroerend goed, verhuur en zakenactiviteiten (OVZ). Daarbij staat +/- in % voor de verandering t.o.v 2005.
|
|
EU27 2006
|
Griekenland 2006
|
|
GDR
|
HORE
|
VOC
|
OVZ
|
GDR
|
HORE
|
VOC
|
OVZ
|
|
Omzet
|
820
|
434
|
1742
|
2397
|
156
|
9,5
|
21,8
|
22,4
|
|
+/- in %
|
+7
|
+8
|
+6
|
+4
|
+7
|
+8
|
+9
|
+5
|
|
Toe wa
|
110
|
182
|
653
|
1202
|
22
|
3,5
|
9,2
|
8,8
|
|
+/- in %
|
+8
|
+9
|
+4
|
+3
|
+15
|
+9
|
-4
|
+5
|
|
Banen
|
31,7
|
9,3
|
12
|
26
|
1,0
|
0,3
|
0,24
|
0,34
|
|
+/- in %
|
+2
|
+5
|
+0
|
+7
|
+3
|
+8
|
-4
|
+17
|
Het grote aandeel van de transportsector komt mede door de Griekse handelsvloot die een kwart van de maritieme wereldhandel en 23% van de tankervloot in handen heeft. Tot de groten in de branche behoren Danaos Corp en Euroseas (containerschepen) en de OSG groep en Tsakos Energy Navigation TEN (olietankers). Onder de legendarische en puissant rijke Griekse reders van de 20e eeuw vallen Aristoteles Onassis, Stavros Niarchos en Yiannis Latsis. Hun nazaten vormen ook nu nog een dankbaar onderwerp in de roddelpers. In 2006 droeg de handelsvloot 4,5% bij aan het BBP en 4% aan de werkgelegenheid. Griekenland heeft een apart ministerie van transport en communicatie. Na een terugslag groeide in 2005 ook het toerisme weer met ruim 10%. In 2009 was de sector naar schatting goed voor 7,4% van het BBP en 10,4% van de banen (met de uitstraling over de rest van de economie meegerekend: 16,2 en 19,6%). In de 80er jaren telde Griekenland maar liefst 1 winkel op 13 huishoudens. Ook nu nog is de Griekse detailhandel aanzienlijk en ze groeit flink; m.n fastfood, merkkleding en auto-onderdelen. De Grieken kochten t/m 2007 steeds meer op krediet. Grote ketens als Elmec sport SA, Sprider, Electroniki en Public (boeken en muziek) openen vestigingen in Bulgarije en Roemenië en bekende buitenlandse ketens doen hetzelfde in Griekenland.
Griekenland en Nederland
Tussen 2006 en 2008 was Nederland 6e importpartner van Griekenland. In 2006 bedroeg de waarde €2,5 miljard. Men voerde m.n machines en transportmateriaal (32% in 2006; vooral ICT benodigdheden) en landbouwproducten (29%, m.n voeding, levende dieren en vleesproducten) in uit Nederland. De export naar Nederland is aanzienlijk geringer en was in 2006 €338 miljoen waard (+2%; voedingsmiddelen 21%, chemicaliën 19%). Tussen 2005 en 2007 was Nederland ook 6e investeerder in Griekenland (waarde €740 miljoen). Voor de kredietcrisis zag de EVD bouw, infrastructuur en transport; de ICT sector, de milieusector en het toerisme als kansrijk voor het Nederlandse bedrijfsleven. Daarbij werd samenwerking met het Griekse bedrijfsleven sterk aangeraden (zie ook de EVD landenwebsite http://www.evd.nl/home/landen/ Griekenland).
Arbeidsmarkt en beroepssectoren
Volgens Eurostat (labour market latest trends 3rd quarter 2008 en EU LFS survey 2007) was in het 3e kwartaal van 2008 van de 7,3 miljoen inwoners van Griekenland tussen 15 en 65 jaar (beroepsbevolking) 67% (4,86 miljoen) als werknemer of werkzoekende actief op de arbeidsmarkt (EU27 71,3%). De rest was scholier/ student, zelfstandig, huisvrouw, afgekeurd, pensionado of rentenier. Daarvan verrichten 4,5 miljoen (62,2%) betaald werk in loondienst (los van het aantal uren; EU 66,4%). Van het loondienstige volksdeel in Griekenland had slechts 5,4% (0,25 miljoen; laagste EU na Slowakije: EU 18,2%) een deeltijdbaan; 2,7% van de mannen en 9,7% van de vrouwen (EU m 7,7%, v 30,5%). Het gemiddelde aantal gewerkte uren per persoon p/w kwam daarmee op 42,3 uur (hoogste EU: m 44,1u, v 39,4u; EU 38u; m 41,4u, v 34,1u). In 2007 werkten Griekse voltijdwerkers gemiddeld 40,6 uur en deeltijdwerkers 20,3u (EU 40,5 en 20,2 uur). In CAO's was volgens http://www.eurofound.europa.eu/ (eiro/annual reports, latest studies) een werkweek van 40 uur norm (EU27: 38,6) en de maximaal toegestane werkweek lag op 48 u (NL ook 48u, België 38u). Het aandeel werknemers met een tijdelijk contract (uitzendbureaus, stagiaires etc) lag iets onder de EU27 normaal (3e kwartaal 2008: 12,2%; m 10,5%, v 14,5%; EU 14,2%, m 13,6%, v 15%). In 2008 had 3,4% van de werknemers een bijbaantje (155.200 in getal; +10%; Eu27 4,5%, +2%). Volgens Eurostat lag het aandeel zelfstandigen (financiële sector niet meegerekend) in 2005 op 31,9% (hoogste EU25: 4,4 miljoen in getal; EU: 16%). Voor 2007 kwam eurofound (zie de link hierboven) zelfs op 35,7% zelfstandigen (zzp, werkgever, familiebedrijf; EU27 16,9%). Dit was 1% minder dan in 2004 (EU -0,2%).
In 2008 werkte van de 55plussers onder de beroepsbevolking 42,8% nog (+3,8% t.o.v 2000; EU27 45,6%; +8,7%; EU streefdoel 50%). In 2007 was de gemiddelde leeftijd waarop men stopt met werken 61 jaar (EU 61,2 jaar); in 2002 nog 61,3 jaar (EU 60,1). Eind 2006 lag in Griekenland het aandeel voorstanders van langer werken om het pensioenstelsel betaalbaar te houden flink onder het EU gemiddelde (6%, laagste EU25, EU 22%). Het gedeelte dat pensioenleeftijd handhaven en sociale bijdragen verhogen koos was iets boven gemiddeld (35 om 32%) en het deel voorstanders van pensioenleeftijd handhaven en minder krijgen lag daar iets onder (11 om 12%). Het aandeel dat de optie geen van de 3 koos was veruit het grootst binnen de Eu (42 om 19%). Verder koos 6% voor een combinatie van de 3 (EU 6%) en Griekenland was het enige EU land waar het deel dat het niet wist afwezig was (0 om 8%).
T/m mei 2009 was de Griekse overheid niet erg scheutig naar Eurostat toe met info over de werkloosheid in 2009. Tussen mei en december 2008 zag het plaatje er in elk geval nog rooskleurig uit. Het aantal geregistreerde werkzoekenden steeg toen van 370.000 naar 387.000 en het aandeel in de actieve beroepsbevolking ging van 7,5 naar 7,8% (EU27 van 6,8 naar 8,2%). De werkloosheid onder vrouwen is in Griekenland opvallend veel groter dan onder mannen (11,5 om 5,2 in december 08; EU27 7,8 om 7,4%). Tussen 2000 en 2007 zakte landelijk het gedeelte langdurig werklozen (langer dan een jaar) van 6,2 naar 3,6% (EU van 4 naar 2,6%). In 2008 stond van de 15-25 jarigen nog 22,1% (EU 15,4%) ingeschreven als werkloos. Deze werkloosheid is na 2000 flink gedaald (-7%; EU27 -1,9%). In 2007 telde Griekenland naar EU maatstaven qua hoofdwerkers weinig hoog geschoolden (33,6 om 38,3%) en een iets boven gemiddeld aandeel laag geschoolden (25,5 om 24,4%). Qua handwerkers lag het aandeel goed geschoolden boven de Eu normaal (34,2 om 27,4%) en het aandeel laaggeschoolden lag daar onder (6,7 om 9,9%). In de dienstensector lag het gedeelte commerciële dienstverleningsberoepen boven de EU normaal (60 om 55%).
Arbeidsmoraal, arbeid en inkomensverhoudingen
De arbeidsverhoudingen zijn in Griekenland vaak hiërarchisch en veel werknemers willen duidelijke instructies hebben. Ook nemen ze dan weinig eigen initiatief. Veel Grieken zijn maar matig tevreden met hun werk. Toch veranderen ze weinig van baan. Onder degenen die hetzelfde werk waren blijven doen of aangaven geen ander werk te gaan zoeken was het deel dat tevreden was met de huidige baan klein naar EU maatstaven (respectievelijk 50 om 69% en 60 om 75% in 2001). Relatief velen hadden zonder succes gesolliciteerd (11 om 5%) of beschikten naar eigen oordeel niet over de juiste vaardigheden (10 om 6%). Toch behoorde het deel van de werknemers dat dacht nieuwe vaardigheden nodig te hebben om de eigen perspectieven te verbeteren (50 om 62%) of dat in het jaar voor de vraagstelling een door de baas betaalde training had gevolgd (20 om 40%) tot de kleinste binnen de EU15. In 2001 had 21% (laagste EU15, EU15 29%) in de 5 jaar voorafgaande aan de vraagstelling ander werk gekregen. Wie van baan veranderde of wilde veranderen koos of zocht naar verhouding vaak iets totaal anders. Ook was onder de baanveranderaars de groep duizendpoten./ 12 ambachten 13 ongelukken groot. Bij de groep die van baan was veranderd scoorden naar Eu maatstaf werkomstandigheden (45 om 29%) en betaling (44 om 35%) als motief hoog en persoonlijke bevrediging (21 om 35%) laag. Meer sociale erkenning als reden scoorde laag bij de groep die van baan was veranderd (4 om 9%), maar hoog bij de groep die zou willen veranderen (22 om 17%). Voor de laatste groep was sneller op het werk ook een veel voorkomend motief (22%, hoogste EU15, EU 12%). In Griekenland was eind 2006 het volksdeel dat werk belangrijk vindt relatief klein (79%; EU25 84%: NL 81% eind 2006). Zowel het deel dat vond dat vrije tijd belangrijker gevonden hoort te worden dan werk (66%: 3e EU: EU 48%; NL 43%) als het deel dat de wat naïeve Amerikaanse droom onderschrijft van hard werken als manier om vooruit te komen was toen relatief groot in Griekenland (57%, EU 45%, NL 36%).
|
Vooral in de zomer sluiten veel zelfstandigen de zaak 's middags een paar uur voor een eetpauze en een siësta.
|
In Griekenland zakte tussen 1995/96 en 2005/06 het vakbond lidmaatschap iets sterker dan gemiddeld in de EU (van 37 naar 28%; EU15: van 35 naar 30%; bron http://www.eurofound.europa.eu/ eiro/annual reports/). Het aantal werknemers dat werkgevers in een jaar mogen ontslaan hangt af van de personeelsgrootte. Bedrijven met meer dan 200 man personeel mogen bijv. per maand 2% van hun personeel laten afvloeien. Vakbonden hebben een belangrijke rol bij loononderhandelingen. Waarschuwingsstakingen van 1 dag om eisen kracht bij te zetten zijn daarbij een populair middel. In Griekenland wordt veel gestaakt, maar betrouwbare gegevens ontbreken vaak omdat m.n de regering zijn gezicht niet wil verliezen. In 2007 telde het ministerie van werkgelegenheid t/m eind november 5 grote stakingen met 115.000 deelnemers waarbij 536.000 werknemers waren betrokken en bijna een miljoen arbeidsuren verloren gingen. In december volgde een nog veel grotere staking die buiten het jaarverslag werd gehouden. Redenen om te staken waren in 2007 de ambtenaren salarissen en geplande hervorming van de sociale zekerheid. In 2006 stegen (met inflatiecorrectie) de Griekse CAO lonen met 2,6% (EU15 0,9%) en in 2007 met 1,2 (EU15 +0,4%, EU27 +2,3%). Officieel mogen in Griekenland kinderen tot 16 niet en jongeren tot 18 beperkt werken. Mede door het traditioneel grote aandeel zelfstandigen hoort bij het waarden en normenstelsel echter dat kinderen meehelpen in het familiebedrijf.
De globale brutolonen in voltijd p/m bedroegen in 2006 voor laaggeschoold handwerk in de dienstverlening €1100. In kleinhandel, catering en bediening en in de agrarische sector lagen ze rond €1150, een kantoorklerk kreeg ruim €1300, ambachtelijke beroepen en geschoolde productiemedewerkers €1550, technische specialisten rond €1700, hooggeschoolde vakmensen rond €2100 en managers en hoge ambtenaren rond €3300. De arbeidskosten per uur lagen in 2007 landelijk iets onder €16 (EU15 €25,79 in 2006; NL €27,41 in 2005). Tussen 2000 en het 2e kwartaal van 2008 stegen ze in Griekenland veel sterker dan in de EU (+60%, Eurolanden +27%, EU27 + 34%). In 2007 bedroeg het bruto minimum maandloon €658 (+5,1%, bij de 20 EU landen met zo'n loon +8,1%) bij een consumenten prijsniveau op 89% van het EU27 gemiddelde (NL 103%). In 2008 lag het op €681. Rond kerst, met Pasen en voor de zomervakantie krijgen werknemers een halve maand extra uitbetaald. De inkomensverschillen zijn naar EU maatstaven erg groot. In 2007 verdienden de 20% hoogste inkomens 6 x zoveel dan de 20% laagste (hoogste Eu15 na Portugal; EU 4,8 x zoveel; NL 4x) en 20% moest rondkomen met minder dan 60% van modaal (EU 16%; NL 10%). Eén en ander vertaalde zich in een relatief grote groep met armrijk spanningen (36%, EU15 27%; NL 12%, BE 23%) en in een groot aandeel huishoudens dat een groot verschil ervoer tussen aspiraties en levensomstandigheden (31%, NL 10%, BE 14%). Wie als alleenstaande overging van een uitkering op een laag betaald baantje hield in 2007 van de extra verdiensten echter wel veel over (gemiddeld 41%; hoogste EU na Slowakije; EU 25%, NL 19%). In 2007 was het aandeel Grieken dat moeite had om de eindjes aan elkaar te knopen met 32% het op 2 na grootste binnen de EU27 (EU27 13%, EU15 10%; bron EQLS 2007).
Arbeidsvoorwaarden en omstandigheden
De werkorganisatie is in Griekenland vaak strak naar EU maatstaven. In 2000 was onder zowel mannelijke als vrouwelijke werknemers het aandeel banen met weinig eigen inbreng en autonomie, veel controle en een opgelegd werktempo het grootste binnen de toenmalige EU15 met dat van Portugal (mannen 52% van de banen, EU 35%, NL 14%: vrouwen 60% banen, EU 40%, NL 25%). Dit beeld werd bevestigd door het onderzoek naar arbeidsomstandigheden van Eurofound in 2005. Het gedeelte werkenden dat vaak moest improviseren en omschakelen omdat er plotseling wat tussen kwam was tamelijk groot (38%, EU 33%), maar het deel dat bij hun baan te maken kreeg met onvoorziene problemen lag iets onder het Eu gemiddelde (75 om 81%) evenals het deel dat zelf de kwaliteit van het eigen werk kon beoordelen (69 om 73%). Grieken konden minder vaak dan gemiddeld zelf bepalen in welke volgorde (59 om 64%) of op welke manier (60 om 67%) ze taken uitvoerden. Wel hadden relatief velen het werktempo (74 om 69%) of het nemen van pauzes (50 om 44%) zelf in de hand en ook taken roteren was bij relatief veel banen mogelijk (51 om 43%). Aan met succes hulp kunnen vragen van collega's (61 om 67%) of superieuren (46 om 56%) of van buiten (26 om 32%) schortte het relatief vaak. Wel kon men bij veel banen zelf werkpartners kiezen (36 om 24%). Ook lag het aandeel werknemers dat naar eigen idee voldoende betrokken werd bij veranderingen in de organisatie van het werk boven het Eu25 gemiddelde (52 om 47%). De directe leidinggevende was relatief zelden een vrouw (20 om 25%).
Verhoudingsgewijs velen zaten in een werksituatie waarbij het tempo afhangt van collega's (46 om 42%), klanten ed. (72 om 69%), numerieke streefdoelen (44 om 42%) of een leidinggevende (42 om 35%). Bij veel banen was sprake van strikte deadlines (68 om 62%) of een soms moordend werktempo (73 om 60%), maar er waren ook veel eentonige banen (58 om 43%). Precieze kwaliteitseisen (58 om 75%) waren niet vaak toonaangevend. Relatief weinigen (62 om 70%) leerden via hun werk nieuwe dingen. Het aandeel werknemers dat naar eigen idee onder niveau werkt was tamelijk groot (40 om 34%) en het gedeelte dat in het jaar voor de vraagstelling training had gehad op kosten van de werkgever was het kleinst binnen de Eu (13 om 27%). Hetzelfde geldt voor het gedeelte banen met computer (29 om 47%) of internet (22 om 36%). Mede door de vele zelfstandigen was het deel dat buitenshuis werkt het kleinste binnen de Eu na dat van Cyprus (53 om 73%) en relatief weinigen deden van huis uit telewerk (7 om 9%).
Qua werktijden was de 5 daagse werkweek in Griekenland niet sterk ingeburgerd (51% werknemers in 2005, EU 66%). De gemiddelde werkweek was lang (45 om 38 uur; veel zelfstandigen) en er waren naar verhouding veel mensen die regelmatig dagen van meer dan 10 uur maakten (26 om 16%, hoogste EU) en veel mensen met bijbaantjes (10 om 6%). Tegelijkertijd lag het deel dat elke dag eenzelfde aantal uren maakte (67 om 59%), iedere week eenzelfde aantal dagen werkte (84 om 73%) en vaste begin en eindtijden kende (65 om 61%) ook boven het EU gemiddelde. Banen met ploegendiensten kwamen naar verhouding niet zoveel voor (13 om 17%). De gemiddelde werkweek in Griekse CAO's was in 2007 met 40 uur de langste binnen de EU15 en in de praktijk lag in het laatste kwartaal van dat jaar de gemiddelde voltijd werkweek op 39,9u (EU27 en NL 40u; België 38,8u). Het wettelijke minimum aan verlofdagen lag net als in NL en België op 20 (EU27 21,4 dagen). Men kende, net als NL, een maximale werkweek van 48 u (België 38u) en een langste werkdag van 12 uur (België 8 uur). De tabel hieronder biedt info over gemiddelde CAO afspraken qua werktijden in 2007 (bron eurofound).
|
Onderwerp CAO 2007
|
GR
|
NL
|
België
|
EU15
|
|
Werkweek in uren (voltijd)
|
40
|
37,6
|
37,5
|
37,9
|
|
Vakantiedagen
|
23
|
25,6
|
20
|
25,6
|
|
Feestdagen
|
10
|
7
|
10
|
10,5
|
|
Netto werkjaar in uren
|
1816
|
1706
|
1730
|
1696
|
Van de 24 fysiek en psychisch moeilijke werkomstandigheden die in 2005 in het Eurofound onderzoek de revue passeerden waren er naar EU maatstaven 18 relatief vaak van toepassing op de Grieken. Klachten over gesleep met mensen (5,7 om 8,1%) en beschermende werkkleding (18,5 om 23,5%) kwamen naar verhouding weinig voor, maar klachten over slepen met zware voorwerpen tamelijk vaak (24 om 19%). Bij de veel voorkomende klachten sprongen trillingen (31 om 24%, temperatuuruitersten (hitte 45 om 25%, kou 39 om 21%), rook, stank en stof (27 om 19%), tabaksrook van anderen (37 om 20%), ongemakkelijke houdingen (66 om 45%), veel hand en armbewegingen (77 om 62%), pesten en lastig vallen (9,2 om 5,1) en discriminatie (4,2 om 2,7%) er echter het meest uit. Er waren weinig klachten over geweld op het werk. Sinds 2008 kent Griekenland een rookverbod in ziekenhuizen, overheidsgebouwen en de metro van Athene, maar daar wordt vaak de hand mee gelicht.
De groep die de voorlichting op het werk over gezondheid en veiligheidsrisico's voldoende achtte was in 2005 relatief klein (77 om 83%) en het gedeelte Grieken dat vond dat ze via hun werk hun gezondheid of veiligheid in de waagschaal stelden (51 om 28%) of dat hun werk hun gezondheid verslechtert (68 om 34%) was het grootst binnen de EU25. Op 11 van de 16 door Eurofound onderzochte werkgerelateerde gezondheidsklachten had men eveneens de hoogste score binnen de gemeenschap en ook op de andere 5 kwamen bovengemiddeld vaak klachten voor. Relatief weinig Grieken (71 om 83%) schatten dan ook in dat ze hun baan wel tot hun 60e konden volhouden. Problemen met huid (16 om 6%), rug (47 om 24%), maag (19 om 6%) en ademhaling (15 om 4%) kwamen naast kwetsuren (24 om 10%), stress (56 om 22%), algehele vermoeidheid (58 om 21%), allergieën (11 om 4%), angst (35 om 8%) en geïrriteerdheid (27 om 11%) het vaakst voor binnen de EU. Ook het contingent banen dat gepaard ging met slaapproblemen was naar verhouding erg groot (17 om 8%).
|
Naar schatting 1 op de 4 werkenden in Griekenland loopt onverzekerd rond. Zo kwam in 2004 door de massale inzet van illegalen (vaak uit Albanië, voormalig Joegoslavië, Bulgarije, Roemenië of het Midden-Oosten) de infrastructuur voor de Olympische spelen nog op tijd klaar. Werkdagen van 10 tot 14 uur tegen een loon van €2 per uur (2 à 3 keer zo weinig als hun legale collega's) en het met 5 of meer mensen bivakkeren in een 2 kamerflatje met geïmproviseerde voorzieningen waren bij deze bouwvakkers geen uitzondering. Al langer werken veel kinderen illegaal uit arme gezinnen van Roma of buitenlanders. Ronselaars betalen voor hen een vergoeding aan de ouders.
|
Het gedeelte werknemers dat tevreden was met hun werkomstandigheden was het kleinste binnen de Eu (60 om 84%). Ook de tevredenheid over arbeidsinkomsten (32 om 44%) en carrièreperspectieven (27 om 32%) was relatief dun gezaaid. Ondanks de vele gezondheidsklachten was het gedeelte dat zich in het jaar voor de vraagstelling ziek had gemeld ook het kleinst naar EU maatstaven (14 om 23%; veel zelfstandigen) en het doorsnee aantal ziektedagen (20) was gemiddeld. Naar verhouding velen waren bang binnen een half jaar hun werk te verliezen (21 om 13%). Ook eind 2006 scoorde men qua tevredenheid met werk iets onder het Eu gemiddelde (3,51 om 3,6 op een schaal van 1 tot 5; Eurobarometer 273/ wave 66.3). Ook toen gaven relatief weinig Grieken aan dat hun baan het leren van nieuwe vaardigheden vereiste (58%, EU25 71%). Het deel dat hun werk te stressvol en veeleisend vond was het op één na hoogste binnen de EU (70 om 41%). Het deel dat vertrouwen had in baanbehoud lag toen wel iets boven de EU normaal (88 om 85%), maar de kans om bij ontslag een baan te vinden die vergelijkbare vaardigheden en ervaring vereist werd relatief laag ingeschat (5,3 op een schaal van 1 tot 10; 2 na laagste EU25; Eu 5,9).
In 2005 vond qua verhouding werk privé-leven het geringste aandeel werkenden dat de werkuren goed in te passen waren in het privé-leven (58 om 80%), maar tegelijkertijd was het deel van hen dat aangaf iedere dag minstens een uur aan de kinderen te kunnen besteden (33 om 28%) boven gemiddeld en het gedeelte dat in hun vrije tijd vanuit het werk werd benaderd was erg klein (12 om 23%). Men leverde makkelijker in op koken en huishouden dan op kinderen, want het gedeelte dat daar tijd genoeg voor overhield was ook klein (38 om 46%). De tabel hieronder laat zien hoe in 2007 het aandeel Grieken dat regelmatig moeilijkheden ondervond met het in balans brengen van werk en gezinsleven tot de absolute EU top behoorde. Slechts het aandeel werknemers dat naar eigen idee te weinig tijd had voor contact met familieleden vormde hierop een uitzondering. Verder waren in Griekenland de manvrouw verschillen erg groot naar EU maatstaven ten nadele van de werkende vrouwen (bron EQLS 2007). In de tabel wordt het woord familie gebruikt i.p.v gezin omdat in Griekenland als collectivistisch land de uitgebreide familie een veel belangrijkere rol vervult dan in NL en België.
|
Door het werk regelmatig (%):
|
GR
|
NL
|
BE
|
EU15
|
|
Te moe voor huishouden
|
72
|
37
|
37
|
45
|
|
Moeite met vervullen familieplichten
|
46
|
29
|
28
|
26
|
|
Concentratieproblemen op werk door familieverantwoordelijkheden
|
20
|
6
|
8
|
11
|
|
Aandeel werknemers met te weinig tijd voor:
|
|
Contact met familieleden
|
13
|
37
|
30
|
29
|
|
Andere sociale contacten
|
35
|
44
|
38
|
35
|
|
Eigen liefhebberijen
|
62
|
47
|
51
|
55
|
|
Vrijwilligerswerk/ politieke activiteit
|
82
|
39
|
42
|
61
|
Uitgavenpatroon voor sociale zekerheid
In 2006 droegen volgens Eurostat (living conditions/ social protection) naar EU25 maatstaven werkgevers (35,1 om 38,2%) en overheid (31,4 om 37,6%) naar verhouding weinig en de beschermde persoon (22,6 om 20,6%) en andere bronnen (10,9 om 3,5%) relatief veel bij aan de sociale zekerheid. In dat jaar lagen de totale uitgaven aan het sociale stelsel met 24,2% van het BBP onder de EU normaal (EU25 27%). Gelijk getrokken voor inkomensverschillen was dit per inwoner 87% van het EU27 gemiddelde en 76% van de EU15 normaal. Het aandeel aan uitkeringen voor arbeidsongeschikten en pensioenen lag met 11,9% precies op de EU25 normaal, maar dat voor bejaarden voorzieningen lag daar flink onder (0,1%, Eu27 0,48%; bejaarden worden in het collectivistische Griekenland veel door de familie opgevangen en verzorgd). Van de sociale uitgaven ging naar EU25 maatstaven relatief veel naar pensioenen (43,2 om 40%), nabestaanden (8,1 om 6,2%) en bestrijding van sociale uitsluiting (2,3 om 1,3%) en naar verhouding weinig naar ziektekosten (28,7 om 29,2%), arbeidsongeschikten (4,7 om 7,5%), gezinnen (6,2% om 8%), werklozen (4,6% om 5,6%) en huisvesting (2,2 om 2,3%). Het deel voor pensioenen is na 1995 gezakt (-6,5%) en dat voor nabestaanden schoot van 2005 op 2006 ineens van 3,4 naar 8,1%. De gezinsuitkeringen zakten na 1995 m.n door de daling van het geboortecijfer.
Sociale zekerheid: opzet van het stelsel
Het aandeel in pensioenen van Vut regelingen was in 2002 het grootste binnen de EU25 (22,5 om 5%). Het sociale stelsel (de IKA is de grootste staatsverzekeraar) is bedoeld om de ergste armoede tegen te gaan en garanties en rechtszekerheid te bieden. Er zijn maximum en minimumuitkeringen. Voor bijna alle uitkeringen geldt een minimale periode van premie afdracht. De hoogte van de meeste uitkeringen hangt af van het inkomen en de meeste uitkeringen vervallen voor wie teveel verdient (meer dan €73.914 p/j in 2008, bij werkloosheid gold alleen voor wie voor 1993 was verzekerd een hoogste inkomensgrens van €2058 p/m). Wel wordt bij de meeste uitkeringen een 13e en een 14e maand uitbetaald. Vaak (ziektegeld, zwangerschapsverlof, werkloosheid) ligt de basis op 40 of 50% van het laatstverdiende loon met een aanvulling van 10% per gezinslid. Voor ambtenaren en voor de meeste groepen zelfstandigen bestaan aparte regelingen. Ambtenarenvoorzieningen zijn beter dan die voor productiemedewerkers en zelfstandigen. Voor de laatste categorie bestaan geen werkloosheidsuitkeringen en kinderbijslag. De meeste voorzieningen worden opgebracht door werkgevers, werknemers en overheid samen.
Ouderdom en arbeidsongeschiktheid
Veel informatie over sociale stelsels op culturescope.nl komt van de site van de Amerikaanse overheid http://www.ssa.gov/policy/docs/progdesc/ssptw/. In Griekenland varieert de pensioenleeftijd (incl. vervroegd pensioen) tussen 55 en 65 jaar. Hoogte en ingangsdatum hangen af van de combinatie van zwaarte van het beroep, mate van arbeidsgeschiktheid en aantal premiedagen en men kent naast VUT regelingen ook de mogelijkheid van een uitgesteld pensioen. Uitkeringen voor pensioenen, nabestaanden en arbeidsongeschiktheid kennen een aanvullende solidariteitsvergoeding voor de laagste inkomens (tussen €6824 en €7962 aan belastbaar inkomen of onder €12.390 aan gezinsinkomen; bij nabestaanden wat hoger in 2008). Deze varieerde van €195 tot €49 p/m. Voor arbeidsongeschikten die aan de voorwaarden voldoen bestaat een speciale toeslag van 20 minimum maandlonen. Het minimum staatspensioen liep in 2008 uiteen van ruim €463 p/m voor een alleenstaande naar €563 voor een paar met 3 inwonende kinderen. Bij een alleenstaande 55plusser die meer dan €734 p/m bijverdiende uit loondienst ging er 70% vanaf, maar als deze minderjarige inwonende kinderen had kwam er weer 20% per kind bij. Het maximum pensioen lag in 2008 op €3503 p/m. Het weduwepensioen bedroeg €417 bij wie voor 1993 was verzekerd en voor wie daarna in de verzekering kwam €377. Wezen kregen 20 tot 60% met het pensioen van de overledene als maximum. De begrafenisvergoeding lag in 2008 op €723.
Ziekte en zwangerschap
De mogelijke duur van de uitkering bij ziekte of tijdelijke arbeidsongeschiktheid hangt af van de premieperiode. In het jaar voor de ziekte inging moet minimaal 100 dagen premie zijn betaald (bij zwangerschap 200 dagen in 2 jaar). De duur varieert bij ziekte van 182 tot 720 dagen. De uitkering bij zwangerschap gold voor 17 weken; van 8 weken voor tot 9 weken na de bevalling. Beide uitkeringen lagen op 50% van het laatstverdiende loon met een toeslag van 10% per kind tot maximaal 40%. Ook deze uitkeringen kennen een maximum. Bij ziekte etc loopt dit op van €16 p/d in de eerste 2 weken naar 70% van het laatstverdiende loon na een maand. Bij zwangerschap lag het maximum op €45 p/d of €63 p/d bij afhankelijke gezinsleden. Verder kende men een geboortevergoeding (€882 in 2008). Wie voor 80% of meer is afgekeurd krijgt een volledig pensioen, bij 67-80% volgt 75% en bij 50-76% ongeschiktheid 50%. Psychiatrische patiënten krijgen vanaf tweederde een volledig en vanaf de helft 75% pensioen.
Werkloosheid en gezinnen
Voor een werkloosheidsuitkering tellen de laatste 2 maanden voor het ingaan van de werkloosheid niet mee in de premieperiode. Verder moet men als werkzoekende staan ingeschreven en ontslagen zijn. De hoogte ligt op 40 á 50% van het laatstverdiende loon (afhankelijk van het beroep) met een minimum (€12,45 p/d in 2008) en een toeslag van 10% per afhankelijk gezinslid en de duur varieert van 5 maanden tot een jaar afhankelijk van de lengte van het dienstverband en de leeftijd. Voor seizoensarbeid kent men een speciale regeling. Ook kent men een gegarandeerd bestaansminimum (bijstand; rond 220 p/m). Om het krijgen van meer kinderen aan te moedigen varieert de kinderbijslag; in 2008 van €8,22 voor één kind naar ruim €67 p/m voor 4 kinderen. Bij elk volgend kind kwam daar €11 per kind bij. Daarnaast kende men een toeslag van €3,67 p/m voor een gehandicapt kind of een alleenstaande ouder die weduwe, soldaat of gehandicapt was.
Beoordeling en gebruik van het sociale stelsel
In Griekenland lag het volksdeel met weinig vertrouwen in het staatspensioenstelsel in 2003 vrijwel op het EU25 gemiddelde (53 om 54%) en het deel dat dezelfde bevinding deelde met betrekking tot het sociale zekerheidsstelsel lag daar boven (55 om 45%). Het deel dat vond dat het sociale stelsel voldoende dekking biedt lag eind 2006 met 32% ver onder het Eu25 gemiddelde (51%) evenals het segment dat vond dat het Griekse stelsel andere landen tot voorbeeld zou kunnen dienen (8 om 42%). Het gedeelte dat het stelsel te duur vond was groter dan gemiddeld in de Eu (66 om 53%).
In 2006 waren 4,05 miljoen Grieken verzekerd voor een pensioen, 3,2 miljoen voor een aanvullend pensioen, 6 miljoen voor ziektegeld, 116.000 voor een bijstandsuitkering en 1,71 miljoen voor een andere uitkering. Onder de 2,43 miljoen pensioenen waren 1,58 miljoen vanwege ouderdom, 311.000 vanwege invaliditeit en 425.000 aan nabestaanden. Onder de 1,79 miljoen aanvullende pensioenen viel 1,36 miljoen keer ouderdom, 129.000 keer invaliditeit uitkeringen en 30.000 keer nabestaanden (bron: het Griekse CBS http://www.statistics.gr/Main_eng.asp onder social statistics).
|